ECLI:NL:TGZRAMS:2022:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3126

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:27
Datum uitspraak: 18-03-2022
Datum publicatie: 23-03-2022
Zaaknummer(s): A2021/3126
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, doorhaling inschrijving register
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een tandarts. Klaagster verwijt de tandarts dat zij het behandelplan met betrekking tot haar beugel verkeerd heeft uitgevoerd. De tandarts heeft geen verweer gevoerd. Ondanks vele inspanningen is het niet gelukt om de woon- en verblijfplaats van de tandarts te achterhalen. De tandarts is zonder bericht aan haar collega’s en patiënten plotseling vertrokken uit de praktijk waar zij werkte. Nu de tandarts er op geen enkele wijze voor heeft gezorgd dat zij traceerbaar is, komt het niet voeren van verweer voor rekening en risico van de tandarts. Klaagster heeft haar klacht voldoende aannemelijk gemaakt, het college komt dan ook tot het oordeel dat de tandarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Wat betreft de maatregel overweegt het college dat het gedrag van de tandarts dermate ernstig is, dat hierbij slechts de maatregel van doorhaling past.

REGIONAAL
TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing naar aanleiding van de – na doorzending door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven alwaar de klacht op 26 mei 2021 is ontvangen - op 3 november 2021 binnengekomen klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: C (vader van klaagster),

tegen

D,
tandarts,
destijds werkzaam te B,
beklaagde.


1. De procedure
1.1 Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlage;
- het aanvullend klaagschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek, de pogingen van het college Eindhoven beklaagde op de hoogte te brengen van de ingediende klacht en de overdracht van de zaak op 3 november 2021.

1.2 Omdat van beklaagde geen adres in Nederland bekend is geworden, heeft het college Eindhoven de zaak overgedragen aan het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam.

1.3 Klaagster heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.4 Het college heeft de klacht op 15 februari 2022 op een openbare zitting behandeld. Klaagster was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Beklaagde is niet verschenen.

2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Beklaagde was als tandarts werkzaam in de tandartspraktijk E in B. Op 6 juni 2012 – klaagster was toen bijna acht jaar oud – is beklaagde in haar praktijk gestart met een beugelbehandelplan bij klaagster. Klaagster kwam, tot ongeveer haar 16e jaar, iedere maand bij beklaagde voor een (controle)consult.

2.2 Vanaf 1 oktober 2019 is de praktijk van beklaagde samengevoegd met de praktijk F (inmiddels: G te K). De zelfstandige praktijk van beklaagde in B werd gesloten. Klaagster is mee overgestapt naar de nieuwe samengevoegde praktijk. Zij heeft beklaagde daar zelf nooit meer gezien. Het patiëntendossier van klaagster is overgedragen aan de nieuwe praktijk, echter alle gemaakte röntgenfoto’s bleken te zijn verdwenen.
Beklaagde is kort na de samenvoeging van beide praktijken zonder enig bericht aan haar collega’s en patiënten plotseling vertrokken. Tot op heden is niet bekend waar beklaagde verblijft en of ze haar beroep als tandarts nog uitoefent.

2.3 Aangezien de behandeling van beklaagde heel lang duurde en klaagster (en haar ouders) er geen vertrouwen meer in had(den), heeft klaagster twee orthodontisten bezocht voor een second opinion; eerst een orthodontist te H (I), daarna nog een orthodontist in J. Beide orthodontisten kwamen tot dezelfde conclusie: het resultaat van de beugelbehandeling van beklaagde was dramatisch slecht.
Klaagster is thans onder behandeling van de orthodontist I. Klaagster is inmiddels ook gezien door een kaakchirurg; in september 2022 volgt een kaakoperatie en een hersteltraject van 1½- 2 jaar.

3. De klacht
3.1 Klaagster is erg ontevreden over de behandeling van beklaagde en verwijt haar een slecht uitgevoerd orthodontisch behandelplan. Klaagster heeft haar standpunt onderbouwd met een verklaring van de orthodontist I. In deze verklaring is opgenomen dat naar zijn mening sprake is geweest van malpraxis (zeer slechte behandeling). Zo ontbreken volgens deze orthodontist een diagnose en een behandelplan, is er sprake van een onjuiste kostenopgave, zijn ten onrechte meerdere vullingen in rekening gebracht bij het plaatsen van spalken, zijn restauraties in rekening gebracht die niet zijn uitgevoerd, heeft de behandeling erg lang geduurd, is ten onrechte toen klaagster acht jaar oud was met een zogenoemde trainer begonnen, heeft klaagster zes jaar een vaste beugel gehad met een dramatisch slecht resultaat, zijn de overbeet en de diepe beet niet gecorrigeerd en is de terugliggende kaak niet behandeld, waardoor een kaakoperatie noodzakelijk is geworden, is bij elke controle een gebitsreiniging in rekening gebracht hetgeen hoogst ongebruikelijk is, waren vijf jaar na de start van de behandeling nog één of meerdere melkelementen aanwezig, waaruit volgt dat de behandeling veel te vroeg is begonnen en is het onduidelijk waarom wel in het bovenfront maar niet in het onderfront een spalk is aangebracht.

3.2 Klaagster hoopt dat beklaagde een gedeelte van de kosten die nog gemaakt moeten worden (nieuw beugelplan en kaakoperatie) gaat terugbetalen, maar wat klaagster en haar ouders vooral hopen te bereiken, is dat beklaagde nooit meer haar beroep kan uitoefenen, zodat andere mensen niet meemaken wat klaagster heeft meegemaakt.

4. Het verweer
Doordat beklaagde geen verweerschrift heeft ingediend en niet ter zitting is verschenen, is haar verweer niet bekend.

5. Wat is het oordeel van het college?
5.1 Het college moet beoordelen of beklaagde als tandarts de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ tandarts.

5.2 Het college is van oordeel dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en acht de klacht gegrond. Het college licht dit als volgt toe.

5.3 Het college Eindhoven, alwaar klaagster haar klacht had ingediend, heeft geprobeerd het adres van beklaagde te achterhalen om haar op de hoogte te brengen van de tegen haar ingediende klacht en haar in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op het klaagschrift (met een verweerschrift). Dit is ondanks vele inspanningen niet gelukt. Ook in de praktijk waar beklaagde nadien haar patiënten heeft ondergebracht is niet bekend hoe met beklaagde contact kan worden opgenomen. Toen bleek dat beklaagde geen bekende woonplaats heeft, is de zaak overgedragen aan het college Amsterdam. Het is ook dit college niet gelukt het adres van beklaagde te achterhalen om beklaagde uit te nodigen voor het bijwonen van de zitting.

5.4 Klaagster heeft haar standpunt dat zij onjuist is behandeld door beklaagde met de verklaring van I op voldoende wijze uiteengezet en aannemelijk gemaakt. Nu beklaagde geen verweer heeft gevoerd gaat het college er dan ook vanuit dat beklaagde klaagster op de wijze als door I aangegeven niet juist (tandheelkundig/orthodontistisch) heeft behandeld. Nu beklaagde er op geen enkele wijze voor heeft gezorgd dat zij traceerbaar is, komt het niet voeren van verweer voor rekening en risico van beklaagde.

5.5 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat beklaagde niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tandarts mag worden verwacht. Beklaagde heeft aldus gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) aan klaagster had moeten geven. Hierbij past het opleggen van na te melden maatregel.

Maatregel
5.6 Het college overweegt met betrekking tot de op te leggen maatregel als volgt. Beklaagde is ernstig tekortgeschoten bij de behandeling van klaagster. Ze heeft ook declaraties ingediend voor handelingen die niet zijn verricht. Beklaagde heeft haar praktijk - nadat zij die had samengevoegd met een andere praktijk en daar, voor zover het college kan achterhalen, slechts enkele dagen heeft gewerkt – achtergelaten, zonder overdracht van alle patiëntgegevens, en is met de noorderzon vertrokken. Beklaagde heeft zich hierdoor willens en wetens onttrokken aan haar verantwoordelijkheden tegenover klaagster (en de overige patiënten) en het college.
Daarbij komt dat heden door het college nog twee uitspraken zijn gedaan met betrekking tot vergelijkbare klachten over beklaagde. Uit deze uitspraken blijkt dat in dit geval geen sprake is van een incident. Beklaagde is in meerdere zaken tekortgeschoten in haar diagnostiek en de wijze van behandeling. Beklaagde heeft het vervolgens onmogelijk gemaakt dat het college haar kan bereiken, zodat zij verantwoording aan de patiënt en het college zou kunnen afleggen. Of beklaagde nog werkzaam is in de gezondheidszorg is het college niet bekend. Door de procesopstelling van beklaagde heeft het college geen inzicht gekregen in de persoon van beklaagde.
Het college acht dit alles dermate ernstig dat hierbij slechts de maatregel van doorhaling past. De ernst van het gedrag van beklaagde en de volstrekte onduidelijkheid van de situatie waarin beklaagde verkeert vorderen in het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg, bij wijze van voorlopige voorziening, de schorsing van de bevoegdheid de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor ten hoogste één jaar, totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden, dan wel in beroep is vernietigd.

6. De beslissing
Het college:
-- verklaart de klacht gegrond;
- legtl op de maatregel van doorhaling van beklaagde in het BIG-register dan wel ontzegt beklaagde, voor het geval zij op het moment van onherroepelijk worden van deze beslissing niet is ingeschreven in het BIG-register, het recht om wederom in dit register te worden ingeschreven;
- legt op bij wijze van voorlopige voorziening chorsing van de bevoegdheid de aan de inschrijvinging verbonden bevoegdheden uit te oefenen, totdat debeslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden, dan wel in beroep is vernietigd.


Aldus beslist op 18 maart 2022 door:
J. Brand, voorzitter,
E.C.L. Fritschij, M.M.L.F. Smulders en H.W. Luk, leden-tandarts,
J.C.J. Dute, lid-jurist,
bijgestaan door S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris.