ECLI:NL:TGZRAMS:2022:24 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3205
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:24 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-03-2022 |
| Datum publicatie: | 16-03-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3205 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de bedrijfsarts. Deze klacht heeft betrekking op twee periodes. De 1e periode betreft de begeleiding door de bedrijfsarts en de 2e periode ziet op een periode jaren later betreffende het opvragen van haar dossier.Ten aanzien van de 1e periode verwijt klaagster de bedrijfsarts dat zij 1) haar had moeten doorverwijzen naar een andere bedrijfsmaatschappelijk werker voor het onderzoek naar pesterijen en 2) nooit een derde gesprek met klaagster heeft gehad ter evaluatie en klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over het verdere verloop. Ten aanzien van de 2e periode verwijt klaagster de bedrijfsarts dat zij 1) haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden, 2) klaagster onheus heeft bejegend in een telefoongesprek, 3) klaagster ten onrechte heeft geïnformeerd over de ontvangst van het dossier en 4) meer algemeen dat zij klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd. De bedrijfsarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd.Het college heeft de klacht in haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.De bedrijfsarts kan niet worden verweten dat zij geen andere bedrijfsmaatschappelijk werker voor klaagster heeft geregeld, omdat niet kan worden vastgesteld dat zij op de hoogte was van de onvrede van klaagster. Ook kan verweerster niet worden verweten dat zij geen derde gesprek met klaagster heeft gevoerd, omdat klaagster inmiddels al weer beter was gemeld. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de bedrijfsarts bij de terugkoppeling haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden. Evenmin kan worden vastgesteld dat de bedrijfsarts klaagster onheus heeft behandeld. Klaagster heeft verder het verslag van de twee consulten ontvangen. Tot slot is niet duidelijk geworden wat klaagster bedoelt met het verwijt dat zij onjuist is geïnformeerd. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 24 juni 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
bedrijfsarts,
werkzaam te D,
verweerster, verder ook te noemen: “de bedrijfsarts”.
gemachtigde: mr. M.C. Hazenberg, werkzaam te Utrecht.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het aanvullende klaagschrift, ingekomen op 17 augustus 2021;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 30 november 2021 gehouden vooronderzoek;
Het college heeft de klacht op basis van de stukken beoordeeld.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Klaagster was werkzaam bij E. Zij heeft zich daar op 17 mei 2011 ziekgemeld. Verweerster was de bedrijfsarts van klaagster en was zelf in dienst van E (thans F). F maakte tot (in) 2012 evenals E onderdeel uit van de G.
2.2 Op 1 juni 2011 en 24 juni 2011 is klaagster op het spreekuur geweest bij de bedrijfsarts. Tevens heeft klaagster op advies van de bedrijfsarts contact gehad met een bedrijfsmaatschappelijk werker. Omstreeks augustus 2011 is klaagster uit dienst getreden bij E.
2.3 Begin februari 2016 heeft de behandelend GZ-psycholoog van klaagster het medisch dossier van klaagster opgevraagd bij F. Het (aanwezige) medisch dossier is op 18 mei 2016 naar klaagster gezonden. Op 12 juni 2016 heeft klaagster per e-mail aan het Medisch Loket van F aangegeven dat de toegezonden informatie niet compleet was. Hierna heeft de bedrijfsarts hierover nog telefonisch contact opgenomen met klaagster. In april 2021 heeft klaagster nogmaals zelf haar medisch dossier opgevraagd bij het Medisch Loket. Op 9 april 2021 heeft het Medisch Loket opnieuw informatie aan klaagster gezonden.
2.4 Klaagster is niet tevreden over de begeleiding door de bedrijfsarts en de omgang met haar dossier wat betreft de verslaglegging en de vertrouwelijkheid.
3. De klacht
Klaagster heeft haar klachten in twee periodes ingedeeld. De eerste periode betreft
de begeleiding door de bedrijfsarts in 2011 en de tweede periode betreft het opvragen
van haar dossier in 2016. Ter gelegenheid van het mondelinge vooronderzoek heeft klaagster
het eerste klachtonderdeel (1a) over de eerste periode ingetrokken, omdat dit verjaard
was. Daarna resteerden, samengevat, de volgende klachtonderdelen:
Periode 1: 2011
1b) Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar had moeten doorverwijzen naar een
andere bedrijfsmaatschappelijk werker (BMW-er) om het onderzoek naar pesten op de
werkvloer te verrichten, omdat de taak van de BMW-er zou worden overgeheveld naar
(een BMW-er) van E zelf.
1c) Verder verwijt klaagster de bedrijfsarts dat zij nooit een derde gesprek met haar
heeft gehad ter evaluatie en klaagster onvoldoende heeft geinformeerd over het verdere
verloop;
Periode 2: 2016
2a) Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden
door opname van een vetgedrukt kopje ‘psychose’, in de terugkoppelingsbrief aan de
werkgever;
2b) Verder verwijt klaagster de bedrijfsarts dat zij haar onheus heeft bejegend in
een telefoongesprek naar aanleiding van haar verzoek van 12 juni 2016 om een kopie
te ontvangen van haar medisch dosier, alsmede dat zij
2c) klaagster daarover ten onrechte heeft geinformeerd dat zij alles al zou hebben
ontvangen via haar behandelaar, zowel per telefoon als per mail van 7 juli 2016;
2d) Meer algemeen verwijt klaagster verweerster dat zij haar onvoldoende heeft geinformeerd.
4. Het verweer
Verweerster heeft de klacht bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. Wat is het oordeel van het college?
5.1 Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Voor die beslissing acht het college het volgende van belang.
5.2 Het college moet beoordelen of verweerster als bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ bedrijfsarts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de begeleiding en met de toen voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen. Ook geldt dat de bedrijfsarts slechts tuchtrechtelijk aansprakelijk is voor haar eigen medische handelen.
Klachtonderdeel 1b
5.3 Klaagster ging ervan uit dat er een onderzoek zou worden verricht naar het door
haar ervaren pesten op de werkvloer door de bedrijfsmaatschappelijk werker waar de
bedrijfsarts haar naartoe had verwezen. Klaagster was het er dan ook niet mee eens
dat de bedrijfsmaatschappelijk werker werd vervangen door een andere – volgens haar
niet onafhankelijke - bedrijfsmaatschappelijk werker en meent dat het de taak van
de bedrijfsarts was hierop te letten en te zorgen dat er een andere bedrijfsmaatschappelijk
werker werd aangewezen.
5.4 De bedrijfsarts heeft betwist dat door de bedrijfsmaatschappelijk werker een onderzoek naar de pesterijen zou worden verricht. De doorverwijzing was volgens haar slechts ter begeleiding van klaagster, conform de STECR-richtlijn voor werkgerelateerde problematiek. De bedrijfsarts heeft bovendien aangevoerd dat zij nooit is geïnformeerd door de bedrijfsmaatschappelijk werker, zodat zij ook niet kon weten dat er een ander kwam. Verder heeft de bedrijfsarts erop gewezen dat in het verslag van 24 juni 2011 staat dat klaagster een goed gesprek met de bedrijfsmaatschappelijk werker heeft gehad.
5.5 Het college overweegt dat – mede gezien de aantekening van 24 juni 2011 - niet kan worden vastgesteld dat de bedrijfsarts op de hoogte was van de onvrede van klaagster over de bedrijfsmaatschappelijk werker, zodat het haar reeds daarom niet kan worden verweten dat zij klaagster hierin onvoldoende heeft begeleid. Dit klachtonderdeel faalt.
Klachtonderdeel 1c
5.6 Het college is verder van oordeel de bedrijfsarts niet kan worden verweten dat
er geen derde gesprek meer heeft plaatsgevonden na 24 juni 2011, aangezien klaagster
op 19 juli 2011 weer beter was gemeld. De vervolgafspraak die stond gepland is hierdoor
komen te vervallen.
Klachtonderdeel 2a
5.7 Klaagster heeft op het mondelinge vooronderzoek toegelicht dat in 2016 haar toenmalige
behandelaar bij de bedrijfsarts haar medisch dossier had opgevraagd. Volgens klaagster
kreeg zij toen (onder meer) de terugkoppelingsbrieven die destijds zowel naar haar
als de werkgever zouden zijn gezonden. Volgens klaagster zou in de terugkoppelingsbrief
van 24 juni 2011 zijn opgenomen dat bij klaagster sprake was van een psychose.
5.8 De bedrijfsarts heeft betwist dat zij medische gegevens over klaagster heeft gedeeld met de werkgever in de terugkoppeling. Zij heeft uitgelegd dat in de terugkoppeling aan de werkgever alleen de tekst onder het kopje ‘bevindingen’ wordt doorgegeven en dus niet het stuk erboven. Helaas zijn de brieven die naar de werkgever zijn gestuurd voor de bedrijfsarts zelf niet meer toegankelijk na de overname van F door H en het overstappen door E naar een andere arbodienst.
5.9 Het college overweegt dat de werkwijze die door de bedrijfsarts beschreven wordt voor het terugkoppelen van informatie aan de werknemer en werkgever, gebruikelijk is. Het is jammer dat de uitgedraaide en verzonden terugkoppelingsbrieven niet meer in kopie beschikbaar zijn voor de bedrijfsarts, maar dat valt haar niet te verwijten omdat zij zelf niet meer in het systeem kan waarin deze destijds zijn bijgehouden. Het lange tijdsverloop sinds het indienen van de klacht speelt daarbij ook een rol. Aan klaagster is de mogelijkheid geboden deze terugkoppelingsbrieven alsnog te achterhalen en na te zenden, maar dat heeft zij niet meer gedaan. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat de bedrijfsarts bij de terugkoppeling haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden. Ook dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
Klachtonderdeel 2b
5.10 Dat de bedrijfsarts klaagster onheus heeft bejegend nadat klaagster telefonisch
contact had opgenomen om haar volledige dossier op te vragen, kan evenmin worden vastgesteld.
Volgens de bedrijfsarts kwam het klaagster eenmaal niet uit toen zij haar terugbelde
en heeft zij eenmaal de voicemail van klaagster ingesproken. Uiteraard kan het zo
zijn dat klaagster dit contact met de bedrijfsarts destijds als onprettig heeft ervaren,
maar dat brengt nog niet met zich dat de bedrijfsarts ook tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld.
Klachtonderdeel 2c
5.11 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar zowel telefonisch als schriftelijk onjuist heeft geïnfomeerd door mede te delen dat alle beschikbare informatie aan klaagster zou zijn toegezonden. Volgens klaagster klopt dat niet, omdat zij de terugkoppelingsbrieven aan de werkgever – die volgens klaagster eerder wel aan haar behandelaar zouden zijn gezonden - niet in het aan haar toegezonden dossier aantrof.
5.12 Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen over de werkwijze bij de terugkoppelingen die worden gedaan aan de werknemer en de werkgever. De werknemer ontving het uitgebreide gedeelte en de werkgever enkel het stukje onder het kopje ‘bevindingen; Het uitgebreide verslag van de twee consulten heeft klaagster ook ontvangen en daarmee kan worden teruggehaald wat indertijd aan de werkgever is verzonden. In die zin is de mededeling van verweerster dat klaagster alle beschikbare informatie heeft ontvangen niet onjuist.
Klachtonderdeel 2d
5.13 Klaagster verwijt de bedrijfsarts ten slotte dat zij haar onjuist heeft geïnformeerd.
Het is niet duidelijk geworden wat klaagster daarmee – naast de hiervoor al besproken
klachtonderdelen – bedoelt. Dit klachtonderdeel kan reeds daarom niet slagen.
5.14 Het voorgaande leidt tot de beslissing dat de bedrijfsarts met betrekking tot de klachtonderdelen geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. De klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.
6. De beslissing
Verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist op 8 maart 2022 door:
E.A. Messer, voorzitter,
R.L. Kloots en E.G. Ackema, leden-beroepsgenoten
bijgestaan door C. Neve, secretaris.