ECLI:NL:TGZRAMS:2022:22 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3439
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:22 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-03-2022 |
| Datum publicatie: | 16-03-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3439 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De huisarts wordt verweten dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door Oxycodon aan een patiënte, althans dat hij deze keuze onvoldoende heeft toegelicht. Verder wordt de huisarts verweten dat hij aanvankelijk niet had erkend dat hij (en niet de cardioloog) deze pijnstiller had voorgeschreven. Klachten zijn kennelijk ongegrond. Het college overweegt dat de huisarts gezien de pijnklachten van de patiënte en haar medische voorgeschiedenis terecht heeft gekozen voor het voorschrijven van dit middel. Niet vast te stellen is dat de huisarts heeft ontkend dit middel te hebben voorgeschreven. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 8 september 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: C,
tegen
D,
huisarts,
werkzaam te B,
verweerder.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 20 januari 2022 gehouden vooronderzoek;
- het e-mailbericht van 21 januari 2022 van (de gemachtigde van) klaagster met bijlagen.
Het college heeft de klacht op basis van de stukken in raadkamer van 8 februari 2022 beoordeeld.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1. Verweerder is sinds 2003 de huisarts van klaagster. Klaagster heeft op 29 december
2011 een dochter van haar als haar gevolmachtigde aangewezen met ingang van 1 januari
2012. De gemachtigde in deze tuchtzaak lijkt een andere dochter te zijn.
2.2. Klaagster is opgenomen geweest in het ziekenhuis in verband met kortademigheidsklachten
door hartfalen en na Covid. Op 18 augustus 2021 is zij uit het ziekenhuis ontslagen.
Vóór haar ziekenhuisopname had zij ulcera ontwikkeld aan haar voeten als gevolg van
vasculitis.
Na overleg tussen een dochter van klaagster (niet: de gemachtigde) en verweerder op
19 augustus 2021 heeft verweerder, gehoord hebbende van onder andere de pijnklachten
van klaagster, dertig stuks Oxycodon 5 mg mga (langwerkend) en dertig stuks Oxycodon
5 mg caps (kortwerkend) voorgeschreven.
2.3. Op 21 augustus 2021 hebben gemachtigde en haar broer de toediening van Oxycodon aan klaagster gestopt, omdat klaagster er niet goed op reageerde. Verweerder is op huisvisite geweest en gaf adviezen over andere pijnstilling en adviseerde tevens alarmering aan te vragen.
2.4. De gemachtigde heeft per brief van 19 augustus 2021 verweerder om een (schriftelijke) verklaring gevraagd waarin hij zou toelichten waarom hij Oxycodon (in die dosis) had voorgeschreven aan klaagster. Verweerder heeft hierop per brief van 3 september 2021 gereageerd.
3. De klacht
Volgens (de gemachtigde van) klaagster heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld omdat
hij niet weloverwogen Oxycodon heeft voorgeschreven en vervolgens niet, althans onvoldoende,
heeft toegelicht waarom hij dat middel in die dosis aan klaagster had voorgeschreven.
Daarnaast verwijt zij hem dat hij aanvankelijk niet heeft erkend dat hij degene was
geweest (en niet de cardioloog) die de pijnstiller had voorgeschreven.
4. Het verweer
Verweerder heeft de klacht bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. Wat is het oordeel van het college?
5.1. Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen
de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand
van de wetenschap ten tijde van het door klagers klachtwaardig geachte handelen en
met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.
5.2. Het college is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college zal dat hierna uitleggen.
5.3. Klaagster ervaarde veel pijnklachten doordat zij ulcerae had ontwikkeld aan haar voeten als gevolg van vasculitis. Door Paracetamol verminderden de klachten onvoldoende. In overleg met een van de dochters van klaagster heeft verweerder Oxycodon voorgeschreven. Aangezien klaagster bekend is met hartproblemen en nierfunctiestoornissen was er volgens verweerder een contra-inidcatie voor het voorschrijven van NSAID’s maar niet voor een morfinepreparaat zoals Oxycodon. Verweerder, die sinds 2003 de huisarts van klaagster is, had om die reden ook reeds in 2016, 2018, 2020 en 2021 Oxycodon aan klaagster voorgeschreven. Er zijn toen geen noemenswaardige bijwerkingen opgetreden.
5.4. Het college is van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door
Oxycodon aan klaagster voor te schrijven. Gezien de pijnklachten van klaagster en
in aanmerking genomen haar medische voorgeschiedenis heeft verweerder terecht gekozen
voor het voorschrijven van dit middel in deze (standaard)dosis. Dat klaagster dit
keer – anders dan vorige keren - last heeft gekregen van bijwerkingen, maakt dat niet
anders en kan niet zonder meer worden geweten aan haar gevordere leeftijd en aan het
feit dat zij herstellende was van een besmetting met Covid-19.
Het college is van oordeel dat verweerder medisch juist heeft gehandeld jegens klaagster.
5.5. Voorts heeft verweerder klaagster en gemachtigde voldoende geïnformeerd door bij brief van 3 september 2021 te antwoorden op de e-mailberichten van gemachtigde van 2 september 2021 en 3 september 2021. Klaagster stelt dat zij deze brief pas op 17 september 2021, dat is na het indienen van haar klacht, heeft ontvangen. Daargelaten of verweerder gehouden was om aan gemachtigde verantwoording af te leggen (zij is niet degene aan wie de volmacht is verleend) heeft verweerder in zijn antwoordbrief keurig uitgelegd op welke gronden hij is overgegaan tot het voorschrijven van Oxycodon; in zoverre heeft hij voldaan aan het verzoek om informatie.
5.6. Klaagster stelt dat verweerder tegenover de gemachtigde heeft ontkend dat hij degene was die het recept voor Oxycodon had voorgeschreven. Verweerder betwist dat. Het college kan niet vaststellen wie van beiden op dit punt gelijk heeft. Het betreft 1-op-1 verklaringen die tegenover elkaar staan.
5.7. Het college concludeert dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.
6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Aldus beslist en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2022 door:
R.A. Dozy, voorzitter,
A. Wewerinke en D.E. de Jong, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door F.J.E. van Geijn, secretaris.