ECLI:NL:TGZRAMS:2022:159 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3745

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:159
Datum uitspraak: 11-11-2022
Datum publicatie: 11-11-2022
Zaaknummer(s): A2021/3745
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager is van mening dat de psychiater werkzaam in een TBS Kliniek waar klager verbleef, de verstrekking van Ritalin medicatie zonder deugdelijk onderzoek heeft gestaakt. Ook is klager van mening dat de psychiater door zowel de rol van psychiater als die van hoofd behandeling te vervullen, aan klager een onafhankelijk oordeel van een psychiater heeft onthouden. De psychiater heeft de klacht bestreden. Het college is van oordeel dat de psychiater, die ook als hoofd behandeling op een opname- en diagnostiekafdeling werkzaam is, en in die hoedanigheid het intakegesprek heeft gevoerd met klager, niet betekent dat hij klager niet als psychiater kan behandelen en onderzoeken. Niet valt in te zien waarom de psychiater na het voeren van het intakegesprek geen onafhankelijk oordeel als psychiater zou kunnen geven. Gelet op het gebrek aan een eenduidige indicatie voor het gebruik van Ritalin, is de handelswijze van de psychiater om dit middel om te zetten in een langwerkend methylfenidaatpreparaat en nader onderzoek te doen naar de indicatie niet onzorgvuldig. Het college ziet geen reden om te twijfelen aan de deugdelijkheid van het onderzoek van de psychiater. Klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
IN AMSTERDAM


Beslissing van 11 november 2022 naar aanleiding van de klacht van:


A,
verblijvend in B,
klager,
gemachtigde: mr. S. Marjanović, werkzaam in Den Haag,


tegen


C,
psychiater,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, werkzaam in Amsterdam.


1. De procedure
Het college heeft zijn beslissing gebaseerd op de volgende stukken:
- het klaagschrift, ontvangen op 28 december 2021;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 23 augustus 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de e-mail met bijlagen van 1 september 2022, van (de gemachtigde van) klager.
Het college had na het lezen van deze stukken geen vragen meer en geen behoefte aan een verdere toelichting van partijen. Het college heeft daarom de klacht op basis van de stukken, zonder aanwezigheid van partijen, beoordeeld.

2. De kern van de zaak
2.1 Klager, 40 jaar oud, is in oktober 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging. Vanaf 4 september 2017 verbleef hij in TBS-kliniek D. Op 20 december 2021 is hij overgeplaatst naar TBS-kliniek E, waar de psychiater werkzaam is als psychiater en hoofd behandeling op de opname- en diagnostiekafdeling. Op 21 december 2021 heeft de psychiater met klager een intakegesprek gevoerd. De psychiater heeft toen met klager besproken dat hij – in de beschikbare documentatie en op basis van het psychiatrisch onderzoek – geen eenduidige indicatie voor een behandeling met methylfenidaat zag. Hij besloot daarom, om het risico op misbruik te verlagen, vooralsnog het door klager gebruikte medicijn Ritalin om te zetten in een langwerkend methylfenidaatpreparaat (Concerta) en nader onderzoek naar de indicatie te doen.

2.2 Op 23 februari 2022 heeft de psychiater met klager de resultaten van het op 18 januari 2022 en op 10 februari 2022 verrichte dossieronderzoek besproken. De psychiater had onvoldoende aanwijzingen gevonden voor de diagnose ADHD. De indicatie voor het voorschrijven en gebruik van methylfenidaat was daarmee komen te vervallen en de psychiater heeft dit middel (zowel in de vorm van Ritalin als in de vorm van Concerta) daarom niet meer aan klager verstrekt. In de periode hierna heeft de psychiater op basis van nadere informatie over de eerdere behandeling van klager en eigen diagnostische bevindingen geconcludeerd dat de diagnose ADHD onvoldoende is onderbouwd. Aan klager is dus sinds 23 februari 2022 geen methylfenidaat meer verstrekt.


2.3 Klager is het hier niet mee eens. Hij vindt dat de verstrekking van Ritalin zonder deugdelijk onderzoek is gestaakt. Ook is klager van mening dat de psychiater door zowel de rol van psychiater als die van hoofd behandeling te vervullen, aan klager een onafhankelijk oordeel van een psychiater heeft onthouden.

2.4 De psychiater heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.

3. De overwegingen van het college
3.1 Het college komt tot de conclusie dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat als volgt toe. De onafhankelijkheid van de psychiater

3.2 Dat de psychiater ook als hoofd behandeling op de opname- en diagnostiekafdeling werkzaam is, en in die functie het intakegesprek met klager heeft gevoerd, betekent niet dat hij klager niet (ook) als psychiater kan onderzoeken en behandelen. Zonder toelichting – die klager niet heeft gegeven – valt niet in te zien waarom de psychiater na het voeren van het intakegesprek geen onafhankelijk oordeel als psychiater zou kunnen geven.

3.3 Dit klachtonderdeel is dus ongegrond.
Het beëindigen van het gebruik van een methylfenidaatpreparaat

3.4 Dat de psychiater het verstrekken van een methylfenidaatpreparaat aan klager heeft beeïndigd vanwege een incident drie jaar eerder met iemand anders in de kliniek, is een bewering van klager die niet wordt ondersteund door het dossier. Gelet op het gebrek aan een eenduidige indicatie voor het gebruik van Ritalin, is de handelswijze van de psychiater om dit middel om te zetten in een langwerkend methylfenidaatpreparaat (Concerta) en nader onderzoek te doen naar de indicatie niet onzorgvuldig. De conclusie van de psychiater (na dossieronderzoek en observaties) dat er niet aan de diagnostische criteria van ADHD wordt voldaan, kan het college volgen. Het college ziet geen reden om te twijfelen aan de deugdelijkheid van het onderzoek van de psychiater. Klager heeft dit verwijt verder ook niet geconcretiseerd. 3.5 Dit klachtonderdeel is dus ongegrond.


Conclusie
3.6 Gelet op het bovenstaande is het zonder meer duidelijk dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is.

4. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, A.E. van ’t Hoog, A.C.M. Kleinsman en F.M.J. Bruggeman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.