ECLI:NL:TGZRAMS:2022:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3803
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:157 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-11-2022 |
| Datum publicatie: | 09-11-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2022/3803 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster is door de arts gezien in het kader van verzuimbegeleiding. Klaagster vindt om meerdere redenen dat dat consult zeer onzorgvuldig is geweest en dat geldt ook voor de opgemaakte documenten en de reactie op het verzoek om een second opinion. Klacht in al haar onderdelen ongegrond. |
A2022/3803
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
te AMSTERDAM
Beslissing van 8 november 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: E,
tegen
C,
arts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: F, werkzaam te D.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 januari 2022;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- producties 1 tot en met 6 van klaagster, binnengekomen op 2 mei 2022;
- het proces-verbaal van het op 9 mei 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- productie 7 van klaagster, binnengekomen op 25 mei 2022;
- de e-mail van de gemachtigde van verweerder met logboekbestand, binnengekomen op
29 mei 2022;
- de e-mail van klaagster, binnengekomen op 30 mei 2022;
- de e-mail van de gemachtigde van verweerder met de samenwerkingsovereenkomst, binnengekomen
op 16 juni 2022;
- de e-mail van klaagster, binnengekomen op 8 september 2022;
- de e-mail van de gemachtigde van verweerder met een verklaring, binnengekomen op
21 september 2022;
- de aantekeningen van verweerder, binnengekomen op 22 september 2022;
- de e-mail van klaagster, binnengekomen op 26 september 2022.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 september 2022. De partijen zijn
verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden, F via beeldbellen. Allen
hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
Na de zitting is gebleken dat op de ochtend van de zitting een specificatie van de
kosten van klaagster is binnengekomen. Aan de gemachtigde van de arts is een reactie
gevraagd, die op 4 oktober 2022 is binnengekomen.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
2.1 Klaagster heeft zich op 19 november 2021 ziekgemeld. Zij is vervolgens op 17 december
2021 door de arts gezien in het kader van de verzuimbegeleiding. Klaagster vindt om
meerdere redenen dat dat consult zeer onzorgvuldig is geweest en dat geldt ook voor
de opgemaakte documenten en de reactie op het verzoek om een second opinion.
2.2 Het college komt tot de conclusie dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Het college licht dat hierna toe.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster is als assistent-filiaalmanager in loondienst van een besloten vennootschap.
Zij heeft zich op 19 november 2021 ziekgemeld in verband met diverse klachten (slijtage
ruggenwervels, schouder- rug- en heupklachten, hoofdpijn en duizelingsklachten, waardoor
lopen zeer problematisch is). Een week daarna is klaagster bij brief verzocht ‘om
zich bij de bedrijfsarts te melden’.
3.2 De arts is werkzaam bij de arbodienst van de werkgever van klaagster. Hij werkt
onder supervisie van een bedrijfsarts. In dat verband hebben de supervisor en de arts
een samenwerkingsovereenkomst opgesteld, gedateerd 21 januari 2021. Klaagster is op
17 december 2021 op consult geweest bij de arts. Tijdens dat consult is het opvragen
van medische informatie aan de orde gekomen. Op enig moment heeft klaagster het gesprek
willen beëindigen en is zij naar de deur gelopen. Ook de arts is naar de deur gelopen.
Klaagster is vervolgens weer gaan zitten. Het consult is voortgezet.
3.3 In het medisch dossier van klaagster heeft de arts over dit consult het volgende
genoteerd (citaten met inbegrip van eventuele taal- en typefouten):
‘Werk: DM (districtsmanager, opmerking college) reageert fel, ze heeft het gevoel
dat ze niet geloofd wordt. (…) A/ Overbelaste heup links. schouder rechts. Heeft het
idee dat de klachten door het werk komen. Voelt zich totaal niet serieus genomen:
niet door de DM, niet door de arbodienst. Hefet vakbond ingeschakeld. HA heeft gezed
dat ze haar wek niet meer kan doen, ook niet in de toekomst, en dat ze nu helemaal
niet mag werken. MRI gemaakt. (…) C/(…) Onderliggend denk ik spannigngsklachten en
stroeve werkrelatie: heeft al jaren het gevoel dat haar klachten niet serieus genomen
worden. (…) Mw wil mij nog geen toestemming geven voor het opvragen van de MI. Nu
belangrijke werken aan de arbeidsrelatie B/ (…) Mediation.
Onderzoek
Komt defensief over, gespannen en emotioneel. Moeizaam gesprek door emotie en spanning
bij MW. Het opvragen van de MI is een duidelijke trigger bij haar omdat ze het gevoel
had dat ik haar ook niet geloofde. Dit besproken, feedback gegeven over haar eigen
gedrag en de invloed op mij (dat door haar defensieve houding ik het ook moeilijk
vind om open en eerlijk in gesprek te gaan) Relatie wel enigszins kunnen lijmen voor
mijn gevoel’.
Van het consult heeft de arts ook een terugkoppelingsverslag voor de werkgever opgemaakt.
Daarin staat het volgende:
‘Ik sprak uw medewerker op mijn spreekuur. Ze verzuimt op medische gronden en volgt
gerichte behandeling. Over de prognose kan ik nog geen uitspraak doen; hiervoor heb
ik medische informatie nodig. Ik begrijp dat er tevens een specifieke situatie op
het werk speelt. Ik adviseer onderling in gesprek te gaan onder begeleiding van mediation
aangesloten bij MFN. In theorie is zij belastbaar voor aangepast werk rekening houdend
met de gestelde beperkingen, echter adviseer ik de komende weken hiermee nog niet
te starten om zo de ruimte te geven voor de mediation en voor herstel. Graag een afspraak
over 8 weken.
Met vriendelijke groet,
C, Arts, BIGnr. (…)
Werkende onder supervisie van: E – BIG nr. (…) - Bedrijfsarts’
3.4 Op 17 december 2021 heeft de arts de probleemanalyse opgemaakt. Achter ‘(Bedrijfs)arts’
staat ‘C, arts, BIGnr (…) werkende onder supervisie van E, bedrijfsarts, BIGnr (…)’.
Onder ‘Gegevens rondom de ziekmelding’ heeft de arts aangegeven dat de redenen van
verzuim werkgerelateerd zijn. Onder ‘Advies voor het plan van aanpak’ staat ‘Werkhervatting
in de eigen functie namelijk,’. De arts heeft de probleemanalyse ondertekend als ‘C,
arts, BIGnr (…) werkende onder supervisie van E, bedrijfsarts, BIGnr (…)’.
3.5 Na 17 december 2021 is een plan van aanpak opgemaakt (niet gedateerd). Achter
‘naam bedrijfsarts’ staat ‘C’. Bij de vraag ‘Geef de visie van de werkgever over de
werknemer, de functie, de arbeidsmogelijkheden.’ is onder een kopje ‘Re-integratie
advies’ de terugkoppeling van de arts opgenomen (zie onder 3.2, letterlijke tekst).
Bij het einddoel is ‘werkhervatting in de eigen functie’ aangekruist.
3.6 Klaagster heeft op 18 december 2021 en 23 december 2021 gesprekken gehad met haar
filiaalmanager respectievelijk haar districtsmanager. Naar aanleiding daarvan heeft
klaagster besloten een second opinion aan te vragen. Zij heeft dat verzoek op 24 december
2021 bij de verzuimcoach ingediend. Omdat op 31 december 2021 nog geen gehoor was
gegeven aan dit verzoek, heeft een juridisch medewerker van de FNV namens klaagster
per e-mail een herhaald verzoek bij de arbodienst ingediend.
3.7 Klaagster heeft op 5 januari 2022 een klacht ingediend bij de arbodienst.
3.8 Op 17 januari 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster, de arts en de superviserende bedrijfsarts.
3.9 Op 8 februari 2022 heeft een second opinion plaatsgevonden. De second opinion-
bedrijfsarts heeft geschreven dat de klachten chronisch zijn. Mediation achtte de
bedrijfsarts niet aangewezen, omdat zowel de werkgever als klaagster hebben verklaard
dat er geen sprake is van een arbeidsconflict.
3.10 Klaagster is nadien door een andere bedrijfsarts gezien. Deze heeft ook geconcludeerd
dat klaagsters beperkingen chronisch lijken.
4. Wat houdt de klacht in?
Klaagster verwijt de arts dat hij:
a) zich in het plan van aanpak heeft uitgegeven voor bedrijfsarts terwijl hij dat
niet is;
b) een gevaar vormt voor zieke medewerkers door zich onbeschoft en intimiderend te
gedragen – zo zat hij onderuitgezakt en met de armen over elkaar, vroeg hij niet door
op klachten, verrichtte hij geen lichamelijk onderzoek, zei hij dat klaagster ‘de
baas geld kostte’, vroeg hij continu om haar medisch dossier, en belemmerde hij klaagster
de spreekkamer uit te lopen;
c) aanvankelijk geen medewerking wilde verlenen aan het aanvragen van een second opinion;
d) in documenten en verslagen onwaarheden heeft vermeld;
e) voorafgaand aan 17 december 2021 met andere medewerkers over klaagster heeft gesproken;
f) de beroepsziekte van klaagster niet heeft erkend;
g) medewerkers (onder wie de verzuimcoach) heeft geïnstrueerd klaagster telefonisch
lastig te vallen;
h) geen overleg heeft gehad met zijn supervisor;
i) ten onrechte op papieren heeft ingevuld dat er een arbeidsconflict speelt;
j) een week na de eerste ziektedag een uitnodiging heeft gestuurd voor een eerste
spreekuur contact binnen vier weken, en dat
k) haar privacy is geschonden.
Klaagster heeft het college verzocht om de bedrijfsarts te veroordelen in de kosten
die zij heeft gemaakt voor deze procedure.
5. Wat is het verweer?
De arts heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder
besproken.
6. Wat zijn de overwegingen van het college?
6.1 Wat het college beoordeelt, is of de arts de zorg heeft verleend die van hem mocht
worden verwacht. De norm daarvoor is een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen
en de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen. Per klachtonderdeel zal
het college die normen, waar mogelijk, formuleren. Als een norm betrekking heeft op
meerdere klachtonderdelen of als klachtonderdelen elkaar overlappen, worden die klachtonderdelen
gezamenlijk beoordeeld.
Klachtonderdelen a, j) ten onrechte uitgegeven voor bedrijfsarts en oproep niet met juiste termijn?
6.2 Wat het eerste klachtonderdeel betreft, is de norm dat het recht om een specialistentitel te voeren voorbehouden is aan degenen die zijn ingeschreven in het specialistenregister. ‘Bedrijfsarts’ is zo’n specialistentitel. Artsen die niet als bedrijfsarts geregistreerd zijn, mogen zich dus slechts ‘arts’ noemen. Wel mogen deze artsen handelingen verrichten op het terrein van de bedrijfsarts, mits die handelingen onder supervisie van een geregistreerde bedrijfsarts plaatsvinden. Het is het college niet gebleken dat de arts zich in strijd met deze norm heeft gedragen. Hij heeft de door hem opgemaakte documenten ondertekend met ‘arts’, en daarbij opgeschreven dat hij onder supervisie werkt. Dat op het plan van aanpak ‘C’ staat achter het punt ‘bedrijfsarts’ kan niet aan de arts worden verweten, omdat niet is komen vast te staan dat dit stuk door hem is opgemaakt. Het is niet gebruikelijk dat een arts een plan van aanpak opmaakt. De verplichting tot het opstellen van een plan van aanpak rust volgens de Wet Verbetering Poortwachter op de werkgever (in samenspraak met de werknemer), al blijkt die taak in de praktijk soms te worden uitbesteed aan een medewerker van de arbodienst. Dit betreft dan echter geen arts. Aan het oordeel op dit punt doet ook niet af dat klaagster is opgeroepen om bij ‘de bedrijfsarts’ te komen. Ook voor zo’n oproep geldt dat deze niet door de arts zelf wordt opgemaakt en verzonden. Daarmee is ook het klachtonderdeel over de vroegtijdige oproep en de termijn om op het spreekuur te verschijnen beoordeeld; omdat de arts de oproep niet zelf heeft verstuurd kan hem op dat punt geen verwijt worden gemaakt. Bovendien is er geen wettelijke bepaling die regelt dat een zieke werknemer pas na een bepaalde periode opgeroepen mag worden voor een spreekuur. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b, d) onacceptabel gedrag 17 december 2021 en onwaarheden in documenten?
6.3 Wat het handelen van de arts op 17 december 2021 betreft, is van belang dat op de arts in kwesties als deze de taak rust een werkgever en een werknemer in het kader van verzuimbegeleiding en re-integratie van een zieke werknemer adequaat te adviseren en te begeleiden. Startmoment vormt de medische beoordeling na een ziekmelding. Aan de hand van de klachten van een werknemer moet de arts vaststellen of sprake is van ziekte of gebrek en zo ja, of die ziekte of dat gebrek rechtstreeks en medisch objectiveerbaar leidt tot beperkingen in arbeid. Soms speelt er tegelijkertijd een arbeidsconflict en moet de arts kijken naar wat in de ‘Richtlijn conflicten in de werksituatie (2019)’ van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) staat. Het is dan de taak van de arts om een goede analyse te maken van medische en niet-medische aspecten. Dat vraagt van de arts naast het goed uitvragen van de klachten en het uitvoeren van eigen lichamelijk en/of psychisch onderzoek, een voldoende inzichtelijke vastlegging van de verkregen informatie, van zijn eigen onderzoeksbevindingen en van zijn medische en niet-medische overwegingen. De arts stelt, indien aan de orde, vervolgens de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen vast en adviseert over de mogelijkheden die een werknemer nog wel heeft om arbeid te verrichten. In zijn beoordeling dient de arts de resultaten van onderzoeken en behandelingen door de curatieve sector te betrekken en dient hij zo nodig informatie op te vragen bij behandelende artsen of andere zorgverleners. Uiteraard dient de arts in alle contacten de werknemer met respect te behandelen.
6.4 Om met dat laatste te beginnen: klaagster verwijt de arts onder andere dat hij zich tijdens het consult onbeschoft en intimiderend tegenover haar heeft gedragen en haar heeft belemmerd de spreekkamer te verlaten. Met betrekking tot dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat verwijten over inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie en interactie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen. Het college is daarvan immers geen getuige geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en die toon is aan derden niet (goed) over te brengen. Zo ook in dit geval; klaagster en de arts hebben verschillende lezingen gegeven van de feitelijke gebeurtenissen tijdens het consult. De arts heeft toegelicht dat het niet zijn intentie was om klaagster te belemmeren de ruimte te verlaten, maar om de deur voor haar te openen en ondertussen het gesprek weer op gang te brengen, wat ook is gelukt: klaagster is weer gaan zitten. Nu dus niet vaststaat wat er is gebeurd, kan het college ook niet vaststellen dat de arts klachtwaardig heeft gehandeld. In de dossieraantekeningen en hetgeen ter zitting is besproken, ziet het college hiervoor ook niet voldoende aanknopingspunten. Klaagster verwijt de arts ook dat hij herhaaldelijk heeft aangedrongen op toestemming van haar om haar medische gegevens op te vragen. Dit vloeit echter voort uit de taken van een bedrijfsarts en is niet verwijtbaar. Een arts moet in het kader van de begeleiding van een zieke werknemer de van de werknemer verkregen informatie nu eenmaal toetsen aan de hand van objectieve gegevens, zoals een medisch dossier. Ook kan het de arts niet worden verweten dat hij in het consult geen lichamelijk onderzoek heeft verricht bij klaagster. Hij heeft in het mondeling vooronderzoek toegelicht dat klaagster vertelde dat de slijtage in haar gewrichten zichtbaar was op MRI-scans en dat lichamelijk onderzoek daarom geen zin had, omdat dergelijke slijtage niet bij lichamelijk onderzoek kan worden vastgesteld. Het college onderschrijft deze toelichting.
6.5 Het college kan om deze reden klaagster ook niet volgen in haar klacht dat de arts documenten en verslagen heeft opgesteld die niet met de waarheid zouden stroken. Voor zover klaagster doelt op het feit dat haar medische klachten wel in het medisch dossier staan bij 17 december 2021, maar niet in de terugkoppeling aan de werkgever van die datum, overweegt het college dat dat op zichzelf klopt. Het is namelijk vanwege het beroepsgeheim aan een (bedrijfs)arts niet toegestaan om die klachten aan de werkgever kenbaar te maken. Doelt klaagster op de mogelijkheid dat er twee verslagen van verschillende datums over dit consult zijn, dan overweegt het college dat het dat niet heeft kunnen vaststellen. Het college beschikt over één verslag, gedateerd 17 december 2021, en daarin staan de lichamelijke klachten van klaagster zorgvuldig beschreven. Het verwijt van klaagster dat de arts niet heeft doorgevraagd op haar lichamelijke klachten is daarom (ook) niet terecht. Het college vindt dat de arts de lichamelijke klachten van klaagster voor een eerste consult voldoende in beeld heeft gekregen en daar op de juiste wijze beperkingen aan heeft gekoppeld. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.
Klachtonderdelen f, i) niet erkennen beroepsziekte en ten onrechte van arbeidsconflict spreken
6.6 Het is juist dat de arts, zoals klaagster zegt, haar klachten in de documenten niet als beroepsziekte heeft geduid. De arts kon en mocht dat op 17 december 2021 ook niet, omdat hij daarvoor nog onvoldoende objectieve, medische informatie had. In zoverre treft de arts dus geen verwijt. Eerder lijkt de arts zich bovendien wel degelijk bewust te zijn geweest van de relatie tussen de werkzaamheden en de klachten van klaagster. Het college leest immers in de probleemanalyse dat de arts heeft genoteerd dat de reden van verzuim werkgerelateerd is, oftewel dat de klachten hun oorsprong vinden in het werk, en hij heeft ook allerlei fysieke beperkingen vermeld in de probleemanalyse. Aan het oordeel van het college op dit punt doet niet af dat de arts in de probleemanalyse ook genoteerd heeft dat werkhervatting in de eigen functie het doel was. Hoewel het college het begrijpelijk vindt dat klaagster dat heel anders zag en dat dit voor haar een miskenning van haar omvangrijke en volgens haar werkgerelateerde klachten betekende, is het gebruikelijk en juist om bij het eerste consult – als de situatie nog onduidelijk is – aan te geven dat de werknemer uiteindelijk weer het eigen werk kan doen. Het doel ervan is de werknemer te beschermen, omdat daarmee nog alle mogelijkheden open blijven.
6.7 Gelet op het voorgaande kan uit het gebruik van de term werkgerelateerd niet worden
afgeleid dat de arts bedoeld heeft te zeggen dat er uitsluitend een arbeidsconflict
speelde. Tegelijkertijd is duidelijk dat de arts er wel van is uitgegaan dat sprake
was van een arbeidsconflict tussen klaagster en haar werkgever. Dit blijkt onder andere
uit zijn opmerking in de terugkoppeling aan de werkgever dat ‘er een specifieke situatie
op het werk speelt’. Dit kan gelezen worden als een impliciete verwijzing naar een
conflictueuze situatie, evenzeer als het advies om met de werkgever in mediation te
gaan. Dat hij dit niet als een arbeidsconflict heeft benoemd is overigens correct,
omdat het aanbeveling verdient die term te vermijden om (verdere) escalatie zoveel
mogelijk te voorkomen. In de ‘Richtlijn conflicten in de werksituatie’ (NVAB, maart
2019) staat beschreven dat er bij een arbeidsconflict gebruik wordt gemaakt van ‘stepped
care’, waarbij de ernst van het conflict en impact van het conflict op beide partijen
leidend is voor de keuze van de interventie. In de richtlijn worden handreikingen
gedaan aan artsen die bedrijfsgeneeskundige begeleiding verzorgen, waarbij aan de
hand van (als uitgangspunt) contact met werkgever en werknemer, hun conflictstijlen
en de mate van escalatie kan worden vastgesteld welke interventie het meest passend
is. Mediation onder leiding van een externe mediator is in het scala van interventies
een zwaar middel, dat in beginsel alleen wordt ingezet als er bij beide partijen nog
vertrouwen is in een goede afloop of als een van beide partijen een (extreem) vermijdende
of forcerende stijl heeft. Uit het dossier blijkt niet dat de arts gericht heeft doorgevraagd
op deze punten; uit zijn verslag in het dossier blijkt dat hij een aantal aannames
heeft gedaan zonder deze expliciet te toetsen. Het zou beter zijn geweest als hij
dat wel zou hebben gedaan, maar het college acht dit onder de omstandigheden van dit
geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, om twee redenen. Ten eerste heeft de superviserend
bedrijfsarts de arts bevoegd en bekwaam geacht om zelfstandig op te treden en te adviseren
bij arbeidsconflicten. Ten tweede had klaagster tijdens het gesprek van 17 december
2021 aangegeven dat zij zich totaal niet serieus genomen voelde door haar districtsmanager
en dat zij de vakbond had ingeschakeld. Daaruit heeft de arts kunnen en mogen afleiden
dat zij geen vertrouwen had in haar werkgever. Op grond daarvan is het navolgbaar
dat de arts de werkrelatie benoemde en vond dat daaraan iets gedaan moest worden.
Klaagster was in het gesprek bovendien erg gespannen en emotioneel. De arts heeft
hierover genoteerd dat het gesprek daardoor moeizaam verliep en dat door de defensieve
houding van klaagster het ook voor hem moeilijk was om open en eerlijk met haar in
gesprek te gaan. Op grond daarvan kon de arts redelijkerwijs concluderen dat het gesprek
tussen klaagster en haar werkgever het beste door een goed opgeleide onafhankelijke
gespreksleider kon worden begeleid.
6.8 Ook deze klachtonderdelen zijn niet gegrond.
Klachtonderdeel c) geen medewerking second opinion?
6.9 Wat de klacht over de second opinion betreft, stelt het college voorop dat uit artikel 14, tweede lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet de plicht volgt om een verzoek van de werknemer om een second opinion te honoreren, tenzij zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten. Deze plicht is uitgewerkt in artikel 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit en verder ingevuld in het ‘10-Stappenplan Second Opinion, versie juni 2019’ van de NVAB. Volgens klaagster heeft zij op 24 december 2021 aan haar verzuimcoach verteld dat zij een second opinion wilde. Hij zou daarover met de arts overleggen. Op 28 december 2021 heeft de verzuimcoach volgens klaagster aan haar meegedeeld dat de arts geen medewerking wilde verlenen aan een second opinion en dat zij zo snel mogelijk aan het werk moest in haar eigen functie. Daarop heeft klaagster de arbodienst een e-mail gestuurd, waarop een medewerker haar op 31 december 2021 heeft gebeld met een consultvoorstel bij de arts, maar klaagster wenste niet meer bij de arts op consult te komen. Na een e-mail van de vakbond belde de arbodienst klaagster op met de mededeling dat het wel mogelijk was een second opinion aan te vragen, maar dan enkel op hun voorwaarden, aldus nog steeds klaagster. De arts heeft naar voren gebracht dat hij pas op 30 december 2021 van het verzoek op de hoogte kwam en dat hij daarna direct stappen heeft ondernomen om de second opinion in gang te zetten: het was zijn bedoeling om in een consult op 17 januari 2022 met klaagster de vraagstelling voor de second opinion te bespreken. Hij was er op dat moment niet van op de hoogte dat klaagster hem niet meer wilde zien. Gezien de dag waarop het verzoek om een second opinion voor de eerste keer is gedaan (24 december 2021) is het niet vreemd dat dit de bedrijfsarts vanwege de kerstperiode eerst op 30 december heeft bereikt. Verder is onwaarschijnlijk dat de arts tegen de verzuimcoach zou hebben gezegd dat klaagster weer zo snel mogelijk aan het werk moest, gelet op zijn advies aan de werkgever om de komende weken nog niet te starten met hervatting van het werk, om zo de ruimte te geven voor de mediation en voor herstel (zie onder 3.3). De arts stelde een afspraak over acht weken voor; dat zou neerkomen op werkhervatting per medio februari. Verder is de arts niet verantwoordelijk voor mededelingen van de verzuimcoach of van de arbodienst. Feit is voorts dat de second opinion daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is niet voldoende aannemelijk geworden dat de arts op enig moment niet zou hebben meegewerkt aan het aanvragen van een second opinion. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel e, g) voor 17 december 2021 met andere medewerkers gesproken en medewerkers geïnstrueerd klaagster lastig te vallen?
6.10 Wat deze klachtonderdelen betreft, geldt als norm dat het niet de bedoeling is dat de situatie van een werkneemster door een (bedrijfs)arts met anderen wordt besproken. Het college heeft, anders dan klaagster meent, echter geen aanwijzingen dat de arts dit heeft gedaan. Ook kan het college niet vaststellen dat hij medewerkers geïnstrueerd zou hebben om klaagster lastig te vallen. Voor beide verwijten heeft klaagster onvoldoende onderbouwing gegeven, terwijl het bovendien door de arts is betwist. De klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel h) geen overleg supervisor?
6.11 Zoals onder 6.2 is overwogen mag een arts de taken van een bedrijfsarts uitvoeren, mits hij onder supervisie van een bedrijfsarts staat. Ook in dit geval was sprake van supervisie; het college heeft kennis kunnen nemen van de daartoe opgemaakte samenwerkingsovereenkomst. Desgevraagd heeft de arts voorts uitleg gegeven over hoe die supervisie vorm had gekregen en wat de status quo was ten tijde van het gesprek met klaagster op 17 december 2021. De arts heeft verteld dat hij op dat moment bevoegd en bekwaam was bevonden om zelfstandig gesprekken te voeren en werknemers te adviseren, ook als er mogelijk een conflict speelde of de situatie anderszins wat problematischer leek. Continu overleg met de supervisor was niet langer nodig. Nu het college verder geen van de hiervoor genoemde klachtonderdelen gegrond acht, is ook niet meer van belang of de arts voldoende overleg heeft gevoerd met zijn supervisor over de situatie van klaagster: daaruit volgt al dat hij heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening. Uiteraard zou overleg met de supervisor tijdens of kort na het consult van 17 december 2021 geen kwaad hebben gekund. Hoewel de lezingen uiteenlopen, is het geen punt van geschil dat het gesprek op die datum moeizaam verliep en dat klaagster duidelijk een andere visie had op haar mogelijkheden tot re-integratie. De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van zieke werknemers bij wie mogelijk ook een arbeidsconflict speelt behoort tot de moeilijkste taken van (bedrijfs)artsen. In dergelijke situaties kan, ook als een arts bevoegd en bekwaam is, overleg met een ervaren(er) collega evengoed bijdragen aan een juiste oordeelsvorming. Dat de arts daarvan in dit geval geen gebruik heeft gemaakt, is echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Voor het klachtonderdeel betekent het dat dit ongegrond is.
Klachtonderdeel k) schending privacy?
6.12 Klaagsters laatste klachtonderdeel heeft betrekking op de schending van haar
privacy, nu blijkens het overgelegde logboek veel mensen in haar dossier zouden hebben
gekeken. Het is uiteraard niet de bedoeling dat daartoe niet bevoegde medewerkers
medische dossiers kunnen inzien. Het college heeft in dit geval echter ook niet kunnen
vaststellen dat dit met het dossier van klaagster is gebeurd. De gemachtigde van de
arts heeft in de e-mail van 16 juni 2022 uitleg gegeven over de werking van de systemen
en de onmogelijkheid voor niet-medici om medische gegevens in te zien. Die uitleg
vindt het college helder, afdoende en navolgbaar. Op grond daarvan kan het college
de door klaagster aan de (beperkte) overgelegde loggegevens verbonden conclusies niet
voor juist houden, nog afgezien van de omstandigheid dat de arts niet persoonlijk
verantwoordelijk zou zijn als dit anders was.
Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Conclusie
6.13 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is. Dat betekent
dat het college aan het verzoek van klaagster om een kostenveroordeling ten laste
van de arts niet toekomt.
7. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, R.P. Wijne, lid-jurist,
P. Eken, J. Dogger en R.P. van Straaten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A.E.
Veeren, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2022.
secretaris
voorzitter