ECLI:NL:TGZRAMS:2022:154 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam D2021/3430
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:154 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-11-2022 |
| Datum publicatie: | 01-11-2022 |
| Zaaknummer(s): | D2021/3430 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster klaagt over de haar moeder, onder andere met betrekking tot een val, in een verzorgingstehuis. De verpleegkundige is bij de val niet betrokken geweest. Wat betreft de behandeling is de verpleegkundige ofwel niet betrokken geweest ofwel heeft zij geen beslissende rol gehad. Klacht is kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 1 november 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C, verpleegkundige, werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. M.H.M. Mook, werkzaam te Leusden.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift en aanvullend klaagschrift, ontvangen op 20 september 2021;
- het verweerschrift met bijlagen;
- brieven van het college aan klaagster van 12 april 2022 en 17 juni 2022.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden
gehoord.
1.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld.
2. De feiten
2.1 Klaagster is gedurende langere tijd de mantelzorger van haar moeder, wijlen
E, (hierna:
patiënte) geweest. Patiënte werd op 91-jarige leeftijd vanwege een delier bij een
urineweginfectie/retentieblaas in het ziekenhuis opgenomen. In september 2020 werd
zij voor een
psychogeriatrische screening (dementie) overgeplaatst naar F, locatie G, (hierna:
de instelling).
Bij haar opname had patiënte diverse bijkomende lichamelijke klachten. Patiënte is
daar in oktober
2020 overleden.
2.2 Patiënte werd bij het opnamegesprek in de instelling begeleid door een van haar
dochters
(niet klaagster) en een schoonzoon. Deze dochter werd voor de instelling de eerste
contactpersoon.
2.3 Beklaagde werkt sinds 2005 bij de instelling.
2.4 Op de opnamedag (in september 2020) is patiënte in de avond uit de rolstoel
gevallen. Een
verzorgende had haar op de grond aangetroffen waarna zij, samen met een collega, patiënte
naar bed
heeft geholpen.
2.5 In september 2020 heeft klaagster een verzorgende verteld dat zij ervan was
geschrokken dat
patiënte zo achteruit was gegaan en gevraagd of zij zou opknappen van een infuus met
vloeistof. De
verzorgende heeft genoteerd waar klaagster zich zorgen over maakte en ze heeft voor
patiënte een
artsenvisite op de volgende dag geregeld. In september 2020 is in het dossier aangetekend
(citaat
inclusief eventuele tikfouten): “Infuus lijkt nu niet noodzakelijk; geen tekenen van
uitdroging” en
“Veredr moet pt voldoende drinken.”.
2.6 De behandelend arts heeft in september 2020 met de eerste contactpersoon van
patiënte, zijnde
de zus van klaagster, over de verslechterende broze gezondheidstoestand van patiënte
gesproken.
Over dit gesprek is onder meer genoteerd: “Gezien achteruitgang onder huidige behandeling
lijkt dit
een medisch zinloze behandeling en wij besluiten daarom ook de antibiotica te staken.
Ik heb
dochter uitgelegd dat patiënte nog vele andere medicamenten gebruikt die levensverlengend
werken.
In overleg wordt beleid aangepast naar een comfortbeleid, verlengen van het leven
is ongewenst. In
overleg wordt alle (potentieel) levensverlengende medicatie gestopt. Comfort medicatie
blijft
behouden.” Vanaf dat moment is bij patiënte geen insuline meer
toegediend.
3. De klacht
Klaagster verwijt de beklaagde zakelijk weergegeven dat:
• patiënte in september 2020 bij de instelling in een voor haar ongeschikte rolstoel
is geplaatst
waar zij vervolgens uit is gevallen, waardoor zij verwondingen heeft opgelopen;
• bij patiënte geen infuus werd aangebracht om haar vocht toe te dienen en
• patiënte geen insuline werd toegediend.
4. Het standpunt van beklaagde
De beklaagde heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klaagster. Hieronder
wordt op
het verweer ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 In artikel 65, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) staat wie een tuchtzaak kan aanspannen. Dit kan door een schriftelijke klacht
van – onder meer – een rechtstreeks belanghebbende (art. 65, eerste lid, onder a),
zoals de patiënt zelf.
Na het overlijden van de patiënt kunnen de nabestaanden klachtgerechtigd zijn, maar
alleen als
ervan uitgegaan kan worden dat het indienen van de klacht ook de wil van de overleden
patiënt was.
De hoofdregel is dat wanneer een nabestaande een klacht indient, wordt uitgegaan van
klachtgerechtigdheid, behalve als er bijzondere omstandigheden zijn die op het tegendeel
wijzen. De
tuchtrechter hoeft in een zaak waarin een naaste betrekking van een overleden patiënt
een klacht
indient, niet ambtshalve te onderzoeken of deze de wil van de overleden patiënt
vertegenwoordigt.
5.2 In dit geval heeft een van de dochters van patiënte de klacht ingediend. Weliswaar
was zij
voor de instelling niet de eerste contactpersoon, maar zij was wel als familielid
in enige mate bij
haar moeder en de aan haar moeder verleende zorg betrokken. Er zijn geen bijzondere
omstandigheden
die op het tegendeel wijzen. Het college is dan ook van oordeel dat klaagster in haar
klacht kan
worden ontvangen.
5.3 Eerste klachtonderdeel: val uit rolstoel
Klaagster heeft aangevoerd dat patiënte in de avond in september 2020 is gevallen
omdat zij in een
ondeugdelijke rolstoel was gezet. Het college merkt op dat uit het dossier niet blijkt
dat
beklaagde hierbij betrokken was.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.4 Tweede klachtonderdeel: geen infuus aangebracht
Uit het dossier blijkt dat patiënte regelmatig is gestimuleerd om te drinken en dat
is overwogen
een infuus aan te brengen. Daartoe is niet overgegaan omdat er geen tekenen van uitdroging
waren.
Afgezien daarvan, heeft het college in het dossier geen specifieke betrokkenheid van
beklaagde
hierbij gezien.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.5 Derde klachtonderdeel: geen insuline toegediend
Uit het dossier blijkt dat de bloedsuikerwaarden van patiënte tijdens haar opname
in de instelling
fors schommelden en er is een aantal maal een (zeer) hoge bloedsuikerwaarde bij haar
geconstateerd.
Gedurende twee dagen zijn er dagcurves gedaan. Het aantal toegediende eenheden insuline
is de
eerste dagen aan de geconstateerde waarden aangepast. Door de sterk verslechterende
gezondheidssituatie van patiënte is in september 2020 de beslissing genomen de toediening
van
insuline als zinloos medisch handelen te staken, evenals de andere (potentieel) levensverlengende
medicatie. Dit is met de eerste contactpersoon van patiënte besproken. Uit het dossier
blijkt niet
dat beklaagde hier enige (beslissende) rol in heeft gehad. Dat geldt zowel voor het
nemen van die
beslissing als de uitvoering daarvan. Beklaagde kan hiervan dan ook geen persoonlijk
tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.6 Om bovenstaande redenen zal de klacht kennelijk ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam beslist als volgt:
verklaart de
klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 1 november 2022 door I.K. Spros, voorzitter, P.M. de
Keuning, lid-
jurist, W.M.E. Bil, I.M. Bonte en W.J. van der Meer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door Y.M.C.
Bouman, secretaris.