ECLI:NL:TGZRAMS:2022:15 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3203

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:15
Datum uitspraak: 18-01-2022
Datum publicatie: 03-02-2022
Zaaknummer(s): A2021/3203
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: De broer van klaagster is plotseling overleden. Klaagsters verwijten de huisarts van hun broer, verweerster, dat zij onvoldoende met een beroep op haar geheimhoudingsplicht, onvoldoende begrip heeft getoond voor de drie zussen van de overledene. De zussen hadden graag meer informatie gehad over de schouw en hadden van verweerster graag antwoord gehad op (algemene) vragen over het laten uitvoeren van een obductie. Verweerster heeft verweer gevoerd. Het college oordeelt dat klaagsters ontvankelijk zijn in hun klacht. De klacht is verder kennelijk ongegrond ongegrond. Het dossier bevat volgens het college geen aanknopingspunten dat verweerster onvoldoende begrip heeft getoond voor en onvoldoende is ingegaan op de vragen en zorgen van klaagsters.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing naar aanleiding van de op 23 juni 2021 binnengekomen klacht van:

A en B,
hierna ook genoemd (respectievelijk) klaagster 1 en klaagster 2, en gezamenlijk genoemd klaagsters,

tegen

C,
huisarts,
werkzaam te D,
verweerster,
gemachtigde: mr. M.C. Hoogendam, advocaat te Leusden.

1. De procedure
1.1 Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen van A (klaagster 1);
- de brief van B (klaagster 2) van 4 oktober 2021 waarin zij mededeelt zich ook als klaagster te stellen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 2 november 2021 gehouden mondeling vooronderzoek.

1.2 De klacht is in raadkamer behandeld.

2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Op 25 mei 2021 is de heer E (hierna: de overledene), de broer van klaagsters, dood aangetroffen in zijn woning. Zowel politie als ambulance zijn ter plaatse gekomen en er is reanimatie uitgevoerd. Vervolgens heeft een andere arts dan verweerster de schouw verricht en daarbij een natuurlijke dood vastgesteld.

2.2. Verweerster heeft op 26 mei 2021 contact opgenomen met de contactpersoon, de dochter van de overledene. Zij heeft de contactpersoon gevraagd of zij een obductie wenste, het antwoord was afwijzend.

2.3. Op 27 mei 2021 heeft klaagster 1 contact gezocht met verweerster, met vragen over het overlijden en een mogelijke obductie. Verweerster heeft haar verteld dat zij geen informatie kon verstrekken en heeft haar verwezen naar de contactpersoon.

2.4. Naar aanleiding van het gesprek met klaagster 1 heeft verweerster nogmaals gesproken met de contactpersoon, die desgevraagd herhaalde dat zij geen obductie wenste. De contactpersoon vroeg verder aan verweerster om klaagster 1 geen informatie te verstrekken over (het overlijden van) haar vader, de overledene.

2.5. Naar aanleiding van het gesprek met klaagster 1 en de mededeling van de politie dat klaagster 1 aangifte had gedaan, heeft verweerster juridisch advies ingewonnen bij de VvAA en het KNMG. Het juridisch advies hield in dat (alleen) de contactpersoon als eerstegraads familielid al dan niet kon vragen om, dan wel toestemming kon geven voor obductie. Als klaagster 1 obductie wenst, moet zij zich daarvoor wenden tot de politie.


2.6. Verweerster heeft daarop nogmaals gesproken met de contactpersoon, die bij haar keuze bleef. Verweerster heeft daarop klaagster 1 weer gesproken en haar overeenkomstig genoemd juridisch advies geïnformeerd.

2.7. In het journaal zijn bovengenoemde activiteiten vastgelegd.

2.8. Op 31 mei 2021 heeft klaagster 1 een voorwaardelijke klacht ingediend bij de praktijk van verweerster. Verweerster heeft klaagster 1 gebeld en heeft haar nogmaals de regels uitgelegd. In een e-mail van 4 augustus 2021 heeft verweerster klaagster 1 nogmaals de gang van zaken en de regels (en nu schriftelijk) uiteengezet.

2.9. Op 23 juni 2021 heeft klaagster 1 de onderhavige klacht ingediend, bij brief van 4 oktober 2021 heeft haar zuster zich gesteld als mede-klaagster.

3. De klacht en het standpunt van klaagsters
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat klaagsters verweerster verwijten dat zij:
1. ook met in acht neming van de op haar rustende plicht tot geheimhouding, onvoldoende begrip heeft getoond naar de drie zussen van de overledene;
2. ondanks dat klaagsters vertelden dat zij de belangen van de overledene behartigden, geen informatie heeft verstrekt over de schouw;
3. geen antwoord heeft gegeven op meer algemene vragen, zoals die over de kenbaarheid van vergiftiging voor een schouwarts, en het laten uitvoeren van een obductie.


4. Het standpunt van verweerster
Verweerster beroept zich primair op de niet-ontvankelijkheid van klaagsters omdat zij weliswaar nabestaanden zijn van de overledene maar niet klachtgerechtigde zijn (in de zin van art. 65 lid 1 van de Wet BIG) omdat zij niet geacht worden de wil van de overledene te vertegenwoordigen.
Subsidiair heeft verweerster de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling
Ontvankelijkheid
5.1. Verweerster voert primair aan dat klaagsters als niet-contactpersoon de wil van de overledene niet kunnen vertegenwoordigen, zodat zij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun klacht.

5.2. Verweerster stelt terecht dat klaagsters de wil van de overledene niet kunnen vertegenwoordigen, en in daarmee gerelateerde klachten (zoals het niet regelen van een obductie) niet-ontvankelijk zijn. Echter, verweerster miskent dat de klacht niet is ingebracht namens de overledene, maar ziet op de bejegening door verweersters van klaagsters – meer in het bijzonder het verwijt dat verweerster niet heeft geluisterd naar klaagsters en hun vragen niet heeft beantwoord. Het college ziet geen aanleiding om klaagsters niet te ontvangen in deze klacht.

Inhoudelijk
5.3. Nu klaagsters ontvankelijk zijn in hun klacht, komt het college toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

5.4. Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klagers klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

5.5. Samengevat komt de klacht erop neer dat verweerster onvoldoende heeft geluisterd naar klaagsters, en specifieke maar ook meer algemene vragen niet of onvoldoende heeft beantwoord. Het college ziet aanleiding, omdat ze een zodanige onderlinge samenhang hebben, de verschillende klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen.

5.6. Het college heeft er begrip voor dat klaagsters, mede vanwege hun geregelde contacten met hun broer, zich zeer betrokken voelen bij zijn overlijden en vragen hebben over de omstandigheden waaronder dat is gebeurd. Echter, verweerster kon vanwege de op haar rustende geheimhoudingsplicht slechts in zeer beperkte mate ingaan op de bij klaagsters levende vragen. Immers, klaagsters zijn niet de contactpersoon, maar dat is hun nichtje (de dochter van de overledene) en verweerster heeft met deze contactpersoon meermalen gesproken over de bij klaagsters bestaande zorgen.


5.7. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de klacht dat verweerster onvoldoende begrip heeft getoond voor, en onvoldoende is gegaan op de vragen en zorgen van klaagsters. Veeleer kan uit de overgelegde stukken zoals de aantekeningen in het journaal en de e-mail van 4 augustus 2021 (als bijlage gevoegd bij het verweerschrift) worden opgemaakt dat zij de zorgen van klaagsters wel degelijk serieus heeft genomen en voldoende begrip heeft getoond. Zij heeft ook, binnen bovenomschreven beperkingen, de vragen zo veel als mogelijk beantwoord en ook voorgelegd aan de contactpersoon. Verweerster heeft daarbij - gezien het door haar ingewonnen juridisch advies - ook de noodzakelijke zorgvuldigheid betracht.


5.8. Dit alles neemt weliswaar de zorgen en de twijfel bij klaagsters niet weg, maar dat kan verweerster niet worden verweten. Het is aan klaagsters om daarover (desgewenst) in contact te treden met de contactpersoon, hun nichtje. En zo nodig kunnen klaagsters hun vermoedens ook voorleggen aan de justitiële autoriteiten en vragen om een strafrechtelijk onderzoek. Uit de onder 2.5 beschreven mededeling van de politie hebben klaagsters, zo begrijpt het college, deze route ook bewandeld. Een tuchtklacht is in dezen niet de aangewezen weg, en kan geen doel treffen.

5.9. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Aldus beslist op 18 januari 2022 door:
A.M. van Amsterdam, voorzitter,
A. Wewerinke en D.E. de Jong, leden-huisarts,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.