ECLI:NL:TGZRAMS:2022:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022-4094
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:148 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-11-2022 |
| Datum publicatie: | 01-11-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2022-4094 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. De POH van de huisarts heeft na het beëindigen van klagers behandelovereenkomst telefonisch contact gezocht met de voormalig huisarts van klager. De POH heeft volgens klager tijdens dit contact haar ongenoegen over klager hebben geuit. De huisarts wist van tevoren niet van dit contact tussen de POH en de voormalig huisarts af. Klager vindt dat de huisarts voor het handelen van de POH verantwoordelijk is. Bij gebrek aan objectieve bronnen kan het college niet vaststellen dat de POH haar ongenoegen over klager zou hebben geuit tegenover zijn voormalig huisarts. Haar telefoontje is in lijn met het beleid en in overeenstemming met de richtlijn ‘Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’. Klacht ongegrond verklaard. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 1 november 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de huisarts.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 14 maart 2022;
- het verweerschrift;
- het proces-verbaal van het op 19 juli 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 september 2022. Partijen zijn verschenen. Alle aanwezigen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
2.1 Klager was sinds oktober 2020 patiënt bij de huisarts. De praktijkondersteuner
(POH) van de huisarts heeft na het beëindigen van de behandelovereenkomst in maart
2021 telefonisch contact gezocht met zijn voormalig huisarts. De POH zou tijdens dit
contact haar ongenoegen over klager hebben geuit. De huisarts wist tevoren niet van
dit contact van de POH met de voormalig huisarts.
2.2 Het college komt tot de conclusie dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat hierna toe.
3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 Klager heeft eerder klachten tegen de huisarts respectievelijk de POH ingediend
waarover door het college is beslist in oktober 2021 (zaaknummer D2021/2453) en in
maart 2022 (zaaknummer D2021/3652). Het college heeft ambtshalve van deze beslissingen
kennisgenomen.
3.2 Uit de beslissing met zaaknummer D2021/2453 van oktober 2021 blijkt dat de huisarts in oktober 2020 na bemiddeling door de ziektekostenverzekeraar klager en zijn gezin in zijn praktijk heeft ingeschreven, ondanks dat zijn praktijk niet in hun woonomgeving was gevestigd. Uit deze beslissing blijkt voorts wat betreft klachtonderdeel 3 over het handelen van de POH (schending beroepsgeheim) dat het college geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven, omdat de POH een BIG-geregistreerd verpleegkundige leek te zijn. Uit de beslissing met zaaknummer D2021/3652 van maart 2022 blijkt dat de POH van de huisarts (toch) niet BIG-geregistreerd is. De klacht tegen de POH is toen niet ontvankelijk verklaard.
3.3 Uit de beslissing met zaaknummer D2021/2453 blijkt verder dat klager in februari 2021 twee keer in het ziekenhuis is opgenomen geweest in verband met Covid pneumonitis en verergering van hoestbuien met kortdurend zuurstofbehoefte. Gedurende deze opname werden bij klager hoge glucosewaarden van 19.2 geconstateerd met hoge HbA1c. In de ontslagbrief staan instructies voor thuismedicatie (insuline Novorapid en NaCl-vernevelvloeistof) vermeld. Klager kreeg bij zijn ontslag een Novorapid flexpen 100e/ml pen 3ml mee met instructie. Als beleid staat onder andere genoteerd: “- Ontslag naar huis met duidelijke instructies …….. - Gaarne uw controle van glucosewaarden bij DM de novo”
3.4 In maart 2021 was klager op consult bij de POH van de huisarts voor verdere begeleiding van zijn DM de novo (dat wil zeggen dat voor het eerst in de familie diabetes is vastgesteld). Dit consult verliep niet goed waarna klager en zijn echtgenote boos uit de praktijk zijn weggelopen en de behandelovereenkomst door de huisarts is opgezegd. Klager heeft in de zaak met nummer D2021/2453 (onder andere) over het opzeggen van de behandelovereenkomst door de huisarts geklaagd. Dit klachtonderdeel is door het college gegrond verklaard.
3.5 Na het consult in maart 2021 heeft de POH contact opgenomen met de voormalig huisarts van klager en met de apotheek. In april 2021 heeft de POH namens de huisarts een spoedverwijzing voor klager gemaakt naar de diabetes polikliniek met het verzoek de behandeling van klager over te nemen.
3.6 Klager heeft sinds mei 2021 een nieuwe huisarts.
4. Wat houdt de klacht in?
Volgens klager heeft de huisarts onjuist gehandeld, omdat de POH van de huisarts na
het beëindigen van de behandelovereenkomst in maart 2021 zonder toestemming van klager
contact heeft gezocht met zijn voormalig huisarts en daarbij haar ongenoegen over
klager zou hebben geuit.
5. Wat is het verweer?
De huisarts heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.
6. Wat zijn de overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
6.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
Dat is een zakelijke beoordeling. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk
handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener
geldende beroepsnormen en de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen. Dat
de huisarts wellicht beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners in beginsel
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
6.2 De huisarts heeft tijdens het vooronderzoek en ter zitting toegelicht dat zijn POH hem heeft verteld, dat zij de voormalig huisarts en de apotheek had gebeld omdat zij bang was dat klager niet de medische zorg zou krijgen die hij nodig had. Zij maakte zich met name zorgen over klager vanwege zijn DM de novo. De huisarts had bij de inschrijving van klager in zijn praktijk praktisch geen informatie ontvangen van de voormalig huisarts over de voorgeschiedenis van klager. De voormalig huisarts was ook in het telefoongesprek met de POH terughoudend met het verstrekken van informatie. De huisarts meldde te zijn bedreigd door klager.
6.3 De huisarts was niet vooraf op de hoogte van de telefoontjes van de POH naar de voormalig huisarts en de apotheek. Hij heeft later naar aanleiding van de klacht van klager met zijn POH besproken dat zij misschien een stap te ver was gegaan en namens het gehele team een excuusbrief en bloemen gestuurd aan klager.
6.4 Het college is van oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Bij gebrek aan objectieve bronnen kan het college niet vaststellen dat de POH haar ongenoegen over klager zou hebben geuit tegenover de voormalig huisarts. Haar telefoontje is in lijn met de in april 2021 door haar namens de huisarts gemaakte spoedverwijzing. Deze acties hadden ten doel de continuïteit van zorg voor klager te waarborgen. Dit is in overeenstemming met de KNMG-richtlijn “Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst”. Conclusie
6.5 De conclusie is dat de klacht ongegrond is.
7. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Dozy, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, D.E. de Jong, B. van Ek, V.M. Schijf, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.J.E. van Geijn, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2022.