ECLI:NL:TGZRAMS:2022:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3923

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:140
Datum uitspraak: 14-10-2022
Datum publicatie: 14-10-2022
Zaaknummer(s): A2022/3923
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een arts, destijds ANIOS heelkunde, kennelijk ongegrond. De arts heeft klager gezien op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis in verband met letsel aan zijn pink na een val op de hardloopband. Zakelijk samengevat is klager niet tevreden over de anamnese, de behandeling van zijn pink, waaronder de keuze geven voor een behandeling bij een plastisch chirurg en de staat waarin zijn pink nu is. Zijn klachten zijn een uitvloeisel hiervan. Het college is van oordeel dat het medisch dossier een adequate verslaglegging van de anamnese en het lichamelijk onderzoek weergeeft en het onderzoek als dusdanig goed is uitgevoerd. Het overleg met zijn supervisor en niet de plastisch chirurg was conform de afspraken die binnen het ziekenhuis gangbaar waren. Tenslotte heeft het college geoordeeld dat de arts adequaat heeft gehandeld middels het hechten van de wond en het aanbrengen van een spalk en het preventief antibiotica voorschrijven. Klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing van 14 oktober 2022 naar aanleiding van de klacht van:


A,
wonende te B,
klager,


tegen


C,
arts,
destijds werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. M.E.M. van Eeden, werkzaam te Utrecht.


1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 februari 2022;
- het verweerschrift;
- het proces-verbaal van het op 16 augustus 2022 gehouden mondeling vooronderzoek;
De klacht is in raadkamer behandeld.


2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
2.1 De arts heeft klager op 28 juli 2019 gezien op de spoedeisende eerste hulp (hierna: SEH) van het D in verband met letsel aan zijn pink na een val op een hardloopband. Klager is niet tevreden over de anamnese, de behandeling van zijn pink en de staat waarin zijn pink nu is.

2.2 Het college komt tot de conclusie dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en de klacht dus ongegrond is. Het college licht dat hierna toe.

3. Wat is er precies gebeurd?
3.1. Op 28 juli 2019 is klager gevallen op een hardloopband, waarna hij een wond had op dorsale zijde (‘rug’) van zijn linker pink. De arts heeft klager dezelfde dag gezien op de SEH. De arts was op dat moment ANIOS heelkunde. De arts heeft de pink onderzocht en een röntgenfoto laten maken, en heeft, voor zover hier van belang, het volgende in het medisch dossier genoteerd: “over de extensorzijde van dig 5 van MCP tot aan DIP een laceratie zichtbaar waarbij de extensorpees à vue is. Extensorpees niet gelaedeerd. Flexie en extensie MCP, PIP en DIP volledig. Volaire plaat en collaterale banden stabiel. (…) Beeldvorming: x-dig 5 links; geen afwijkingen. (…) In overleg met: E gehecht met ongeveer 8x ethilon 5-0 transcutaan. Over 10 dagen op traumapoli hechtingen verwijderen alu spalk ter rust voor weke delen. Augmentin per os 5 dagen.”


3.2. Op 7 augustus 2019 is de pink van klager gecontroleerd door een collega van de arts, die een aantal hechtingen heeft verwijderd. De wond was op dat moment rustig. Op 12 augustus 2019 is vanwege toename van pijn de pink opnieuw gecontroleerd door een collega van de arts. Klager kreeg weer antibiotica omdat de pink rood en wat meer gezwollen was. Na verschillende controles en handtherapie, waar de arts steeds niet bij betrokken was, is klager op 12 februari 2020 aan zijn pink geopereerd door een plastisch chirurg. Tijdens deze operatie bleek dat de ulnaire slip van de oppervlakkige buigpees kapot was.


3.3. Klager heeft een klacht ingediend bij de Raad van Bestuur van het D en het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de schade aan zijn pink. De verzekeraar van het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid afgewezen.

4. Wat houdt de klacht in?
Klager verwijt de arts dat hij
a) geen accurate anamnese heeft verricht op de SEH en geen doorgescheurde pees heeft vastgesteld;
b) geen contact heeft opgenomen met de poli plastische chirurgie (handchirurgie) van het D over hoe de ingreep en herstel moest worden uitgevoerd;
c) klager niet de keuze heeft gegeven zich te laten behandelen door een specialist plastische chirurgie;
d) geen adequate behandeling heeft gegeven voor het herstel van de pink, waardoor klager nog twee operaties heeft gehad om de functionaliteit van zijn pink te verbeteren;
e) dat klager niet meer met tien vingers kan typen vanwege de slechte ingreep en herstelplan.

5. Wat is het verweer?
De arts heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.

6. Wat zijn de overwegingen van het college?

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
6.1. De vraag is of arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen. Het uiteindelijk gevolg van het verweten handelen is daarbij niet van belang. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) Geen accurate anamnese gesteld en gescheurde pees niet vastgesteld

6.2. Het medisch dossier bevat een adequate verslaglegging van de anamnese en het lichamelijk onderzoek zoals dat in de dagelijkse praktijk van de SEH gebruikelijk is. Omdat de wond op de dorsale zijde (‘rug’) van de pink zat, het functieonderzoek normaal was en de röntgenfoto geen afwijkingen liet zien, kon de arts volgens het college volstaan met het onderzoek zoals hij dat heeft uitgevoerd. Als op dat moment al sprake was van letsel aan de oppervlakkige buigpees is het de arts niet te verwijten dat hij dat niet heeft gediagnostiseerd.Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel b) en c) Geen overleg met plastisch chirurg en geen keuze voor plastisch chirurg gegeven
6.3. De klachtonderdelen b) en c) lenen zich door hun samenhang voor gezamenlijke behandeling. De arts heeft aangevoerd dat het binnen het D de afspraak is dat buigpeesletsels van de hand door de afdeling plastische chirurgie worden behandeld en strekpeesletsels door chirurgie. Deze afspraak komt overeen met wat in andere ziekenhuizen beleid is. Omdat de wond op de dorsale kant van de pink van klager zat (de kant waar de strekpezen van de hand zitten) en het lichamelijk onderzoek geen aanleiding gaf om te vermoeden dat sprake was van peesletsel, heeft de arts conform deze afspraak gehandeld toen hij klager in overleg met zijn supervisor behandelde. Een reden om af te wijken van de geldende afspraak was er volgens het college niet. Dit alles maakt dat het de arts ook niet verweten kan worden dat hij klager niet de keuze heeft gegeven zich door een plastisch chirurg te laten behandelen. De klachtonderdelen b) en c) zijn dus ongegrond.

Klachtonderdelen d) en e) Geen adequate behandeling en beperking gebruik pink6.4. Ook de klachtonderdelen d) en e) lenen zich door hun samenhang voor gezamenlijke behandeling. De arts heeft aangevoerd dat hij in overleg met zijn supervisor de wond heeft gehecht en een spalk heeft aangebracht. De keuze voor de spalk was volgens de arts weloverwogen, omdat de wond zich aan de strekzijde van de pink bevond en het aannemelijk werd geacht dat de wond zonder spalk zou kunnen gaan wijken met negatieve gevolgen voor de wondgenezing. Daarbij heeft de arts aan klager preventief antibiotica voorgeschreven om infectie te voorkomen. Ook hier heeft de arts volgens het college gehandeld zoals van een redelijke bekwaam en redelijk handelend arts verwacht mag worden. Dat de wond later, na de eerste controle, ontstoken is geraakt valt de arts niet te verwijten. Zoals onder 6.1 al is opgemerkt is het uiteindelijk gevolg van het handelen waarover wordt geklaagd bij de tuchtrechtelijke toetsing niet van belang. Dat betekent dat de vraag of klager als gevolg van het handelen van de arts niet meer met tien vingers kan typen onbeantwoord kan blijven. De klachtonderdelen d) en e) zijn dan ook ongegrond.

Conclusie
6.5. De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.

6.6. De arts kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

7. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, W.F. van Tets, G.J.M. Akkersdijk en S.M. Schmidt-Rikama, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.G. Verkerk, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2022.