ECLI:NL:TGZRAMS:2022:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2254
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:136 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-10-2022 |
| Datum publicatie: | 18-10-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/2254 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster is eerder bij voorzittersbeslissing niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht over de behandeling van haar overleden tante. Het CTG heeft geoordeeld dat het RTG klaagster ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft de zaak voor inhoudelijke beoordeling terugverwezen naar het RTG Amsterdam.Volgens klaagster heeft de klinisch geriater onzorgvuldig gehandeld, omdat zij onterecht de diagnose dementie en/of Lewy Body dementie heeft gesteld, zonder fatsoenlijk onderzoek. Daarnaast heeft zij niet op deze diagnose terug willen komen toen klaagster daarom vroeg. De klinisch geriater heeft gemotiveerd verweer gevoerd.Het college oordeelt dat de klinisch geriater van de juistheid van de eerder gestelde diagnose dementie uit mocht gaan, er was geen aanleiding om aan de reeds gestelde diagnose te twijfelen. Klaagster had aangegeven dat ook de specialist ouderengeneeskunde (SO) in het verpleeghuis twijfelde aan de diagnose. Het college kan de handelwijze van de klinisch geriater, om de testen te laten herhalen en de SO met haar contact op te laten nemen, volgen. Hoewel de klinisch geriater zelf contact had kunnen opnemen met de SO, levert het feit dat zij dit niet heeft gedaan nog geen tuchtrechtelijke verwijtbaarheid op. Hierin speelt mee dat klaagster ook geen contact meer heeft opgenomen met de klinisch geriater over de eventueel opnieuw uitgevoerde testen. Hierdoor heeft de klinisch geriater ook niet de kans gehad om patiënte opnieuw te beoordelen. Het college concludeert dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 18 oktober 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
klinisch geriater,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de klinisch geriater,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes, werkzaam te Utrecht.
1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen in februari 2021;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brieven van de secretaris van maart en april 2021;
- de reactie van klaagster per e-mailberichten van maart en april 2021;
- de voorzittersbeslissing van het RTG Amsterdam van juni 2021;
- de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) van april 2022.
1.2 In de beslissing van het CTG van april 2022 is geoordeeld dat het RTG Amsterdam klaagster in de voorzittersbeslissing van juni 2021 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de klacht tegen de klinisch geriater. Het CTG heeft de zaak voor de inhoudelijke beoordeling terugverwezen naar het RTG Amsterdam. Het RTG Amsterdam heeft de zaak verder behandeld in de stand van de procedure waarin het zich ten tijde van het sluiten van het vooronderzoek bevond. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het aanvullend verweerschrift met bijlagen, ontvangen in juni 2022;
- aanvullende stukken van klaagster, ontvangen in juli 2022;
- het e-mailbericht van juli 2022 van mr. Nunes, met bijlagen;
- het proces-verbaal van in juli 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek met bijlage;
- de e-mail van klaagster met bijlagen, ontvangen in juli 2022;
- de brief van mr. Nunes met het medisch dossier, binnengekomen in augustus 2022.
1.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting in september 2022.
De partijen zijn verschenen. Klaagster werd vergezeld en bijgestaan door D, de klinisch geriater werd bijgestaan door haar gemachtigde. Alle aanwezigen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en de gemachtigde van de klinisch geriater hebben pleitnotities voorgelezen en deze aan het college en de andere partij overgelegd.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
2. Klaagster klaagt over de behandeling van haar overleden tante. Zij verwijt de klinisch
geriater dat zij onterecht de diagnose dementie bij haar tante heeft gesteld, zonder
fatsoenlijk onderzoek. Ook verwijt zij de klinisch geriater dat zij niet op de onterechte
diagnose terug heeft willen komen. Door de foute diagnose heeft haar tante jarenlang
op de verkeerde afdeling in het verpleeghuis gezeten en hierdoor heeft zij geleden.
3. Het college komt tot de conclusie dat de klinisch geriater niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat hierna toe.
3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 Klaagster is het nichtje van haar in 2021 overleden tante (geboren in 1927, hierna: patiënte). Patiënte is in 2008 door de huisarts naar de afdeling geriatrie van E (hierna: het ziekenhuis) verwezen voor een cognitieve screening. In januari 2009 is na neurologisch onderzoek de diagnose mild cognitive impairment Reisberg 3 gesteld.
3.2 De klinisch geriater is werkzaam in het ziekenhuis. In januari 2010 vond het
eerste consult van patiënte bij haar plaats. De klinisch geriater kwam op grond van haar bevindingen tot de conclusie mild cognitive impairment, Reisberg 3, waarbij zij nog geen aanwijzingen voor progressie naar dementie vond.
3.3 In juni 2012 heeft een arts-assistent geriatrie onder supervisie van een collega
van de klinisch geriater patiënte onderzocht. In de brief aan de huisarts van juli 2012 staat onder meer geschreven:
‘Bespreking:
1. Parkinsonistische verschijnselen: differentiaal diagnostisch wordt er vanwege de blik parese gedacht aan een PSP. Gezien de hallucinaties van patiënte zou er ook sprake kunnen zijn van een Lewy Body. (…)
2. Dementieel beeld: mogelijk op basis van een Parkinson dementie dan wel een Lewy Body dementie.’
3.4 Patiënte is van juli 2012 tot en met augustus 2012 vanwege dyskinesieën
(onwillekeurige en overmatige bewegingen) en gedragsproblematiek opgenomen geweest in het ziekenhuis. Een collega van de klinisch geriater stelde op basis van neurologisch (cognitief) onderzoek vast dat sprake was van toenemende geheugenklachten en van een verslechtering ten opzichte van eerder onderzoek in december 2008. De collega concludeerde dat sprake was van dementie, meest waarschijnlijk passend bij een Lewy Body dementie. Differentiaal diagnostisch kon er gedacht worden aan de ziekte van Alzheimer.
3.5 In oktober 2012 vond poliklinisch bezoek bij de klinisch geriater plaats naar
aanleiding van een controle na opname in juli-augustus 2012. Klaagster was mee. Tijdens dat consult ging het voornamelijk over het gewicht van patiënte, waar het op dat moment goed mee ging. Een op dat moment afgesproken echo-onderzoek is op een later moment afgezegd vanwege gebrek aan noodzaak.
3.6 Tijdens een controle in februari 2013 bij een collega van de klinisch geriater ging
het goed met patiënte.
3.7 In februari 2013 spraken klaagster en de klinisch geriater elkaar telefonisch.
Tijdens dit telefoongesprek meldde klaagster dat patiënte zou worden overgeplaatst naar een gesloten afdeling van het verpleeghuis. Hierop gaf de klinisch geriater aan dat zij de noodzaak daar niet van inzag en dat het verpleeghuis bij vragen contact met haar kon opnemen.
3.8 In november 2013 deed de klinisch geriater verslag van een telefonisch consult met klaagster:
‘TC nicht (…):
Twijfelt aan diagnose. Zit nu op gesloten afdeling van verpleeghuis (…), hoort daar
volgens nicht niet thuis. Is zwakbegaafd (simpel geboren). Houdt zelfde gedrag.
Nav gesprek VPH-arts die ook vindt dat zij niet dement is. Zou volgens nicht reële
hallucinaties gehad hebben. (…)
Advies: MMSE herhalen in verpleeghuis, eerder 13. Overleg verpleeghuisarts met mij.’
3.9 Na dit telefoongesprek heeft de klinisch geriater klaagster en patiënte niet meer
terug gezien en is zij niet meer bij de behandeling van patiënte betrokken geweest.
3.10 In augustus is patiënte nog wel opgenomen geweest op
de afdeling geriatrie van het ziekenhuis in verband met misselijkheid en buikklachten. Tijdens deze opnameperiode is patiënte gezien door een collega van de klinisch geriater, die rapporteert dat er geen aanleiding werd gezien om de diagnose dementie te weerleggen.
4. Wat houdt de klacht in?
Volgens klaagster heeft de klinisch geriater onzorgvuldig gehandeld, omdat zij onterecht
de diagnose dementie en/of Lewy Body dementie heeft gesteld, zonder dat zij hier fatsoenlijk
onderzoek naar heeft gedaan. Daarnaast heeft zij niet op deze diagnose terug willen
komen toen klaagster daarom vroeg.
5. Wat is het verweer?
De klinisch geriater heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.
6. Wat zijn de overwegingen van het college?
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
6.1 De vraag is of de klinisch geriater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De maatstaf daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende klinisch geriater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) de diagnose dementie/Lewy Body dementie
6.2 Klaagster vindt dat de klinisch geriater ten onrechte de diagnose dementie heeft gesteld. De klinisch geriater heeft uitgelegd dat zij de diagnose niet zelf heeft gesteld, maar dat deze diagnose door een collega van haar is gesteld. Door deze collega is in de etiologische differentiaaldiagnose het Lewy Body-type meegenomen. De klinisch geriater is in daaropvolgende consulten van de juistheid van de door haar collega gestelde diagnose uitgegaan en zag zelf in het klinisch beeld van patiënte geen aanwijzingen om aan de juistheid van de diagnose te twijfelen. Ook tijdens latere opnames – waar de klinisch geriater niet zelf bij betrokken is geweest, maar haar collega’s – waren de bevindingen dusdanig dat de diagnose dementie, mogelijk van het type Lewy Body, is blijven staan, zo voert zij aan.
6.3 Het college is van oordeel dat de klinisch geriater van de juistheid van de eerder
gestelde diagnose dementie uit mocht gaan. Niet alleen is de diagnose op de juiste
gronden gesteld door een collega van de klinisch geriater, ook was er in de periode
dat de klinisch geriater met patiënte een behandelrelatie had, geen aanleiding om
te denken dat de diagnose niet klopte. De klinisch geriater mocht vertrouwen op deze
door een bekwame collega gestelde diagnose. De bevindingen die de klinisch geriater
en haar collega’s hadden, kunnen de diagnose dementie allemaal staven. Het onderzoek
daartoe was dan ook voldoende. Aanvullend had nog een CT- of MRI-scan van de hersenen
gemaakt kunnen worden, maar daartoe bestond geen medische noodzaak. Het college oordeelt
dan ook dat er voor de klinisch geriater geen aanleiding was om aan de reeds gestelde
diagnose te twijfelen of hiernaar zelf nader onderzoek te doen. Dit klachtonderdeel
is ongegrond.
Klachtonderdeel b) het bijstellen van de diagnose
6.4 Klaagster stelt verder dat de klinisch geriater heeft geweigerd op verzoek van klaagster de diagnose bij te stellen. Klaagster doelt hierbij op een telefoongesprek tussen haar en de klinisch geriater, waarin klaagster aangaf dat niet alleen zij, maar ook de specialist ouderengeneeskunde in het verpleeghuis waar patiënte verbleef twijfelde aan de diagnose. Klaagster betwist overigens dat dit gesprek in november 2013 heeft plaatsgevonden, in tegenstelling tot hetgeen in het medisch dossier van patiënte vermeld staat. De klinisch geriater heeft hierop uiteengezet dat zij klaagster wel degelijk heeft gesproken in november 2013 en dat zij, zoals zij in het medisch dossier heeft genoteerd, aan klaagster heeft geadviseerd om met de specialist ouderengeneeskunde in het verpleeghuis te overleggen over de optie om nieuwe testen te laten afnemen. Ook stelde zij voor aan klaagster om de specialist ouderengeneeskunde contact met haar op te laten nemen. Doordat zowel klaagster als de specialist ouderengeneeskunde geen contact (meer) met de klinisch geriater hebben opgenomen, heeft zij ook niet de kans gekregen om patiënte opnieuw te zien, aldus de klinisch geriater.
6.5 Het college gaat er bij de beoordeling van uit dat het telefoongesprek tussen klaagster en de klinisch geriater wel in november 2013 heeft plaatsgevonden en gaat daarbij dus uit van hetgeen in het medisch dossier staat beschreven. Hieraan ligt ten grondslag dat dit zo in het – papieren – medisch dossier staat genoteerd en dat onvoldoende aannemelijk is dat wat in het dossier vermeld staat een onjuiste weergave is. Hoewel klaagster geen actieve herinnering meer heeft aan het telefoongesprek, heeft zij ook niet overtuigend kunnen betwisten dat dit gesprek in november 2013 heeft plaatsgevonden. Dát er een gesprek heeft plaatsgevonden, wordt overigens niet betwist.
6.6 Het college kan de handelwijze van de klinisch geriater, om de testen te laten
herhalen en de specialist ouderengeneeskunde met haar contact op te laten nemen, volgen.
Hoewel de klinisch geriater zelf contact had kunnen opnemen met de specialist ouderengeneeskunde,
levert het feit dat zij dit niet heeft gedaan nog geen tuchtrechtelijke verwijtbaarheid
op. Hierin speelt mee dat er na dit telefoongesprek ook van de zijde van klaagster
geen contact meer is opgenomen met de klinisch geriater over de eventueel opnieuw
uitgevoerde testen of over het contact met de specialist ouderengeneeskunde van het
verpleeghuis, waardoor de klinisch geriater ook niet de kans heeft gehad om patiënte
opnieuw te kunnen beoordelen. Dit alles maakt dat ook dit klachtonderdeel ongegrond
is.
Conclusie
6.7 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is.
7. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door M.M. van ’t Nedereind, voorzitter, E.B. Schaafsma-van
Campen, lid-jurist, A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven, A.H. van Pagee en J.A. Carpay, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door T.C. Brand, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober
2022.
secretaris voorzitter