ECLI:NL:TGZRAMS:2022:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2021/3755
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:133 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-10-2022 |
| Datum publicatie: | 04-10-2022 |
| Zaaknummer(s): | 2021/3755 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster is enkele keren in de praktijk bij de arts geweest en is niet tevreden over diens behandelingen. Zij verwijt de arts dat hij a) zegt behandelingen te hebben verricht die hij in werkelijkheid niet heeft verricht; b) geen behandelplan heeft opgesteld; c) haar onheus heeft bejegend en d) geen medisch dossier heeft bijgehouden. De arts heeft de klacht ten aanzien van de punten a, b en d (gedeeltelijk) bestreden. De arts heeft ten aanzien van klachtonderdeel c erkend dat hij in zijn emotie te ver is gegaan met zijn toon in de e-mails en het verweer. Het college heeft de klacht op zitting behandeld. Het college beslist dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Het college legt aan de arts de maatregel van berisping op en acht het verder van belang dat de beslissing ter publicatie wordt aangeboden. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 4 oktober 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
arts,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam te Amsterdam.
1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 december 2021;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 7 maart 2022;
- de mail van de arts, binnengekomen op 23 maart 2022;
- het proces-verbaal van het op 2 mei 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de brief van 7 juni 2022, binnengekomen op 9 juni 2022, van de gemachtigde van de
arts, met bijlage;
- de e-mail van klaagster van 14 juni 2022;
- de brief van 13 juli 2022, binnengekomen op 14 juli 2022, van de gemachtigde van
de arts, met bijlagen;
- de brief van 22 augustus 2022 van de gemachtigde van de arts, met bijlage.
1.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 23 augustus 2022.
De partijen zijn verschenen. De arts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Alle aanwezigen
hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
2.1 Klaagster is enkele keren in de praktijk bij de arts geweest en zij is niet tevreden
over diens behandelingen. Ook zou de arts geen medisch dossier hebben bijgehouden
en klaagster onheus hebben bejegend.
2.2 Het college komt tot de conclusie dat de klacht gegrond is. Het college licht
dat hierna toe.
3. Wat houdt de klacht in?
Klaagster verwijt de arts dat hij
a) zegt behandelingen te hebben verricht die hij in werkelijkheid niet heeft verricht;
b) geen behandelplan heeft opgesteld;
c) klaagster onheus heeft bejegend;
d) geen medisch dossier heeft bijgehouden.
4. Wat is het verweer?
De arts heeft de klacht ten aanzien van de punten a, b en d (gedeeltelijk) bestreden.
De arts heeft ten aanzien van klachtonderdeel c erkend dat hij in zijn emotie te ver
is gegaan met zijn toon in de e-mails en het verweer.
Het verweer wordt ten aanzien van alle klachtonderdelen voor zover nodig hierna verder
besproken.
5. Wat zijn de overwegingen van het college?
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en de stand
van de wetenschap ten tijde van het handelen. Klachtonderdelen a), b) en d)
5.2 Het college beoordeelt de klachtonderdelen a), b) en d) gezamenlijk nu zij nauw met elkaar samenhangen. Klaagster heeft de arts een aantal keer bezocht in verband met haar behoefte om EFT (Emotional Freedom Technique) te leren. De arts heeft klaagster echter niet de door haar gewenste vaardigheid geleerd, maar haar behandeld, zo stelt klaagster. EFT heeft daarbij in totaal maar 15 minuten plaatsgevonden, terwijl er meerdere bezoekmomenten van klaagster aan de praktijk waren. Daarbij is tussen klaagster en de arts in geschil hoeveel keer klaagster bij de arts is geweest en wat de aard en inhoud van de bezoeken was. Volgens klaagster heeft de door de arts op de nota vermelde acupunctuur niet plaatsgevonden, wel zijn infraroodbehandelingen verricht. Een behandelplan was er niet en de arts heeft geen medisch dossier bijgehouden.
5.3 De arts heeft aangevoerd dat hij klaagster wel degelijk behandeld heeft met EFT en ook acupunctuur verricht heeft in de vorm van infraroodbehandelingen. De arts verwijst in het geschil over de momenten dat klaagster bij hem was en de aard en inhoud van die bezoeken naar het door hem genoteerde in het medisch dossier. Hetgeen door hem met de hand genoteerd is, is volgens hem een correcte weergave van de inhoud van de bezoeken van klaagster aan zijn praktijk. De arts heeft tijdens het mondeling vooronderzoek en ter zitting aangegeven dat het medisch dossier een stuk duidelijker had kunnen zijn.
5.4 Het college stelt vast dat waar de arts spreekt over het medisch dossier, hij
doelt op hetgeen in fotokopie is meegezonden met het verweerschrift, zijnde 2 handgeschreven
stukken papier die moeilijk zijn te ontcijferen. Daarnaast is een getypte transcriptie
van deze aantekeningen toegezonden, die gevolgd is, daags voor de zitting, door een
(beperktere) letterlijke vertaling van hetgeen door de arts was genoteerd.
5.5 Ingevolge artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek is de arts verplicht om een dossier in te richten met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Daarin dient hij onder meer aantekening te houden van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is. Goede, toegankelijke en begrijpelijke verslaglegging in het medisch dossier is van groot belang; niet alleen voor de kwaliteit en continuïteit van de zorgverlening en begeleiding, maar ook vanwege de verantwoording en toetsbaarheid van het handelen van de desbetreffende hulpverlener.
5.6 Het college stelt vast dat de verslaglegging door de arts in deze tekortschiet; het medisch dossier voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Op basis van de enkele door de arts gemaakte korte en slecht leesbare aantekeningen wordt geen helderheid gegeven over de preciese momenten en de aard en de inhoud van de contacten die hebben plaatsgevonden tussen klaagster en de arts. Ook de afspraken over de behandelingen en de wijze waarop deze op de nota zouden worden vermeld, ontbreken; de arts heeft ter zitting aangegeven dat hij telefonische contacten over de nota’s met klaagster niet in het medisch dossier heeft opgenomen omdat deze voor hem vanzelfsprekend waren. Het is de verantwoordelijkheid van de arts om in een medisch dossier zijn verrichtingen vast te leggen, immers: zorgvuldig dossierbeheer is van belang voor een goede hulpverlening. Nu een goede en toegankelijke verslaglegging grotendeels ontbreekt en niet zonder meer duidelijk wordt wat de arts heeft bedoeld met hetgeen hij wel heeft opgeschreven, kan het college niet vaststellen wat er gebeurd is in de contacten/behandelingen (en op basis van welke gegevens) en of de arts dus de zorg heeft verleend die van hem als een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mocht worden verlangd. Dat de arts niet aan zijn dossierplicht heeft voldaan kan hem tuchtrechtelijk worden aangerekend.
5.7 Dat naast het ontbreken van een adequaat medisch dossier geen behandelplan/overeenkomst is opgesteld, is naar het oordeel van het college vast komen te staan. Waar de arts in de eerste -uitgebreidere- transcriptie van zijn aantekeningen nog heeft opgenomen dat een 4-tal sessies nodig waren, staat in de letterlijke transcriptie niets opgenomen over behandelplan en duur. De arts heeft op zitting ook geen helderheid kunnen geven of hij klaagster heeft geïnformeerd over het aantal behandelingen. Dat een behandelplan niet bestond, leidt het college voorts af uit de reactie van de arts in zijn verweerschrift: “Een behandelovereenkomst: daar heeft in 40 jaar nog niemand naar gevraagd. Wat zou dat haar hebben opgeleverd?“
Het college is gelet op het voorgaande van oordeel dat de klachtonderdelen a), b)
en d) slagen.
5.8 Klachtonderdeel c)
Klaagster vindt tenslotte dat zij in de mailwisseling, de telefoongesprekken en het
verweerschrift onheus is bejegend door de arts. De door de arts gebruikte toon en
woorden in de mailwisseling en het verweer zijn bij klaagster hard aangekomen. De
arts heeft dit zelf ook erkend en heeft daarover gezegd dat hij in zijn emotie te
ver is gegaan.
Het college is van oordeel dat de bejegening van de arts ten opzichte van klaagster
in mailwisselingen over de nota en in het door hem ingediende verweerschrift met teksten
als “en jouw gedrag is schandelijk” en “Bah” en “ga je met iedereen zo om?” en “Ze
moet gewoon de hele rekening betalen nu !” ongepast is geweest. Van een professioneel
zorgverlener mag verwacht worden dat hij bij onduidelijkheid of ontevredenheid zonder
emoties uitleg geeft.
Het college is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat ook klachtonderdeel
c) slaagt.
Conclusie
5.9 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. De arts heeft
niet gehandeld zoals van hem mocht worden verwacht. Hij heeft aldus gehandeld in strijd
met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg aan klaagster had moeten geven. Hierbij past het opleggen van na te
noemen maatregel.
De maatregel
5.10 De arts worden meerdere tuchtrechtelijke verwijten gemaakt die -op zichzelf genomen
maar ook in onderling verband bezien- naar het oordeel van het college ernstig zijn.
Het college heeft gelet op hetgeen aan de orde is geweest zorgen over de praktijkvoering
van de arts. Zo kon de arts desgevraagd weinig concreet aangeven hoe hij in de toekomst
de verslaglegging in het medisch dossier zou verbeteren en op welke termijn en hoe
hij een volgende keer zou voorkomen dat hij in zijn emotie te ver gaat.
Het college stelt daarnaast vast dat dit de eerste klacht is tegen de arts die voorgelegd
is aan een tuchtcollege. Ook heeft de arts ter zitting erkend dat zijn bejegening
ongepast was en het medisch dossier duidelijker had gekund en heeft hij daarvoor zijn
excuses aangeboden aan klaagster.
Alles afwegende is het college van oordeel dat thans nog kan worden volstaan met de
maatregel van berisping.
5.11 Het college acht het verder van belang dat de beslissing bekend wordt gemaakt
zoals hieronder staat vermeld onder 6.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht op alle onderdelen gegrond;
- legt de arts de maatregel op van berisping;
- bepaalt voorts dat deze beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse
Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan
het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, L.G.
Jak en M.H. van de Merwe, leden-vertrouwensartsen en I. Boekhout, lid-huisarts, bijgestaan
door S. Verdaasdonk, secretaris.