ECLI:NL:TGZRAMS:2022:132 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3912
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:132 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-10-2022 |
| Datum publicatie: | 04-10-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2022/3912 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagsters hebben een melding gedaan over een vermoeden van seksueel misbruik van hun zoon. Veilig Thuis heeft onderzoek gedaan en een rapport uitgebracht. De arts, werkzaam als vertrouwensarts bij Veilig Thuis, heeft aan dit rapport meegewerkt. De conclusie luidde dat Veilig Thuis geen feiten heeft kunnen vaststellen welke zouden kunnen wijzen op dan wel aantonen dat er sprake zou zijn van seksueel misbruik. Klaagsters zijn het hier niet mee eens en verwijten de arts dat zij onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Klaagsters verwijten de arts met name dat er niets is gedaan met foto's van de zoon en aanvullende informatie van klaagsters, onvoldoende overleg is gevoerd met de hulpverlening en de adviezen om de zoon door te verwijzen niet zijn opgevolgd, de zoon ten onrechte niet is onderworpen aan een studioverhoor en dat zij niet bevoegd en bekwaam is ten aanzien van het diagnosticeren van seksueel misbruik. De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het college heeft de klacht op een zitting behandeld. Het college concludeert dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is en verklaart de klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 10 februari 2022 binnengekomen klacht van:
A,
B,
beiden wonende te C,
k l a a g s t e r s,
gemachtigde: mr. N.C. van Steijn, advocaat te Leiden,
tegen
D,
arts,
werkzaam te C,
v e r w e e r s t e r, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.
1. De procedure
1.1 Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 februari 2022;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 mei 2022;
- de brieven van 26 april 2022 en 5 mei 2022 van de gemachtigde van de arts;
- de op 22 juli 2022 ontvangen aanvullende bijlagen bij het klaagschrift.
1.2 De klacht is behandeld op de openbare zitting van 23 augustus 2022.
Partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen. Zij hebben hun standpunten
mondeling toegelicht.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
2.1 Verweerster is vertrouwensarts bij E. Naar aanleiding van een melding van Jeugdbe-scherming
over een vermoeden van seksueel misbruik van de zoon van klaagsters (F, gebo-ren in
2015) heeft E onderzoek gedaan en een rapport uitgebracht. Hieraan heeft de arts meegewerkt.
De conclusie was dat E geen feiten heeft kunnen vaststellen welke zouden kun-nen wijzen
op dan wel aantonen dat er sprake zou zijn van seksueel misbruik. Klaagsters zijn
het hier niet mee eens en verwijten de arts dat zij onvoldoende onderzoek heeft gedaan.
2.2 Het college komt tot de conclusie dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld en licht dat hierna toe.
3. Wat houdt de klacht in?
Klaagsters verwijten de arts dat:
1. er drie verschillende versies van het rapport zijn en niets is gedaan met de informa-tie
die klaagsters begin september 2021 naar E hebben gestuurd, waaronder een tijdlijn
van de gedragingen en uitlatingen van F;
2. onvoldoende onderzoek is verricht naar indicaties van seksueel misbruik;
3. de stelling dat mogelijk sprake is van een loyaliteitsconflict, niet is onderbouwd;
4. niets is gedaan met een foto van februari 2020 van een snee op de penis van F en
twee foto’s van mei respectievelijk september 2020 waarop blauwe plekken op F’s lichaam
zijn te zien;
5. onvoldoende overleg is gevoerd met de hulpverlening en de adviezen om F door te
verwijzen (ongemotiveerd) niet zijn opgevolgd;
6. F ten onrechte niet is onderworpen aan een studioverhoor; en
7. zij niet bevoegd en bekwaam is ten aanzien van het diagnosticeren van seksueel
misbruik en het daarmee gepaard gaande gedrag bij kinderen.
4. Wat is het verweer?
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zo-ver nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. Wat zijn de overwegingen van het college?
Overwegingen vooraf
5.1 Ten aanzien van de vraag in hoeverre de arts verantwoordelijk kan worden gehouden
voor het onderzoek naar vermeend seksueel misbruik van F en het daaruit voortvloeiende
rapport, heeft zij aangevoerd dat het onderzoek multidisciplinair is uitgevoerd: naast
de arts hebben twee dossierhouders/onderzoekers en twee gedragswetenschappers aan
het rapport gewerkt. Van een gezagsverhouding was daarbij geen sprake. In dit verband
hebben beide partijen gewezen op een beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor
de Gezondheidszorg (CTG) van 11 april 2019 (C2018.243), ECLI:NL:TGZCTG:2019:98. Daarin
heeft het CTG overwogen dat indien een arts handelingen in een multidisciplinair(e)
setting of team uit-voert, die arts tuchtrechtelijk aan te spreken is op handelingen
die individueel aan die arts kunnen worden toegerekend. De arts heeft daarmee een
eigen tuchtrechtelijke verantwoor-delijkheid met betrekking tot het onderzoek en het
opstellen van de rapportage en haar han-delen kan worden getoetst aan de tuchtnormen
die zijn opgenomen in artikel 47 lid 1 Wet BIG. Het college onderschrijft deze overweging,
die een uitvloeisel is van de persoonlijke verwijtbaarheid die het uitgangspunt van
het tuchtrecht vormt. Ter zitting heeft de arts aan-gegeven dat het rapport wordt
gedragen door alle leden van het team. Zij is weliswaar niet betrokken geweest bij
de vorm van de rapportage en heeft alleen de teksten geschreven die gaan over de handelingen
die zij heeft verricht, maar zij acht zich wel volledig verantwoorde-lijk voor de
inhoud van het gehele rapport. Het college neemt deze verantwoordelijkheid van de
arts als uitgangspunt van zijn beoordeling.
5.2 Het college staat vervolgens voor de vraag of verweerster de zorg heeft verleend
die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk
handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener
geldende beroepsnormen en de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen.
Eerste klachtonderdeel
5.3 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel constateert het college dat er van
het rapport drie verschillende versies in omloop zijn, die alle drie gedateerd zijn
op 31 augustus 2021. De arts heeft ter verklaring van de verschillende versies aangevoerd
dat aan Jeugdbe-scherming het meest uitgebreide rapport is verstrekt, terwijl aan
klaagsters en aan de va-ders van F weer andere versies zijn verstrekt waarin, in verband
met de privacy, bepaalde onderdelen niet zijn opgenomen. Naar het oordeel van het
college is deze wijze van rappor-teren in deze context niet ongebruikelijk of onzorgvuldig
en derhalve niet tuchtrechtelijk ver-wijtbaar. Wel was het beter geweest als een en
ander duidelijk in de afzonderlijke rapporta-ges was vermeld; dat had verwarring kunnen
voorkomen.
5.4 Met betrekking tot het verwijt dat niets zou zijn gedaan met de na 31 augustus 2021 door klaagsters aangeleverde informatie en reacties, waaronder de tijdlijn van gedragingen van F, heeft de arts aangevoerd dat op 31 augustus 2021 de rapporten zijn aangemaakt en dat hieraan nadien nog is verder gewerkt. Het computersysteem vermeldt echter de datum van aanmaak van het document, niet die van aanvulling of verzending. De daadwerkelijke verzending heeft plaatsgevonden op 16 september 2021. De door klaagsters aangeleverde informatie is volgens de arts besproken met de leden van het team en is in het rapport ver-werkt. Dit blijkt ook uit het rapport, nu daarin nadrukkelijk wordt verwezen naar de aangele-verde tijdlijn en de opmerkingen en reacties van klaagsters. Naar het oordeel van het college is daarmee voldoende duidelijk geworden waarom de rapporten zijn gedateerd 31 augustus 2021 en wat er is gedaan met de nadien aangeleverde informatie en reacties. Van schending van het inzagerecht en/of van het beginsel van hoor en wederhoor, zoals klaagsters hebben gesteld, is volgens het college geen sprake. Wel begrijpt het college de verwarring die de da-tering bij klaagsters heeft opgeroepen. Deze verwarring had eenvoudig kunnen worden voor-komen. Het college ziet hierin echter geen tuchtrechtelijk verwijt. Het eerste klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Tweede, vijfde en zesde klachtonderdeel
5.5 In het tweede, vijfde en zesde klachtonderdeel, die het college tezamen behandelt,
stellen klaagsters dat onvoldoende onderzoek is verricht naar indicaties van seksueel
mis-bruik. Er zou ook onvoldoende overleg zijn gevoerd met de hulpverlening, adviezen
om F door te verwijzen zouden (ongemotiveerd) niet zijn opgevolgd en F zou ten onrechte
niet zijn onderworpen aan een studioverhoor. Het college volgt klaagsters in deze
verwijten niet.
Ter zitting heeft de arts toegelicht dat het onderzoek is uitgevoerd met inachtneming
van het Handelingsprotocol Veilig Thuis 2019 en de toepasselijke richtlijnen van de
Vereniging Ver-trouwensartsen (VVAK). Er is blijkens de beschikbare stukken kennisgenomen
van de infor-matie verkregen van Jeugdbescherming, meerdere gesprekken zijn gevoerd
met zowel de moeders als de vaders (waarbij ook huisbezoeken zijn verricht) en relevante
informanten zijn geraadpleegd, met name de basisschool, de huisarts, de G, het H en
I. Anders dan klaag-sters stellen is tijdens een huisbezoek ook tweemaal (kort) met
F gesproken. Daarnaast is aanvullende informatie geraadpleegd, waaronder de later
aangeleverde stukken; daartoe be-hoort ook de in 5.4 genoemde tijdlijn. Verder is
overleg gevoerd met de zedenpolitie en met de afdeling sociale pediatrie van het J.
De bevindingen zijn besproken tijdens een viertal multidisciplinaire overleggen (MDO’s).
In een uitvoerig rapport wordt verslag gedaan van werkwijze, bevindingen, overwegingen
en conclusies. Naar het oordeel van het college is de arts in haar individuele handelingen,
maar ook als teamlid, voldoende vakkundig en zorgvul-dig te werk gegaan en heeft zij,
met haar teamleden, tot de conclusie kunnen komen dat er geen feiten zijn vastgesteld
die zouden kunnen wijzen op dan wel aantonen dat er sprake zou zijn van seksueel misbruik.
Meer in het bijzonder kan het college de arts volgen in haar stelling dat het raadplegen
van andere deskundigen (al dan niet hulpverleners) en informan-ten niet meer informatie
zou hebben opgeleverd. De beslissing om met F geen kindgesprek, zoals bedoeld in het
genoemde Handelingsprotocol, te voeren is, zo stelt de arts, ingegeven door de zorg
voor F. Bovendien was sprake van langdurige beïnvloeding van F en was daarom niet
te verwachten dat hij over het vermeende seksuele misbruik nog betrouwbare informatie
zou geven. Deze beslissing acht het college verdedigbaar.
Ten aanzien van het verwijt dat geen studioverhoor heeft plaatsgevonden, overweegt
het college dat over het afnemen van een dergelijk verhoor door de zedenpolitie wordt
beslist en niet door de arts en/of het team van E. Hiervan kan de arts dan ook geen
tuchtrechtelijk ver-wijt worden gemaakt.
Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen twee, vijf en zes ongegrond zijn.
Derde klachtonderdeel
5.6 Ten aanzien van het verwijt dat de stelling in het rapport dat mogelijk sprake
is van een loyaliteitsconflict, niet is onderbouwd, overweegt het college het volgende.
Het onder-zoek van het team van E was gericht op de vraag of bij F mogelijk sprake
was van seksueel misbruik. Deze vraag is ontkennend beantwoord. Vervolgens heeft het
team, waar de arts deel van uit maakte, zich afgevraagd of er mogelijk andere verklaringen
voor het gedrag van F zouden zijn en in dat kader is de mogelijkheid van een loyaliteitsconflict
geopperd. Deze suggestie is naar het oordeel van het college afdoende toegelicht in
het rapport en hoefde, gelet op de vraagstelling, niet nader te worden onderzocht
of uitgewerkt. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Vierde klachtonderdeel
5.7 Ten aanzien van de foto van de snee op de penis van F van februari 2020 en de
twee foto’s van de blauwe plekken op zijn lichaam van mei en september 2020 heeft
de arts gesteld dat zij deze heeft gezien, beoordeeld en besproken. De snee op de
penis is destijds ge-zien en beoordeeld door de huisarts en door deze niet zorgelijk
bevonden. Gelet hierop kan naar het oordeel van het college de arts niet worden verweten
dat zij aan deze foto’s is voor-bijgegaan. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Zevende klachtonderdeel
5.8 Het zevende en laatste klachtonderdeel houdt in dat de arts niet bevoegd en be-kwaam
is ten aanzien van het diagnosticeren van seksueel misbruik en het daarmee gepaard
gaande gedrag bij kinderen. Het college overweegt dat in het onderhavige geval de
conclusie dat E geen feiten kon vaststellen welke zouden wijzen op dan wel aantonen
dat er sprake zou zijn van seksueel misbruik, is getrokken door het multidisciplinair
samengestelde team van E waarvan de arts deel uitmaakte. Vanuit medische optiek heeft
de arts haar bijdrage aan het onderzoek geleverd. Dat zij daarbij buiten haar deskundigheidsgebied
is getreden, zoals klaagsters stellen, ziet het college niet in. Ook het zevende en
laatste klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Conclusie
5.9 Alles bijeengenomen luidt de conclusie dat verweerster met betrekking tot de klacht
geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele
ge-zondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht is in al haar onderdelen ongegrond.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, L.G.
Jak en M.H. van de Merwe, leden-vertrouwensartsen, en I. Boekhout, lid-huisarts, bijgestaan
door S. Verdaasdonk, secretaris.