ECLI:NL:TGZRAMS:2022:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4082
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:130 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-10-2022 |
| Datum publicatie: | 04-10-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2022/4082 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de huisarts van haar overleden moeder. Zij verwijt de huisarts dat hij in de periode voor het overlijden heeft nagelaten adequaat onderzoek te doen naar de voortdurende pijnklachten van patiënte, tweemaal een onheuse en onterechte opmerking heeft gemaakt en geen empathische houding jegens patiënte heeft betoond, en dat hij de gezondheidsklachten en signalen van ondervoeding/lichamelijke achteruitgang niet heeft opgemerkt en heeft nagelaten een labonderzoek te doen. De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het college heeft de klacht in raadkamer beoordeeld en concludeert dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 4 oktober 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de arts
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 22 maart 2022;
- het verweerschrift met de bijlagen.
1.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
1.3 Het college heeft de klacht op 23 augustus 2022 op basis van de stukken beoordeeld.
2. Waar gaat de zaak over?
Klaagster is de oudste dochter van wijlen E, geboren in 1947 (hierna: patiënte). Patiënte
is in augustus 2020 overleden. Klaagster heeft deze klacht namens patiënte ingediend.
Zij meent dat de arts patiënte in de periode van 2017 tot de datum van overlijden
onvoldoende zorgvuldig heeft behandeld en haar onheus heeft bejegend.
3. Wat houdt de klacht in?
Klaagster verwijt de arts dat hij:
1) heeft nagelaten adequaat onderzoek te doen naar de voortdurende pijnklachten van
patiënte;
A2022/4082
2
2) tweemaal een onheuse en onterechte opmerking heeft gemaakt;
3) geen empathische houding jegens patiënte heeft betoond;
4) gezondheidsklachten en signalen van ondervoeding en lichamelijke achteruitgang
die konden duiden op een kaliumtekort niet heeft opgemerkt en heeft nagelaten in mei
2020 een labonderzoek te laten doen.
4. Wat is het verweer?
De arts heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder
besproken.
5. Wat zijn de overwegingen van het college?
5.1 Beoordeeld dient te worden of de arts bij zijn beroepsmatig handelen is gebleven
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
5.2 Het college komt tot de conclusie dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Het college licht dat hierna per klachtonderdeel toe. Daarbij gaat
het college uit van het volgende.
5.3 Verweerder is huisarts, werkzaam in een huisartsenpraktijk te D. Ook is hij huisarts bij zorgcentrum F te D. Patiënte is sinds eind april 2015 ingeschreven bij verweerders praktijk.
5.4 Begin 2017 werd patiënte acuut opgenomen in het ziekenhuis. Onderzoek wees uit dat sprake was van carotisstenose waarvoor patiënte een carotisdesobstructie kreeg. De differentiaaldiagnose luidde TIA/CVA.
5.5 Op 27 november 2017 werd patiënte opnieuw acuut opgenomen op de afdeling neurologie van G. Daar werd een thalamusbloeding links geconstateerd. Vanaf februari 2018 revalideerde patiënte in H. Op 21 maart 2018 viel patiënte daar en werd zij verwezen naar G. Er werd een mediale collumfractuur geconstateerd en neurologische klachten, waarschijnlijk als gevolg van een ischemie dan wel een epileptisch insult. Patiënte werd op 21 maart 2018 geopereerd en kreeg een heupprothese. Bij de postoperatief gemaakte röntgenfoto bleek dat de kop van de kophalsprothese te groot was. Desondanks werd besloten niet te heropereren.
5.6 Op 28 maart 2018 ging patiënte met ontslag naar verpleeghuis I in J. Daarvandaan is zij in juli 2018 overgeplaatst naar zorgcentrum F.
De arts heeft haar daar voor het eerst in augustus 2018 bezocht.
5.7 Klaagster heeft bij mail van 1 november 2018 de zorg geïnformeerd over pijnklachten
van patiënte in de heup.
5.8 Op 6 november 2018 bezocht de arts patiënte omdat zij meer pijn in haar rechterlies
voelde tijdens het lopen. De arts heeft na lichamelijk onderzoek een röntgenfoto van
de heup laten maken. Uit de foto van 12 november 2018 bleek geen luxatie of een andere
afwijking. Deze uitslag is met klaagster besproken.
5.9 Op 20 november 2018 heeft de arts patiënte bezocht om te zien hoe het met haar ging. Patiënte vertelde onder meer dat de pijn zich uitbreidde naar haar rechterbil, bovenbeen en rechterhak. De arts heeft toen een consultatie bij de specialist ouderen geneeskunde (SOG) aangevraagd.
5.10 De SOG heeft patiënte op 4 december 2018 gezien en vermoedde een prikkeling van L3. De SOG adviseerde een consult bij de neuroloog en een verwijzing naar de GGZ in verband met somberheid en verminderde levenslust.
5.11 Op 11 april 2019 werd patiënte gezien door de neuroloog. Hij vond geen aanwijzingen voor radiculopathie en adviseerde terugverwijzing naar de orthopeed voor beoordeling van de heup.
5.12 Op 25 april 2019 trof de verzorging patiënte op de grond aan; vermoedelijk was zij gevallen. Zij werd per ambulance naar G gebracht waar een recidief thalamusbloeding werd geconstateerd. Ook werd een röntgenfoto van de heup gemaakt in verband met forse pijnklachten. Daarop werd een subluxatie van de kophalsprothese geconstateerd. Op 7 mei 2019 kreeg patiënte een femoraalblok en op 8 mei 2019 vond een heroperatie van de geluxeerde heup plaats.
5.13 Op 16 juli 2020 is patiënte opnieuw gevallen en naar K gebracht. Daar bleek dat sprake was van een recidief CVA. Op 6 augustus 2020 is zij overgebracht naar verpleeghuis L. Daar ontwikkelde zij na drie dagen koorts en tachypneu en is zij op verdenking van een aspiratiepneumonie naar het ziekenhuis gebracht. Zij kreeg Augmentin en is teruggebracht naar het verpleeghuis. Daar is zij in augustus 2020 overleden.
Klachtonderdeel 1
5.14 Klaagster geeft aan dat patiënte na de heupoperatie in 2018 diverse keren bij
haar kinderen, de zorg en de arts heeft aangegeven dat zij pijnklachten in de heup
had en dat er iets niet goed zat. Op de door klaagster gevraagde nieuwe scans van
de heup is de arts niet ingegaan. Pas na een mail van 1 november 2018 met het verzoek
om een afspraak met de arts vanwege toenemende pijn, heeft de arts een visite bij
patiënte afgelegd en heeft hij een consult bij een SOG gevraagd, aldus klaagster.
Het college stelt vast dat de arts in augustus 2018 bij patiënte is geweest. Toen
had patiënte weinig pijn. In het dossier staat verder dat op 5 oktober 2018 patiënte
weinig pijn aangaf. Uit het dossier blijkt niet dat patiënte of klaagster eerder dan
november 2018 pijnklachten van patiënte bij de arts heeft aangegeven. Naar aanleiding
van het verzoek van 1 november 2018 heeft de arts een huisbezoek bij patiënte afgelegd
en een röntgenfoto aangevraagd, waaruit bleek dat geen sprake was van luxatie of een
andere afwijking. Ook heeft hij een SOG om een consult gevraagd en diens advies om
patiënte door te verwijzen naar een neuroloog opgevolgd. Naar het oordeel van het
college heeft de arts hiermee adequaat gereageerd op de toegenomen pijnklachten van
patiënte. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen 2 en 3
5.15 Klaagster geeft aan dat de arts in augustus 2018 tegen patiënte heeft gezegd
dat het nooit meer goed komt met haar been. In juni 2020 zou hij tegen haar hebben
gezegd dat het nooit meer goed zou komen met haar hoofd. Deze opmerkingen hebben patiënte
zeer geraakt. De arts heeft zich volgens klaagster niet empathisch gedragen tegen
patiënte, die kwetsbaar was en zich niet serieus genomen voelde.
De arts bestrijdt stellig dat hij zich onheus tegen patiënte heeft uitgelaten; hij
heeft zich betrokken en zorgvuldig getoond in de communicatie met haar en met haar
familie.
Het college overweegt dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt wat er precies
door de arts tegen patiënte is gezegd. De door klaagster verwoorde opmerkingen zijn
niet in de verslagen terug te lezen. Over het gesprek in augustus 2018 staat vermeld
dat de arts met patiënte heeft gesproken over haar afnemende zelfstandigheid en de
emotionele problemen. Over het gesprek in juni 2020 is, onder meer, genoteerd dat
patiënte erg emotioneel is en aangeeft dat het leven voor haar geen zin meer heeft.
De arts heeft dit met klaagster besproken. De arts heeft naast deze twee gesprekken
regelmatig contact met patiënte gehad en gereageerd op haar klachten. Het college
ziet geen tekortschietende betrokkenheid of gebrek aan empathie. Dat neemt niet weg
dat patiënte zich geraakt kan hebben gevoeld door de gesprekken met de arts over haar
afnemende gezondheid en zelfstandigheid en de toenemende mentale problematiek waarvan,
zoals uit het dossier blijkt, al langer sprake was.
Ook deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 4
5.16 Klaagster meent dat de achteruitgaande gezondheid van patiënte en haar toenemende
gevoel van onwelzijn mede te wijten zijn aan ondervoeding. Klaagster heeft meerdere
malen gevraagd om een bloedonderzoek vanwege alarmerende symptomen maar de arts heeft
hierop niet gereageerd. Hij had haar dagelijkse medicatie kunnen beoordelen om zo
de bijwerkingen hiervan te onderscheiden van de op zichzelf staande klachten. Pas
in juni 2020 heeft de arts een bloedonderzoek bij patiënte laten doen. De arts zei
dat daaruit geen kaliumtekort bleek. Na de derde CVA op 16 juli 2020 is in het ziekenhuis
een bloedonderzoek gedaan waar een ernstig kaliumtekort uit naar voren kwam, aldus
klaagster.
De arts geeft aan dat bekend was dat de gezondheid van patiënte achteruitging en zij een slechte eetlust had. Na de door klaagster geuite zorg over het slechte eten van patiënte heeft hij op 30 juni 2020 een bloedonderzoek laten doen.
Hierbij werden geen afwijkingen geconstateerd, ook niet in het kalium- en natriumgehalte. In de specialistenbrief na de laatste opname van patiënte in juli 2020 staan ook normale kalium- en natriumwaarden vermeld. Overigens is de afnemende gezondheid in de laatste maanden van het leven van patiënte niet te verklaren door een kaliumtekort, aldus de arts.
Het college maakt uit het dossier op dat er tussen begin mei en half juli 2020 veelvuldig
contact met patiënte is geweest over uiteenlopende klachten. In het dossier staat
bij het bloedonderzoek van 30 juni 2020 “gb” vermeld. Een exacte kaliumwaarde ontbreekt.
Het bloedonderzoek in het ziekenhuis na de opname van patiënte in juli 2020 vermeldt
een kaliumgehalte van 4,3, derhalve geen tekort. Het college stelt vast dat voor het
door klaagster vermoedde kaliumtekort geen aanwijzingen te vinden zijn. Het verwijt
dat de arts signalen die hierop wijzen niet heeft opgemerkt en heeft nagelaten eerder
een labonderzoek te doen, kan daarom niet slagen. Dit klachtonderdeel is kennelijk
ongegrond.
Conclusie
5.17 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, L.G.
Jak en M.H. van de Merwe, leden-vertrouwensartsen, en I. Boekhout, lid-huisarts, bijgestaan
door S. Verdaasdonk, secretaris.