ECLI:NL:TGZRAMS:2022:129 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3738
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:129 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-10-2022 |
| Datum publicatie: | 11-10-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3738 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een GZ-psycholoog. Klager is vanuit voorlopige hechtenis overgeplaatst naar een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). Aanvankelijk is klager op een crisisafdeling geplaatst en later verbleef hij op een reguliere afdeling in het PPC. De GZ-psycholoog had samen met een afdelingspsychiater de regie over beide afdelingen. Klager verwijt de GZ-psycholoog in het algemeen dat zij tekortgeschoten is in zijn behandeling tijdens zijn verblijf in het PPC. De GZ-psycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Klacht kennelijk ongegrond. |
A2021/3738
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 11 oktober 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
destijds verblijvende te B,
klager,
gemachtigde: mr. K.J. de Vaan, werkzaam te Amsterdam,
tegen
C,
GZ-psycholoog,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.
1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 januari 2022;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 11 juli 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- een recente versie van het behandelplan van klager, binnengekomen op 25 augustus
2022, van de gemachtigde van de GZ-psycholoog.
1.2 Het college heeft de klacht op basis van de stukken beoordeeld.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Klager, geboren in 1980, is vanuit voorlopige hechtenis overgeplaatst naar het
Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te B. 2.2 Voorafgaand aan die overplaatsing
is door een psycholoog van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en
Psychologie (NIFP) ten behoeve van klager een verzoek ingediend voor afgifte van een
indicatiestelling tot plaatsing in een PPC. Op 17 november 2021 is de indicatiestelling
afgegeven.
2.3 Klager is aanvankelijk geplaatst op de crisisafdeling van PPC te B ter observatie
“op gedrag, stemming en psychotische symptomen”. Vanaf januari 2022 verbleef klager
op de reguliere afdeling van het PPC. Momenteel is klager in afwachting van zijn overplaatsing
naar een PPC elders.
2.4 De zorg op de afdelingen staat onder regie van de GZ-psycholoog en van de afdelingspsychiater.
Klager verwijt de GZ-psycholoog in het algemeen dat zij tekortgeschoten is in zijn
behandeling tijdens zijn verblijf in de PPC te B. De GZ-psycholoog heeft klager niet
goed begeleid en heeft geen regie genomen over zijn behandeling. De GZ-psycholoog
heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
2.5 Het college komt tot de conclusie dat de GZ-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Het college licht dit oordeel hierna toe.
3. Wat houdt de klacht in?
In het klaagschrift zijn de diverse klachtonderdelen zeer beknopt aan de hand van
bulletpoints geformuleerd. Tijdens het mondeling vooronderzoek hebben klager en zijn
gemachtigde de klacht(onderdelen) toegelicht. Uit hetgeen tijdens het mondeling vooronderzoek
is besproken, begrijpt het college dat klager de volgende klachtonderdelen aan het
college wenst voor te leggen:
1) klager is ten onrechte op de crisisafdeling geplaatst;
2) de GZ-psycholoog heeft onjuiste informatie in het behandelplan van klager vermeld;
3) de GZ-psycholoog heeft klager bewust niet goed behandeld;
4) klager is ten onrechte behandeling door middel van schematherapie geweigerd;
5) klager is de inzage in zijn medisch dossier geweigerd.
4. Wat is het verweer?
De GZ-psycholoog heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna
verder besproken.
5. Wat zijn de overwegingen van het college? Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 Bij de beoordeling van de vraag of de GZ-psycholoog tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld, staat haar persoonlijk handelen centraal. De vraag is of zij de zorg
heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk
bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden
met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en de stand van de wetenschap ten
tijde van het handelen.
Klachtonderdeel 1: klager is ten onrechte op de crisisafdeling geplaatst
5.2 In een PPC wordt zorg verleend aan gedetineerden met psychiatrische problematiek.
Voordat iemand in een PPC kan worden geplaatst, is een verwijzing nodig. Op 17 november
2021 is ten behoeve van klager een dergelijke verwijzing, een indicatiestelling voor
forensiche zorg, afgegeven. Blijkens het behandelplan is in de indicatiestelling onder
meer vermeld: “Plaatsing in een PPC is derhalve geïndiceerd, alwaar betrokkene gespecialiseerde
zorg en begeleiding krijgt om enerzijds emotionele lijdensdruk te verminderen en anderzijds
te zorgen voor een veilig en verantwoord verblijf tijdens detentie.”
5.3 Het is het college gebleken dat voor klager de indicatie ‘Verblijfsintensiteit
FG’ en ‘beveiliging Zeer-Hoog (FG4)’ is afgegeven.
5.4 Klager is vervolgens vanuit voorlopige hechtenis overgeplaatst naar PPC te B,
waar hij is opgenomen op de crisisafdeling. Volgens klager heeft de GZ-psycholoog
hem ten onrechte op de crisisafdeling geplaatst.
5.5 Het college overweegt in de eerste plaats dat het verzoek tot afgifte van de indicatiestelling
en de goedkeuring daarvan is gedaan door medewerkers van het NIFP. Dat klager van
het NIFP de indicatiestelling FG4 heeft meegekregen, kan de GZ-psycholoog niet worden
verweten.
5.6 Uit het medisch dossier volgt dat klager in november 2021 (de dag van opname in
het PPC), is gezien en beoordeeld door een collega van de GZ-psycholoog. Deze collega
heeft op basis van psychiatrisch onderzoek geadviseerd om klager ter observatie op
te nemen op de crisisafdeling. De GZ-psycholoog heeft klager op 18 november 2021 voor
de eerste keer gesproken om kennis te maken en de problematiek door te nemen. De GZ-psycholoog
kan geen verwijt ervan worden gemaakt dat klager in november 2021 op de crisisafdeling
is geplaatst. In het hiernavolgende zal het college er veronderstellenderwijs vanuit
gaan dat de GZ-psycholoog verantwoordelijkheid droeg voor het behandelplan gedurende
het verdere verblijf van klager in het PPC.
5.7 Klager is vervolgens de eerste weken op de crisisafdeling gebleven, waar hij is
geobserveerd “op gedrag, stemming en psychotische symptomen”. Klager gebruikte een
hoge dosis antipsychotica, maar bij de behandelaren binnen het PPC waren twijfels
over de diagnose psychotische decompensatie, omdat bij klager geen psychotische klachten
werden geconstateerd. Uit het medisch dossier volgt dat de behandelaren van klager,
waaronder de GZ-psycholoog, aan klager hebben gevraagd in te stemmen met het opvragen
van medische informatie om zijn diagnostiek en problematiek helder te krijgen en op
basis hiervan een passend behandeladvies te kunnen opstellen. Zoals door klager tijdens
het mondeling vooronderzoek is bevestigd, heeft hij geen toestemming gegeven om zijn
dossiers uit de vorige instellingen waar hij heeft verbleven op te vragen. Uit een
casuïstiekbespreking met het team van psychiaters en psychologen van het PPC te B
is vervolgens het advies gekomen om de anti-psychotische medicatie langzaam af te
bouwen om meer duidelijkheid te krijgen over de problematiek van klager.
5.8 Gelet op het ontbreken van informatie waaruit de medische historie van klager
bleek, het (daardoor) onbevestigd blijven van de door klager beschreven door hem doorgemaakte
psychotische episodes en het ontbreken van psychotische klachten ten tijde van zijn
opname in het PPC te B, is het college met de GZ-psycholoog van oordeel dat het volgen
van het advies vanuit de casuïstiekbespreking een te begrijpen en logische stap is
om tot verduidelijking van de problematiek van klager te komen.
5.9 Het college kan de GZ-psycholoog voorts volgen in de beslissing dat (voortzetting
van) het verblijf van klager op de crisisafdeling noodzakelijk was. Immers, klager
moest intensief worden geobserveerd in veranderingen in zijn gedrag en functioneren
zodat er meteen ingegrepen zou kunnen worden als zich een psychotische decompensatie
zou voordoen of lijdensdruk bij klager zou toenemen als gevolg van de medicatieafbouw.
Dit gold nog eens extra toen klager besloot niet mee te werken aan de afbouw en binnen
een aantal dagen volledig stopte met de medicatie. Nadat in de weken na het stoppen
met de medicatie was vastgesteld dat het gedrag van klager ongewijzigd stabiel bleef,
is klager (over)geplaatst naar de reguliere afdeling.
5.10 Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel 2: onjuiste informatie
in het behandelplan
5.11 Bij gelegenheid van het mondeling vooronderzoek heeft klager toegelicht dat dit
klachtonderdeel betrekking heeft op de vermelding in het behandelplan dat klager een
stoornis in het gebruik van alcohol had en het opnemen in het behandelplan van een
GAF-score.
5.12 De GZ-psycholoog heeft uitgelegd dat de stoornis in het gebruik van alcohol in
het behandelplan is terecht gekomen na een eerste screening van het dossier van klager.
Toen klager na het lezen van dit behandelplan hierover zijn ongenoegen heeft geuit,
is door de GZ-psycholoog aan hem uitgelegd dat dit een conceptbehandelplan betrof
en dat zij zijn opmerkingen zou meenemen. Na verdere verdieping in het dossier van
klager (de rapportage voortkomend uit JD-Online en het penitentiair dossier) heeft
de GZ-psycholoog de stoornis in alcoholgebruik uit het behandelplan verwijderd.
5.13 Het college constateert dat de stoornis in alcolholgebruik niet voorkomt in het
medisch dossier en het behandelplan waarover het college de beschikking heeft. Het
college begrijpt dat het voor klager vervelend is geweest dat in het behandelplan
aanvankelijk onjuiste informatie is opgenomen. Het college vindt niet dat de GZ-psycholoog
hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor dit oordeel vindt het college
van belang dat de GZ-psycholoog, na de opmerkingen van klager, direct actie heeft
genomen door het doen van nader dossieronderzoek en vervolgens het behandelplan aan
te passen. Zoals vermeld, is van deze onjuiste mededeling in het behandelplan niets
meer terug te vinden.
5.14 Het vermelden van de GAF-score is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De GZ-psycholoog
heeft uitgelegd dat het medisch dossier (EPD) van de Dienst Justitiële Inrichtingen
(DJI) nog steeds gebruik maakt van de GAF-scores uit de DSM-IV en dat het voor behandelaren
verplicht is om een GAF-score in te voeren bij opname. Deze bij het PPC te B gebruikelijke
werkwijze kan de GZ-psycholoog niet worden verweten.
5.15 Dit klachtonderdeel is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 3: onjuiste behandeling
5.16 Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de inhoud van de gesprekken die de GZ-psycholoog
met klager heeft gehad tijdens zijn verblijf in PPC te B. Uit de gegeven toelichting
tijdens het mondeling vooronderzoek begrijpt het college dat de kern van het verwijt
van klager is dat de GZ-psycholoog hem onheus heeft bejegend. Klager is van mening
dat de GZ-psycholoog alleen tot behandeling wilde overgaan als hij zichzelf schuldig
zou verklaren. Klager had het gevoel dat de GZ-psycholoog hem al schuldig had verklaard
aan zaken die nog door de rechter gevonnist moesten worden. De GZ-psycholoog heeft
dit weersproken.
5.17 Het college stelt voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van mondelinge
communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het college. Het
college is immers van die communicatie geen getuige is geweest. Dit neemt niet weg
dat het college uit het medisch dossier afleidt dat de GZ-psycholoog juist zeer betrokken
is geweest bij klager. De GZ-psycholoog heeft klager meerdere malen gesproken, waarbij
diverse onderwerpen aan de orde zijn geweest, zoals persoonlijkheidsproblematiek,
delict geschiedenis, risicomanagement, lijdensdruk en adviezen rondom de noodzaak
voor het uitvoeren van verdiepende diagnostiek en het uitsluiten van de aanwezigheid
van psychotische problematiek.
5.18 Uit de weergave in het medisch dossier van hetgeen is besproken, volgt duidelijk
dat de GZ-psycholoog (en overigens ook andere behandelaren) klager meermaals heeft
uitgelegd dat klager geen schuld hoeft te bekennen en dat de behandelaren in het PPC
geen bemoeienis met de juridische procedure hebben en dus ook geen contact met de
rechter of het Openbaar Ministerie. Klager is voorts uitgelegd dat het benoemen van
zijn delictgeschiedenis en de recente tenlastelegging van belang zijn om tijdens detentie
een risicoinschatting te kunnen maken op mogelijke terugval in zijn gedrag in de toekomst.
Het college is van oordeel dat de GZ-psycholoog zorgvuldig heeft gehandeld.
5.19 Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 4: weigering schematherapie
5.20 Klager wilde graag schematherapie om zijn lijdensdruk te verminderen. Het college
overweegt dat schematherapie (Schema Focused Therapy) een vorm van psychotherapie
is voor mensen met persoonlijkheidsproblematiek of andere langdurige klachten, zoals
een zich herhalende depressie. De PPC te B beschikt niet over de mogelijkheid tot
het aanbieden van deze therapie. PPC te B is gespecialiseerd in psychotische problematiek.
5.21 Uit het medisch dossier en de toelichting door de GZ-psycholoog volgt dat zij klager meerdere keren heeft uitgelegd waarom PPC te B deze vorm van therapie niet aanbiedt. Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft de GZ-psycholoog toegelicht dat schematherapie een langdurige behandeling is van gemiddeld anderhalf jaar, terwijl de gemiddelde duur van een verblijf bij PPC te B ‘slechts’ drie tot vier maanden is. Bovendien kan een eventuele indicatie voor schematherapie pas worden gesteld als de diagnostiek van klager duidelijk is geworden, hetgeen nog niet geval was. Dit leidt tot de beslissing van het college dat de GZ-psycholoog geen verwijt kan worden gemaakt van het niet aanbieden van schematherapie.
5.22 Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 5: weigering inzage medisch dossier
5.23 Klager onderbouwt deze stelling niet. Het college heeft geen aanleiding ervan
uit te gaan dat klager inzage in zijn medisch dossier is geweigerd. Uit de aantekeningen
in het medisch dossier volgt dat klager op diverse momenten om afschrift van (onderdelen
van) zijn medisch dossier heeft gevraagd en dat die aan hem ter beschikking zijn gesteld.
5.24 Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Conclusie
5.25 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J.F. Aalders, voorzitter, K.M. Volker, lid-jurist,
G.F.E.C. van Linden van den Heuvell, M.D. Mostert-Uijterwijk en X.M.H. Moonen, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris.