ECLI:NL:TGZRAMS:2022:128 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3195
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:128 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-10-2022 |
| Datum publicatie: | 07-10-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3195 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een cardioloog. Klager werd gezien op de Eerste Hart Hulp. Een elektrocardioversie (ECV) was geïndiceerd. De kern van de klacht van klager is dat hij eerder behandeld had moeten worden. De cardioloog heeft klager niet zelf gezien, maar een arts in opleiding tot cardioloog heeft het beleid omtrent klager met hem afgestemd. Het college is van oordeel dat het besluit om niet direct met de ECV te starten zorgvuldig was. Klager was nog stabiel op het moment dat hij werd binnengebracht en hij was nog niet lang nuchter genoeg om de voor de ECV noodzakelijke propofol toe te dienen. Na het ontstaan van een spoedsituatie is er bovendien snel gehandeld. Klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 7 oktober 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
cardioloog,
(destijds) werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de cardioloog,
gemachtigde: D, werkzaam te Amsterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 juni 2021;
- het verweerschrift met de bijlagen, waaronder het medisch dossier op een cd-rom;
- de e-mail met de bijlagen, binnengekomen op 5 november 2021, van klager;
- het proces-verbaal van het op 12 november 2021 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de brief van 23 november 2021, binnengekomen op 25 november, van klager;
- de e-mail, binnengekomen op 25 mei 2022, van klager; Het college heeft de klacht
op basis van de stukken beoordeeld.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
Klager is op 16 juni 2019 binnengebracht op de Eerste Hart Hulp (EHH) van het ziekenhuis
waar de cardioloog werkzaam is. Klager had een te snel hartritme en een relatief lage
bloeddruk. Een elektrocardioversie (ECV) was geïndiceerd, maar met deze behandeling
moest worden gewacht omdat klager hiervoor nuchter moest zijn in verband met sedatie
onder propofol. Op een bepaald moment verslechterde de toestand van klager en moest
er acuut worden ingegrepen. De kern van de klacht van klager is dat hij eerder behandeld
had moeten worden. Het college komt tot de conclusie dat de cardioloog niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat hierna toe.
3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 Klager (geboren in 1960) heeft in 2005 een hartinfarct gehad en is sindsdien onder
behandeling van de afdeling cardiologie van E.
3.2 Sinds 2011 heeft klager regelmatig last van hartritmestoornissen en zijn er verschillende
behandelingen noodzakelijk geweest. Klager wordt behandeld met medicatie en er is
meerdere malen een ECV toegepast. In 2016 is in verband met een ventrikeltachycardie
(VT) bij klager een inwendige defibrillator (ICD) geplaatst en is hij gedotterd. In
2019 is een ablatie uitgevoerd. De ablatie leidde tot verbetering van de klachten,
maar er was nog vaak sprake van een onregelmatig versneld hartritme.
3.3 Op 16 juni 2019 werd klager met de ambulance de EHH van E binnengebracht. Klager
had last van hartkloppingen en hij had een hartslag van 200 slagen per minuut. Het
betrof een supraventriculaire tachycardie die werd geduid als een atriale tachycardie.
Klager had hierbij thoracale pijnklachten. Op het ECG van 14.16 uur was er sprake
van ST-segment afwijkingen, die geduid werden als secundair aan de snelle hartfrequentie.
De bloeddruk van klager was relatief laag (102/70 mmHg).
3.4 De cardioloog had die dag dienst, maar hij heeft klager niet zelf gezien. Klager
is op de EHH beoordeeld door een collega van de cardioloog, F, vierdejaars cardioloog
in opleiding (hierna: de arts). Tegen deze arts is ook een tuchtklacht ingediend (zaaknummer
A2021/3194). De cardioloog was als achterwacht aanwezig en heeft een paar keer met
de arts overlegd over het plan van aanpak.
3.5 De arts en de cardioloog hebben vastgesteld dat er een medische indicatie bestond
voor het uitvoeren van een ECV. Deze behandeling gebeurt onder sedatie. Uit het medisch
dossier van klager was gebleken dat klager een intolerantie heeft voor etomidaat.
Klager moest daarom worden gesedeerd met propofol en de ECV moest plaatsvinden op
de Post Anesthesia Care Unit (PACU). Voor de sedatie met propofol moest klager nuchter
zijn. Dit betekende in dit geval dat de ECV op zijn vroegst kon plaatsvinden om 15.00
uur.
3.6 Om 14.30 uur moesten de cardioloog en de arts naar de SEH voor een reanimatie
van een andere patiënt. De klinische situatie van klager was op dat moment stabiel.
Gedurende de afwezigheid van de arts op de EHH werden de hemodynamiek en het hartritme
van klager gemonitord door gespecialiseerde Cardio Care Unit (CCU, hartbewaking) verpleegkundigen.
3.7 Om 15.07 uur ontstond er een verandering in de toestand van klager en werd de
arts met spoed opgeroepen om weer naar de EHH te komen. Er was sprake van non-sustained
VT’s. De arts en de cardioloog hebben opnieuw overlegd over de plan van aanpak. Hierna
heeft de arts de anesthesie gewaarschuwd en is naar de EHH gegaan waar hij om 15.15
uur arriveerde. Vervolgens is klager naar de PACU gebracht. Onderweg naar de PACU
deed zich opnieuw een VT voor.
3.8 Bij aankomst op de PACU was sprake van een sustained monomorfe VT met hypotensie
en is klager buiten bewustzijn geraakt. De behandeling op de PACU is gestart om 15.38
uur. Klager kreeg twee keer externe defibrillatie (zonder effect). Direct hierna werd
kortdurend BLS (Basic Life Support) toegepast en kreeg klager twee interne defibrillator
shocks. Na de tweede shock herstelde het sinusritme succesvol. De bloeddruk was hierna
weer normaal en klager was goed bij bewustzijn (maximale EMV, Eye opening, best Motor
response, best Verbal response).
4. Wat houdt de klacht in?
Klager verwijt de cardioloog dat hij:
1) als dienstdoende cardioloog op 16 juni 2019 te laat heeft ingegrepen door klager
niet met spoed op de PACU te laten opnemen en de ECV te starten;
2) bij het weggaan van de arts naar de andere patiënt de monitoring van klagers hartritmestoornis
niet heeft overgenomen;
3) het medisch dossier van klager niet zorgvuldig heeft gelezen;
4) geen adequate zorg heeft verleend;
5) met zijn hoofd ergens anders was omdat hij naar een andere locatie zou gaan.
5. Wat is het verweer?
De cardioloog heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna
verder besproken.
6. Wat zijn de overwegingen van het college?
6.1 Duidelijk is dat klager sinds het hartinfarct in 2005 veel cardiologische problemen
heeft ervaren. Deze cardiale klachten ontstonden vaak onverwacht en het college kan
zich voorstellen dat dit onzekerheid met zich meebrengt en veel impact heeft op het
welzijn van klager. Toch is het ook in dit geval noodzakelijk dat het college de zaak
objectief en zakelijk behandeld. In deze zaak toetst het college het handelen van
de cardioloog op 16 juni 2019.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
6.2 De vraag is of de cardioloog de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende cardioloog. Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen.
Klachtonderdeel 1: niet met spoed op PACU opgenomen
6.3 Het college is van oordeel dat het besluit om de behandeling niet direct te starten
zorgvuldig was. Toen klager werd binnengebracht op de EHH was zijn klinische situatie
stabiel en was hij nog niet lang genoeg nuchter om de noodzakelijke propofol toe te
dienen. Het was op dat moment juist veiliger om ten minste tot 15.00 uur te wachten
met de behandeling.
6.4 Vanaf 15.07 uur ontstonden er non-sustained VT’s en was er wel sprake van een
acute situatie waarbij met spoed moest worden ingegrepen. De arts en de cardioloog
hebben besproken dat de ECV nu met spoed moest plaatsvinden. De arts heeft de anesthesie
ingeschakeld en hij was binnen 8 minuten na de eerste VT aanwezig op de EHH. Hierna
is klager naar de PACU gebracht. Vanaf de eerste VT tot aan de start van de behandeling
op de PACU zaten 21 minuten. Het college is op basis hiervan van oordeel dat er na
het ontstaan van de spoedsituatie snel is gehandeld. Dit klachtonderdeel is daarom
ongegrond.
Klachtonderdeel 2: niet de monitoring overgenomen
6.5 Klager is van mening dat de cardioloog de monitoring van de hartritmestoornis
had moeten overnemen toen de arts werd weggeroepen voor de reanimatie van een andere
patiënt. Het college is van oordeel dat dit verwijt niet kan slagen. De arts wordt
als vierdejaars cardioloog in opleiding bekwaam geacht om te beoordelen of de situatie
stabiel is en of het nodig is om de zorg op te schalen. De cardioloog mocht dit daarom
overlaten aan de arts. Voor de monitoring waren gespecialiseerde CCU-verpleegkundigen
aanwezig en toen de situatie van klager verslechterde, is de arts direct teruggegaan
naar de EHH. Bovendien heeft de arts het beleid steeds afgestemd met de cardioloog.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 3: kennisname medisch dossier niet zorgvuldig
6.6 De cardioloog heeft naar voren gebracht dat de arts het medisch dossier van klager
heeft doorgenomen op het moment dat klager werd aangekondigd door de ambulancedienst.
Hieruit bleek onder meer dat klager een intolerantie heeft voor etomidaat. Ook kwam
uit het dossier naar voren dat klager meerdere malen een ECV heeft ondergaan. In 2015
heeft klager voor het laatst een VT gekregen. Op basis van deze informatie heeft de
cardioloog met de arts het beleid bepaald. Het college overweegt dat klager niet heeft
onderbouwd van welke informatie in het medisch dossier niet is kennisgenomen. Ook
tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klager dit standpunt niet nader toegelicht.
Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 4: geen adequate zorg
6.7 Zoals het college hiervoor heeft overwogen is klager op de EHH veilig gemonitord
en heeft de arts direct actie ondernomen toen er sprake was van een acute situatie
waarbij met spoed moest worden ingegrepen. Het beleid dat op twee momenten met de
cardioloog is afgestemd is naar het oordeel van het college juist. Niet gebleken is
dat er onvoldoende kennis is genomen van het medisch dossier van klager. Het college
is daarom van oordeel dat de cardioloog wel adequate zorg heeft verleend. Ook dit
klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 5: met zijn hoofd ergens anders
6.8 Volgens klager was de cardioloog op 16 juni 2019 met zijn hoofd ergens omdat hij
naar een andere locatie zou gaan. De cardioloog heeft gesteld dat hij die dag alleen
werkzaam was op de locatie E. Dit klachtonderdeel is door klager verder niet feitelijk
onderbouwd en is daarom ongegrond.
Conclusie
6.9 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.
7. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door G.M. Boekhoudt, voorzitter, R.E. van Hellemondt, lid-jurist,
M.C.E. van den Heuvel, E.A. Dubois en A.C.P. Maas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.