ECLI:NL:TGZRAMS:2022:114 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3378
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:114 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-07-2022 |
| Datum publicatie: | 29-07-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3378 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een huisarts. De zoon van klaagster was opgenomen in een instelling in verband met een verstandelijke beperking en een aandoening in het autistisch spectrum. Verweerder is de huisarts van de zoon. Klaagster is de mentor en bewindvoerder van haar zoon en verwijt verweerder onder andere dat hij zonder informed consent van klaagster en zonder de zoon te hebben gezien medicatie heeft voorgeschreven. Daarbij zou verweerder het dossier niet op orde hebben en klaagster onheus hebben bejegend. Het college overweegt dat het ging om valeriaandruppels die via de drogist verkrijgbaar zijn en dat niet kan worden vastgesteld dat verweerder zonder informed consent de druppels heeft verstrekt. Wat betreft de dossiervoering het volgende. Nu verweerder (ter terechtzitting) geen voldoende uitleg heeft gegeven waarom hij in het geheel niet over een dossier van zijn patiënt beschikte, acht het college dit klachtonderdeel gegrond. Het college is van oordeel dat de klacht over de bejegening eveneens gegrond is. Verweerder heeft op onprofessionele wijze gereageerd op de vragen van klaagster. Klacht deels gegrond. Berisping. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 24 augustus 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te D,
verweerder,
gemachtigde: mr. Y.R. Koorevaar, verbonden aan Legalbylegal B.V. te Amsterdam.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift, met de bijlagen;
- het verweerschrift;
- de brief van klaagster van 24 november 2021, binnengekomen op 30 november 2021,
met de bijlagen;
- de brief van K van 31 maart 2022, binnengekomen op 1 april 2022, met de bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van verweerder van 25 april 2022, binnengekomen op 29
april 2022;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader
van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is op een openbare zitting van 17 juni 2022 behandeld.
Klaagster was aanwezig. Verweerder was niet aanwezig. Zijn gemachtigde, mr. Koorevaar,
was wel aanwezig. Klaagster heeft een toelichting gegeven aan de hand van schriftelijke
aantekeningen, die aan het college en mr. Koorevaar zijn overgelegd.
2. De feiten
2.1 Klaagster is de moeder, bewindvoerder en mentor van E, geboren in 1985 (hierna:
patiënt). Patiënt was van (in ieder geval) 2007 tot medio maart 2014 opgenomen bij
F te D in verband met een verstandelijke beperking en een aandoening in het autistisch
spectrum.
2.2 Verweerder is huisarts en werkzaam bij G te D. Verweerder is als huisarts voorts
sinds 2008 verbonden aan F.
2.3 Op 23 januari 2014 heeft de persoonlijk begeleider van patiënt per email aan klaag-ster bericht dat antroposofische en homeopathische medicijnen niet meer door F worden ver-goed, dat patiënt af en toe Valeriaandruppels krijgt en als klaagster wil dat patiënt deze nog krijgt, zij deze zelf moet betalen (of via de zorgverzekering).
2.4 Klaagster heeft diezelfde dag de persoonlijk begeleider bericht dat zij niet wist
dat
patiënt deze druppels kreeg, dat zij daar nooit toestemming voor heeft gegeven en
dat dit gebruik ook niet in zijn ondersteunings- of zorgplan staat. Klaagster heeft
voorts gevraagd om uit te zoeken wie de druppels heeft voorgeschreven en wie daar
akkoord voor heeft ge-geven.
2.5 De persoonlijk begeleider heeft daarop geantwoord:
“Ik zie dat C het recept vorig jaar nog eens heeft voorgeschreven. Je hoeft er niet
van te schrikken hoor, het is een natuurlijk middel op basis van kruiden, je kan het
gewoon bij de drogist kopen. Innemen bij spanning en slapeloosheid. Ik zal informeren
hoe dit precies zit.”
2.6 Bij emailbericht van 27 januari 2014 heeft klaagster aan verweerder bericht:
“Onlangs vernam ik bij toeval dat u mijn zoon (…) valeriaandruppels hebt voorgeschreven.
Dit roept bij mij de volgende vragen op:
1. Waarom zijn deze druppels voorgeschreven?
2. Waarom zijn deze druppels voorgeschreven zonder mijn toestemming als wettelijk
vertegenwoordiger?
3. Hebt u mijn zoon onderzocht alvorens deze druppels voor te schrijven?
4. Heeft u wellicht meer handelingen verricht of medicatie voorgeschreven zonder mijn
medeweten en dus ook zonder mijn toestemming?”.
2.7 Bij emailbericht van 28 januari 2014 heeft verweerder daarop geantwoord:
“Uw zoon gebruikt sinds 7 mei 2007 de valeriaandruppels destijds voorgeschreven door
mijn collega H. Het is merkwaardig dat u na ca 7 jaar ineens hier een opmerking over
heeft. Ik ben niet blij met de toon van uw email en vraag u ook als u niet anders
met een arts kunt omgaan evt een andere arts te kiezen.”.
2.8 Bij emailbericht van 30 januari 2014 heeft klaagster aan verweerder bericht:
“dank voor uw bericht. U geeft helaas geen antwoord op de door mij gestelde vragen.
(…). Zoals ik heb geschreven (…) vernam ik pas onlangs bij toeval dat voor mijn zoon
deze druppels zijn voorgeschreven. Met ‘onlangs’ bedoel ik – om precies te zijn –
23 januari 2014. (…).
Ook verzoek ik u nogmaals de in mijn eerdere mail gestelde vragen te beantwoorden,
die ik hier voor alle duidelijkheid herhaal:
1. Waarom zijn deze druppels voorgeschreven?
2. Waarom zijn deze druppels voorgeschreven zonder mijn toestemming als wettelijk
vertegenwoordiger?
3. Hebt u mijn zoon onderzocht alvorens deze druppels voor te schrijven?
4. Heeft u wellicht meer handelingen verricht of medicatie voorgeschreven zonder mijn
medeweten en dus ook zonder mijn toestemming?”.
2.9 Verweerder heeft op deze mail en de herinneringsmail van klaagster van 7 februari
2014 niet gereageerd.
2.10 Bij emailbericht van 14 februari 2014 heeft klaagster verweerder om het patiënten-dossier van patiënt en gegevens over de klachtencommissie gevraagd. Verweerder heeft klaagster voor het dossier verwezen naar F en voor klachten naar de website van de klach-tencommissie.
2.11 Bij emailberichten van 19 februari 2014 heeft verweerder aan klaagster bericht “Mijn dossier is leeg dus er valt weinig te lezen’ en “In de hoop dat zij evt meer leesstof zouden hebben. Ik heb u zoon nooit gezien…”.
2.12 Klaagster heeft in maart 2014 een klacht over verweerder ingediend bij de L. De Klachtencommissie heeft de klacht van klaagster met betrekking tot de bejegening gegrond verklaard.
2.13 Klaagster heeft patiënt op 10 maart 2014 mee naar huis genomen en besloten om hem niet meer naar F te laten terugkeren.
3. De klacht
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
1a. heeft gehandeld in strijd met de artikelen 7:448 en 7:450 BW door zonder informed
consent van klaagster medicatie voor te schrijven aan patiënt;
1b. heeft gehandeld in strijd met artikel 7:460 BW door eenzijdig de behandelrelatie
op te zeggen;
1c. heeft gehandeld in strijd met artikel 7: 453 BW door zonder patiënt gezien te
hebben medicatie voor te schrijven;
2. zijn dossier niet op orde heeft;
3. zich niet professioneel heeft opgesteld jegens klaagster in de communicatie;
4. onterecht verschillende behandelingen heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraar
van patiënt.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen
de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand
van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen
en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.
5.2 De klacht omvat meerdere klachtonderdelen. Deze zullen hieronder afzonderlijk wor-den besproken.
Klachtonderdelen 1a, 1b en 1c
5.3 Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder zonder informed consent
medicatie heeft voorgeschreven. Uit het medisch dossier blijkt dat patiënt al in mei
2007 “zonodig voor het slapen gaan” valeriaandruppels kreeg. Verweerder was toen nog
niet de huisarts van patiënt. Valeriaandruppels zijn zonder recept verkrijgbaar bij
de drogist. In het algemeen zal een huisarts geen betrokkenheid hebben bij de verstrekking
van dergelijke druppels. Ook indien - verweerder sluit dit niet uit - via de assistent
van de praktijk van ver-weerder een herhaalrecept voor valeriaandruppels is verstrekt,
kan, gelet op deze omstan-digheden niet worden gezegd dat verweerder zonder informed
consent medicatie heeft ver-strekt.
5.4 Niet gebleken is voorts dat verweerder de behandelrelatie eenzijdig heeft opgezegd.
Uit het emailbericht van verweerder aan klaagster van 28 januari 2014 (zie 2.7) volgt
dit niet. Het college acht de klachtonderdelen 1a, 1b en 1c ongegrond.
Klachtonderdeel 2
5.5 Wat betreft de dossiervorming heeft het het college verbaasd dat verweerder, die
ja-renlang de huisarts was van patiënt, helemaal geen dossier van patiënt heeft. Onduidelijk
is of verweerder ooit met (de behandelaars/verzorgers bij) F overleg over patiënt
heeft gehad. Het betoog van verweerder dat hij patiënt nimmer heeft gezien en daarom
geen dossier van patiënt heeft, acht het college in de gegeven omstandigheden een
onvoldoende verklaring. Het gaat om een kwetsbare patiënt. Patiënt was weliswaar opgenomen
bij F, alwaar een arts voor verstandelijk gehandicapten (AVG-arts) en een antroposofische
arts betrokken waren, maar dit neemt niet weg dat verweerder de huisarts van patiënt
was. Verweerder ontving daarvoor ook het inschrijftarief. Nu verweerder (ter terechtzitting)
geen voldoende uitleg heeft gegeven waarom hij in het geheel niet over een dossier
aangaande patiënt beschikte, acht het college dit klachtonderdeel gegrond.
Klachtonderdeel 3
5.6 Het college is van oordeel dat de klacht over de bejegening eveneens gegrond is.
Verweerder heeft op onprofessionele wijze gereageerd op de vragen van klaagster. De
reac-tie van verweerder op de vragen van klaagster omtrent het gebruik van valeriaandruppels
door patiënt is onnodig vijandig en defensief. Verweerder had klaagster nog nooit
ontmoet of gesproken (en patiënt kennelijk ook niet). Het geeft voor een huisarts
geen pas om in ant-woord op een emailbericht waarin een aantal zakelijke vragen worden
gesteld te antwoorden zoals in overweging 2.7 is weergeven. In aanmerking genomen
dat klaagster niet wist dat (af en toe) valeriaandruppels aan patiënt werden verstrekt,
is het bovendien niet merkwaar-dig dat zij daar “ineens” een vraag over stelt. Om
haar dan de suggestie te toen eventueel een andere arts te kiezen, vindt het college
ongepast. Ook de antwoorden van verweerder op de vragen van klaagster over het dossier
van patiënt vindt het college weinig behulpzaam en onprofessioneel wat betreft de
toonzetting.
Klachtonderdeel 4
5.7 Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder met betrekking tot patiënt
bedragen ten onrechte of dubbel heeft gedeclareerd. Verweerder heeft voldoende toegelicht
dat eventuele dubbele declaraties door de zorgverzekeraar worden gecorrigeerd. Dit
klacht-onderdeel is ongegrond.
Conclusie
5.8 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht wat betreft de onderdelen 2 en
3 gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel
47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) jegens
patiënt had behoren te betrachten. De klacht is voor het overige ongegrond.
Maatregel
5.9 Het college heeft niet kunnen beoordelen of verweerder uit de onderhavige zaak
les-sen heeft getrokken wat betreft communicatie en bejegening. Klaagster heeft uiteindelijk
be-sloten om patiënt bij F weg te halen. Hoewel verweerder voor die beslissing niet
verantwoor-delijk kan worden gehouden, is aannemelijk dat de wijze waarop klaagster
door verweerder is bejegend en de communicatie met verweerder daaraan niet in positieve
zin heeft bijgedra-gen. Verweerder heeft zich door niet ter terechtzitting te verschijnen
bovendien niet toets-baar opgesteld. Gelet op deze omstandigheden acht het college
het opleggen van een beris-ping passend.
5.10 Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroe-pelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
- verklaart klachtonderdeel 3 gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Neder-landse
Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het tijdschrift Medisch Con-tact ter
bekendmaking zal worden aangeboden.
Aldus beslist door:
W.A.H. Melissen, voorzitter,
I. Weenink, G.J. Dogterom en B. van Ek, leden-arts,
C.H. van Dijk, lid-jurist,
bijgestaan door M.G. Verkerk, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2022 door de voorzitter in aanwezigheid
van de secretaris.