ECLI:NL:TGZRAMS:2022:11 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3322

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:11
Datum uitspraak: 31-01-2022
Datum publicatie: 02-02-2022
Zaaknummer(s): A2021/3322
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde (verweerster) dat zij tekort is geschoten in haar taak als behandelaar van klagers moeder. Meer specifiek verwijt klager verweerster dat zij niet tijdig een juiste diagnose heeft gesteld, onvoldoende regie heeft gevoerd (met name ten aanzien van de pijnmedicatie, de toediening van morfine) en onvoldoende heeft geluisterd naar klager. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het college heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing naar aanleiding van de op 3 augustus 2021 binnengekomen klacht van:


A,
wonende te B,
klager,


tegen


C,
specialist ouderengeneeskunde,
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. P.T Verweijen, advocaat te Rotterdam.


1. De procedure
1.1 Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen.

1.2 Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3 Het college heeft de klacht op basis van de stukken beoordeeld.

2. Waar gaat de zaak over?
2.1. Klager is de zoon van de op november 1939 geboren en op januari 2019 overleden mevrouw D (hierna: patiënte). Patiënte, gediagnosticeerd met dementie en mellitus, was vanaf 27 februari 2018 na een opname in het ziekenhuis tot haar overlijden opgenomen in een verzorgingstehuis te B. Klager was de eerste contactpersoon van patiënte. Tijdens haar verblijf daar is patiënte een aantal keren in het ziekenhuis opgenomen.
Klager is ontevreden over hoe de verzorging in het verzorgingstehuis is verlopen en vindt dat verweerster tekort is geschoten in haar zorgtaak als behandelaar van zijn moeder. Klager verwijt verweerster meer specifiek dat zij niet tijdig een juiste diagnose (blaasontsteking) heeft gesteld, onvoldoende regie heeft gevoerd ten aanzien van het medisch beleid (met name ten aanzien van de pijnmedicatie, de toediening van morfine/fentanyl) en onvoldoende heeft geluisterd naar klager ten aanzien van zijn moeders situatie. Klager meent dat verweerster door dit alles ondeskundig en onprofessioneel heeft gehandeld.

3. Wat is het oordeel van het college?
3.1 Het college merkt vooraf op dat het duidelijk is dat klager zeer betrokken is geweest bij zijn moeder en dat hij de zorg voor zijn moeder (in haar laatste levensfase) graag anders hadden gezien en van mening was dat zijn moeder nog had kunnen herstellen.

Aan welke criteria toetst het College?
3.2 De vraag die het college moet beantwoorden is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ specialist ouderengeneeskunde. Het college houdt bij de beoordeling hiervan rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor de specialist ouderengeneeskunde geldende beroepsnormen.
In het tuchtrecht staat bovendien de persoonlijke verwijtbaarheid van een aangeklaagde hulpverlener ter beoordeling. Verweerster kan dus niet worden aangesproken voor handelen of nalaten daarvan door andere zorgverleners in het verzorgingstehuis. Voor zover de klacht ook hierop betrekking heeft, kan klager derhalve niet worden ontvangen in zijn klacht. Het college neemt bij de beoordeling van de klacht het medisch dossier van patiënte tot uitgangspunt.

3.3 Het college is van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor die beslissing acht het college het volgende van belang.

3.4 Verweerster heeft aangevoerd dat tijdens de opname van patiënte haar urine zeker zes keer is gecontroleerd door middel van een urinestick en twee keer op kweek is gezet. De toestand van patiënte ging na haar laatste ziekenhuisopname in december 2018 gestaag achteruit; er was sprake van een toenemende afsluiting van een ader in haar linkerhand (arteriële occlusie), later ook in haar been. Door een verslechtering van de doorligwond op de stuit, waardoor ze steeds zieker werd, nam het contact met patiënte (nog verder) af. In de gesprekken met de zoon (klager) heeft het medisch team telkens uitgelegd dat patiënte pijnstilling nodig had en kreeg. Klager was het daar, net als met het no-return beleid van het ziekenhuis, duidelijk niet mee eens. Toen de conditie van patiënte verder verslechterde en als pijnbestrijding morfine of fentanyl werd toegediend, ontstond (opnieuw) een verschil van mening over het te voeren behandelbeleid en het daarop afgestemde medicatie-voorschrift. Klager bleef van mening dat zijn moeder nog kon herstellen en wenste dat de behandeling zich daarop toespitste. Het medisch team zag echter dat patiënte stervende was en dat symptoom-bestrijding de enige behandelmogelijkheid was. Dit aldus verweerster.

3.5 Het college heeft geconstateerd dat vanaf het begin van de opname van patiënte er verschil van mening is geweest tussen het medisch team in het verzorgingstehuis enerzijds (onder wie verweerster) en de zoon (klager) anderzijds over wat onder zinvol medisch handelen moet worden verstaan. Een en ander, zo is gebleken, heeft geleid tot een groot wantrouwen naar verweerster toe (en haar collega’s), met spanningen tot gevolg.

3.6 Het college is van oordeel dat het medisch dossier geen blijk geeft van een onzorgvuldige medische behandeling dan wel ontbreken van regievoering door verweerster – noch op het gebied van diagnostiek, symptoombestrijding of aansturing van de zorg, noch op het gebied van communicatie met of betrekken van klager bij de besluitvorming. Het medisch dossier geeft eerder blijk van een zeer nauwgezette en systematische dossiervoering, waaruit blijkt dat veel aandacht is besteed aan (de medische zorg en het welbevinden van) patiënte, maar met name ook aan de belevingen en inzichten van de zoon (klager). Het is blijkbaar niet gelukt tot een gezamenlijk beleid te komen, ondanks het betrekken van specialisten uit het ziekenhuis, verzoek om een second opinion of ziekenhuisopnames. Ondanks ook de vele gesprekken die met klager zijn gevoerd - waarbij verweerster telkens heeft uitgelegd aan klager waarom ze afweek van wat hij wilde -, is het duidelijk dat klager niet heeft kunnen accepteren dat zijn moeder in haar dementie achteruit ging en door complicaties stervende was. Het college heeft er uiteraard begrip voor dat die situatie voor klager heel moeilijk was. Het college is alles overziend echter van oordeel dat verweerster wel haar uiterste best heeft gedaan om er als arts zorg voor te dragen dat de laatste levensfase van zijn moeder waardig en humaan was.

3.7 Meer specifiek ten aanzien van de klacht merkt het college nog het volgende op.
Het College heeft vastgesteld dat gedurende de opname van patiënte door verweerster zelf een aantal keren een urineweginfectie (UWI) is gediagnosticeerd en (zonodig) behandeld met een antibioticumkuur. Het college verwijst hierbij naar het medisch dossier (zie: 18 april 2018, 8 juni 2018, 5 en 12 oktober 2018 en 3 december 2018). Dat verweerster niet tijdig een juiste diagnose zou hebben gesteld, is niet gebleken. Voorts heeft verweerster zorgvuldig een goed overwogen pijnbestrijding nagestreefd, waarbij patiënte steeds goed werd geobserveerd. Zo werd medisch gezien correct besloten tot zonodig verhoging-verlaging-stopzetten-wijziging van de pijnmedicatie. Op een bepaald moment bleek paracetamol niet (meer) voldoende als pijnstilling en was het bestrijden van de pijn door paracetamol – ondanks de uitdrukkelijke wens daartoe van klager – niet in het belang van patiënte. Het college is het met verweerster eens dat een wondbehandeling welke tot ernstige pijnklachten leidt, niet acceptabel is voor de patiënt. Blijkens het medisch dossier deden medewerkers melding van pijn bij de wondverzorging van patiënte. Het college is van oordeel dat verweerster op juiste wijze regie heeft gevoerd ten aanzien van het medisch beleid en de pijnmedicatie van patiënte, waarbij het belang van patiënte altijd op juiste wijze voorop werd gesteld. De stelling van klager dat door toediening van morfine als pijnmedicatie de huid van patiënte is verkleurd, is medisch gezien niet correct. Het college heeft geconstateerd dat dit ook een aantal keren is uitgelegd aan klager. Er hebben gedurende de opname van patiënte regelmatig gesprekken met klager plaatsgevonden, waarbij de (medische) situatie van patiënte steeds aan de orde is geweest. Het verwijt jegens verweerster dat er onvoldoende is geluisterd naar klager kan dan ook niet slagen.

Conclusie

3.8 Uit het voorgaande volgt dat alle onderdelen van de klacht niet gegrond zijn. Verweerster is bij het beroepsmatig handelen gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Er kan verweerster niet worden verweten dat zij heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ten opzichte van de patiënte behoorde te betrachten. Verweerster kan dan ook met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.


6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Aldus beslist op 31 januari 2022 door:
A.M.J.G. van Amsterdam, voorzitter,
A. Wewerinke en A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris.


secretaris                                                                          voorzitter