ECLI:NL:TGZRAMS:2022:109 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3720

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:109
Datum uitspraak: 22-07-2022
Datum publicatie: 22-07-2022
Zaaknummer(s): A2021/3720
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat zij zonder toestemming onjuiste informatie aan Veilig Thuis (VT) heeft verstrekt. Het college oordeelt dat de verstrekte informatie niet onjuist is, maar dat de wijze waarop de informatie is verstrekt onzorgvuldig is geweest. Doordat de informatie mondeling is verstrekt, heeft klaagster niet de mogelijkheid gehad om toestemming te geven, of de informatie vooraf of achteraf in te zien. Bovendien is de informatie pas acht maanden na de melding aan VT verstrekt, terwijl de behandeling vrijwel was afgerond en de melding in eerste instantie was bedoeld om VT in lead te brengen. Klacht deels gegrond, waarschuwing.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 16 december 2021 binnengekomen klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,
tegen


C,
GZ-psycholoog,
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons, advocaat te Den Haag.


1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlagen en;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.2 De klacht is op de openbare zitting van 10 juni 2022 behandeld. Partijen waren aanwezig, klaagster tot bijstand vergezeld van D en verweerster tot bijstand vergezeld van haar gemachtigde (die een toelichting heeft gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is verstrekt).

1.3 De klacht is behandeld in een klein college ex artikel 55 lid 2 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (wet BIG).


2. De feiten 2.1 Klaagster (56 jaar) heeft twee kinderen en woont in B. Zij is gescheiden, haar dochter verblijft fulltime bij klaagster, haar zestienjarige zoon (hierna ook: de zoon) om de week bij vader dan wel klaagster.
2.2 De zoon is tussen juli 2018 en juli 2021 onder behandeling bij E (hierna: de instelling), onderdeel van F, vanwege ADD. Verweerster is tussen januari 2019 en 30 juni 2020 de regiebehandelaar. Op 30 juni 2020 wordt de zoon overgedragen aan de medicatiepoli (en krijgt hij een andere regiebehandelaar). Vervolgens is verweerster tot 30 maart 2021 (op de achtergrond) betrokken als medebehandelaar (gericht op het plannen en organiseren van huiswerk).

2.3 Een derde (een ex-schoonzus) doet in februari 2020 een melding bij Veilig Thuis (hierna: VT) over (vermeende) psychische mishandeling en pedagogische verwaarlozing door klaagster. In mei 2020 maakt klaagster hiervan melding bij verweerster. Zij vertelt tevens dat zij de psychiater van de instelling bij VT heeft genoemd (voorgedragen) als te benaderen informant.


2.4 Bij aanvang van de behandeling in januari 2019 heeft de vader (nog) geen gezag over de kinderen, en klaagster wil hem niet bij de behandeling betrekken. Eind oktober 2020 krijgt de instelling bericht dat de vader mede het gezag is toegekend (als gevolg van een juridische procedure) en vraagt hij de instelling om informatie over de behandeling van zijn zoon. Een gesprek daarover met beide ouders tegelijkertijd blijkt niet mogelijk, dit gesprek wordt vervolgens met de ouders (apart van elkaar) op twee verschillende moment gehouden.

2.5 Het behandelteam binnen de instelling heeft zorgen over de zoon, die lijdt onder de spanningen tussen ouders. Binnen de behandelunit is geen kennis en ervaring met scheidingsproblematiek, men hoopt dat VT dit kan aanpakken en oplossen. Men gaat ervan uit dat VT (zoals verweerster ter zitting toelicht) daarbij ‘de lead’ zou nemen. Op 25 november 2020 wordt klaagster medegedeeld dat de instelling contact zal opnemen met VT om daarmee ook een bijdrage te leveren aan het ingestelde onderzoek (naar aanleiding van de melding in februari 2020). In overleg met VT wordt besloten om de informatieverstrekking vanuit de instelling te doen in een telefonisch interview, verweerster zal daarbij optreden namens de instelling. Zij neemt daartoe kennis van het dossier van de zoon.

2.6 Het telefonisch onderhoud tussen de instelling (in de persoon van verweerster) en VT vindt plaats op 2 februari 2021. Het ter zake door VT opgestelde gespreksverslag is op 3 februari 2021 aan verweerster ‘ter accordering’ voorgelegd en daarna (na verwerking van de wijzigingen door verweerster) vastgesteld.

2.7 Op 9 september 2021 ontvangt klaagster een kopie van het door VT opgemaakte dossier. Daaruit wordt voor haar duidelijk welke informatie verweerster op 2 februari 2021 heeft verstrekt aan VT. Klaagster dient daarop de onderhavige klacht in. Daarbij citeert zij diverse passages uit het gespreksverslag ter onderbouwing van haar klacht(onderdelen).

3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster in het gesprek op 2 februari 2021 met een medewerker van VT:
- informatie over klaagster en haar kinderen heeft verstrekt die onjuist is;
- deze informatie heeft verstrekt zonder toestemming van klaagster, en;
- klaagster geen inzage heeft gegeven in de aldus verstrekte informatie.
Dit is in strijd met de van toepassing zijn de wet- en regelgeving.

4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling
5.1 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel (het verstrekken van onjuiste informatie) overweegt het college als volgt.
De aard, inhoud en reikwijdte van de informatieverstrekking aan VT door verweerster volgt uit het gespreksverslag dat door VT (na toetsing en aanpassing door verweerster) is vastgesteld (opgenomen als bijlage 2 bij het klaagschrift). In haar klaagschrift citeert klaagster daar verschillende passages uit. Klaagster verwijt verweerster dat de in deze passages opgenomen informatie (aantoonbaar) onjuist is en (zeer) suggestief. Verweerster heeft dat gemotiveerd bestreden.

5.2 Het college beschikt niet over het dossier of andere (aanvullende) informatie waaruit de juistheid dan wel de onjuistheid (en andere diskwalificaties) van de verstrekte informatie kan blijken. Het college beschikt wel over het gespreksverslag en daaruit blijkt dat door verweerster informatie is verstrekt over de (wijze van) behandeling van de zoon, de opvattingen van zowel klaagster/moeder als vader, hun onderlinge relatie, en de verantwoordelijkheid die bij de zoon wordt gelegd voor de toe te passen medicatie. Deze informatie (de inhoud of de wijze van formulering) is naar het oordeel van college niet tendentieus of (onnodig) sturend. Klaagster vindt sommige opmerkingen mogelijk confronterend (mede gezien in de context van een moeizaam verlopen scheiding), maar dat maakt niet dat verweerster hierover een verwijt kan worden gemaakt. Uit het gemotiveerd verweer (gevoegd bij de schriftelijke beantwoording van de bij klaagster levende vragen, bijlage 2 bij het verweerschrift) en de toelichting ter zitting door partijen, kan veeleer worden opgemaakt dat verweerster naar eer en geweten heeft gepoogd om VT te voorzien van relevante informatie.

Het eerste klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
5.3. Het tweede en derde klachtonderdeel (de informatie is verstrekt zonder toestemming van klaagster en zonder inzage) lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
In februari 2020 wordt door een derde een melding gedaan bij VT. Klaagster heeft daarop in mei 2020 de instelling geïnformeerd dat zij VT heeft geadviseerd om voor informatie contact op te nemen met de psychiater van de instelling. Vervolgens blijft de benadering door VT van de instelling (vooralsnog) uit.

5.4 In november 2020 besluit de instelling om niet te wachten totdat VT contact met de instelling opneemt. De instelling besluit om op eigen initiatief VT te benaderen:
“Tevens besluiten we dat ook wij willen overleggen met Veilig Thuis, waar op dat moment al een melding loopt, omdat we vinden dat [de zoon] teveel onder druk staat door de spanningen wat nadelig is voor zijn ontwikkeling. We vinden het ook belangrijk dat de beweringen die ouders over elkaar doen onderzocht worden door een onafhankelijke derde, omdat beide ouders aangeven dat de situatie bij hun ex-partner onvoldoende veilig zou zijn voor [de zoon].”
Door de instelling wordt verweerster aangewezen om het contact met VT te leggen. Men gaat ervan uit dat VT (zoals verweerster ter zitting toelicht) daarbij ‘de lead’ zou nemen.

5.5 In het verweerschrift wordt het standpunt ingenomen dat deze beslissing wordt genomen in het kader van de in februari 2020 door een derde ingediende melding. Het college kan verweerster daarin niet volgen. Immers, op dat moment is al geruime tijd (acht maanden) verlopen sinds de melding bij VT. De behandeling van de zoon was vrijwel afgerond en de benadering van VT was bedoeld om VT ertoe te brengen ‘de lead’ te nemen bij het oplossen van de onderlinge strijd tussen de ouders waar de instelling kennis noch ervaring in had. Het college ziet het actief benaderen van VT om te komen tot informatieverstrekking als een ‘de facto’ (tweede) (aanvullende) melding door de instelling. Immers, van een passief afwachten op vragen van VT is geen sprake, VT wordt actief door de instelling benaderd om de instelling passende redenen.

5.6 De informatieverstrekking aan VT dient bij voorkeur schriftelijk te geschieden, en met toestemming of medeweten van de betrokkenen (zie ook KNMG Meldcode 2018). In het onderhavige geval is de informatieverstrekking mondeling gedaan. Tussen partijen is niet in geschil welke informatie precies is vertrekt (beide partijen baseren zich op het gespreksverslag van VT). Echter, door deze wijze van informatieverstrekking te kiezen is inzage vooraf (van de te verstrekken informatie) in wezen onmogelijk. Verweerster heeft evenmin achteraf klaagster geïnformeerd over de aan VT verstrekte informatie, maar het overgelaten aan VT om klaagster te informeren.

5.7 Alsdan heeft verweerster klaagster de mogelijkheid onthouden en ontnomen om te reageren op de voorgenomen informatieverstrekking (om bijvoorbeeld commentaar of feed back te geven dat meegenomen kan worden in de informatieverstrekking) of dat achteraf bij te sturen.
Dit alles is niet (in voldoende mate) gebeurd. Klaagster is alleen eind november 2020 in algemene termen geïnformeerd dat de instelling contact zou opnemen met VT om informatie te verstrekken aan VT. Daaruit volgt ook dat klaagster niet vooraf is geïnformeerd over de aard en inhoud van de te verstrekken informatie. Evenmin is klaagster achteraf geïnformeerd over de informatieverstrekking, verweerster heeft het bewust aan VT overgelaten om klaagster hierover te informeren. Alsdan heeft verweerster (die namens de instelling de informatie aan VT heeft verstrekt op 2 februari 2021) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.8 Indien anders moet worden geoordeeld, inhoudende dat de informatieverstrekking op 2 februari slechts is geschied als (passieve) informatieverstrekking in het kader van de in februari 2020 door een derde gedane melding (en er dus geen sprake is van een zelfstandige melding van de instelling) leidt dat niet tot een ander oordeel. Immers, ook in dat geval is de instelling, en daarmee verweerster, gehouden om klaagster vooraf te informeren over de aard en inhoud van de voorgenomen informatieverstrekking, en haar in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, zoals hiervoor al overwogen. Zoals al vastgesteld is dit uitgebleven. Alsdan heeft verweerster - ook als er geen sprake zou zijn van een (zelfstandige) melding - in dezelfde mate tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.9 De conclusie is dat klacht gegrond is, voor zover die ziet op het zonder toestemming verstrekken van informatie, en het (daarmee ook) geen gelegenheid geven tot inzage (het tweede en derde klachtonderdeel). Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet BIG jegens klaagster had behoren te betrachten.


5.10 Het college is van oordeel dat verweerster met het op deze wijze verstrekken van informatie aan VT, zonder dat klaagster hierover vooraf in voldoende mate is geïnformeerd, en ook achteraf geen inzicht heeft gekregen in de aldus verstrekte informatie, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat klemt te meer nu klaagster in een moeilijke positie verkeerde (het contact met de vader, haar ex-partner was gespannen, en het betreft een ernstig te nemen melding bij VT die haar persoonlijk heeft geraakt).
Anderzijds heeft het college de overtuiging dat verweerster heeft gepoogd om in het belang van de zoon VT zo goed als mogelijk te informeren, en niet is gebleken dat zij daarbij onjuiste informatie heeft verstrekt. Daarnaast heeft zij erkend dat deze wijze van informatieverstrekking verkeerd is geweest, en dat zij het in een voorkomend geval zeker anders zal doen. Alsdan volstaat het college met het opleggen van de maatregel van waarschuwing (zijnde de neutrale constatering dat het niet goed is gedaan zonder dat er sprake is van een ernstige fout).

6. De beslissing
Het college:
- verklaart het tweede en derde klachtonderdeel gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- wijst de klacht voor het overige af.


Aldus beslist door:
A.M.J.G. van Amsterdam, voorzitter,
X.M.H. Moonen en L.P.T Raijmakers, leden-beroepsgenoot,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2022 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.