ECLI:NL:TGZRAMS:2022:108 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3292

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:108
Datum uitspraak: 26-07-2022
Datum publicatie: 26-07-2022
Zaaknummer(s): A2021/3292
Onderwerp: Onjuiste declaratie
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster is de executeur en afwikkelingsbewindvoerder namens de erfgenamen in de nalatenschap van patiënte. De verpleegkundige heeft vlak voor het overlijden van patiënte bij haar thuiszorg geleverd. Door of namens de verpleegkundige is twee keer een vrijwel identieke factuur gestuurd. Het bedrag is dubbel betaald namens patiënte en klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij een valse kopiefactuur heeft opgemaakt en dat zij op onbehoorlijke wijze heeft gecommuniceerd inzake het terugvragen van het bedrag van de teveel betaalde factuur. Het college oordeelt dat klaagster met het voeren van deze tuchtrechtprocedure de wil van patiënte vertegenwoordigt. Tijdens de tuchtrechtprocedure is voorts gebleken dat de verpleegkundige een periode van bijna acht maanden niet ingeschreven stond in het BIG-register. In de periode dat zij de zorg leverde en de facturen over deze zorg verstuurde, stond zij niet ingeschreven in het BIG-register. Hoezeer laakbaar ook, is de verpleegkundige ten aanzien van haar handelen of nalaten in deze periode niet aan het tuchtrecht onderworpen. Het eerste klachtonderdeel is niet-ontvankelijk. Het college oordeelt verder dat de toonzetting van de reactie van de verpleegkundige niet voldoen aan de zorgvuldigheidsnormen. Zij stelt zich niet toetsbaar op en toont geen zelfinzicht. Klacht deels gegrond, berisping.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 26 juli 2022 naar aanleiding van de klacht van:


A,
werkzaam te B,
klaagster,


tegen


C,
verpleegkundige,
destijds werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigde: E (echtgenoot).


1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 juli 2021;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de melding van F van 14 januari 2022;
- de machtigingsbrief van de verpleegkundige;
- het proces-verbaal van het op 24 januari 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- het verzoek tot aanhouding van de zitting, binnengekomen op 15 februari 2022, van de verpleegkundige;
- de kennisgeving van afwezigheid, binnengekomen op 13 juni 2022, van de gemachtigde van de verpleegkundige.

1.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 juni 2022. Klaagster is verschenen en heeft haar standpunt mondeling toegelicht. De verpleegkundige en haar gemachtigde waren met kennisgeving afwezig. Klaagster heeft een pleitnotitie overgelegd.


2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
2.1 Klaagster is de executeur en afwikkelingsbewindvoerder namens de erfgenamen in de nalatenschap van G. Zij dient een klacht in tegen de verpleegkundige die vlak voor het overlijden van G gedurende een periode van acht dagen specialistische en verpleegkundige 24-uurszorg aan huis bij haar heeft geleverd. Voor deze zorg is door of namens de verpleegkundige twee keer een vrijwel identieke factuur gestuurd. De eerste rekening is namens mevrouw G voldaan, de tweede op een later tijdstip door klaagster. Toen klaagster erachter kwam dat de werkzaamheden twee keer waren gefactureerd en twee keer waren betaald, heeft zij het teveel betaalde bedrag meerdere keren per brief, per aangetekende brief en per e-mail teruggevraagd aan de verpleegkundige. De verpleegkundige reageerde echter lange tijd niet op de brieven en e-mailberichten hierover. Toen zij uiteindelijk wel reageerde stelde zij onder meer dat de fout van de dubbele betaling niet bij haar lag en zij het bedrag niet terug zou betalen. Op het moment van de hoorzitting is het bedrag nog niet terugbetaald. 2.2 Klaagster is niet tevreden over de manier waarop de verpleegkundige gefactureerd heeft en de wijze waarop zij het verzoek om terugbetaling heeft behandeld.

2.3 Het college komt tot de conclusie dat de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk is en dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Het college licht dat hierna toe.


3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 De verpleegkundige heeft als zelfstandige wijkverpleegkundige, via haar bedrijf
H, specialistische en verpleegkundige 24-uurszorg verleend aan G, gedurende acht dagen in de periode van 16 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2019. Daarvoor heeft zij op 1 september 2019 een factuur gestuurd voor een totaalbedrag van € 7.320,00. Deze factuur heeft als factuurnummer 2019017 en het bankrekeningnummer waarop volgens de vermelding op de factuur betaald dient te worden staat op naam van I, moeder van de verpleegkundige.

3.2 Deze factuur is op 13 september 2019 door de bankgemachtigde van G betaald op
het genoemde bankrekeningnummer. G is op dezelfde dag overleden.

3.3 Klaagster is volgens de verklaring van erfrecht in de uiterste wil van G benoemd tot
executeur en afwikkelingsbewindvoerder van haar nalatenschap. Klaagster heeft deze benoeming aanvaard en treedt als zodanig op.


3.4 Op 20 september 2019 heeft de echtgenoot van de verpleegkundige, tevens
gemachtigde in deze procedure, per e-mail een factuur gedateerd 1 september 2019 naar het notariskantoor waar klaagster werkt gestuurd. Deze factuur heeft eveneens factuurnummer 2019017 en betreft hetzelfde bedrag als de eerste factuur, te weten € 7.320,00. Het bankrekeningnummer waar volgens de vermelding op de tweede factuur het bedrag naar overgemaakt dient te worden staat ditmaal op naam van E en/of C. Er is daarom sprake van een ander bankrekeningnummer dan het nummer dat op de eerder naar G gestuurde factuur van 1 september 2019 stond, zonder dat dit verschil wordt toegelicht op de factuur of in de begeleidende e-mail. Op 1 oktober 2019 heeft de gemachtigde van de verpleegkundige een betalingsherinnering voor deze factuur naar het notariskantoor gestuurd. Klaagster heeft deze factuur op 21 oktober 2019 betaald vanaf de bankrekening van de nalatenschap van G naar het op de tweede factuur genoemde bankrekeningnummer.


3.5 In april 2020 kwam klaagster bij het doen van de aangifte Inkomstenbelasting voor
G erachter dat de werkzaamheden die op de factuur van 1 september 2019 staan genoemd al eerder waren gefactureerd en betaald. Zij constateerde dat de twee facturen identiek waren op het bankrekeningnummer na. Zij stuurde op 25 april 2020 een e-mailbericht aan H met het verzoek tot terugbetaling van eenmaal het factuurbedrag. Hierop werd niet gereageerd. Op 9 juni 2020 zond klaagster een herinnering per brief en op 14 juli 2020 nogmaals per e-mail. Ook hierop kwamen geen reacties. Op 28 augustus 2020 stuurde klaagster een e-mail, een brief en een aangetekende brief met onder meer een incasso-aanzegging naar H.

3.6 Op deze aanzegging reageerde de verpleegkundige op 31 augustus 2020 per e-mail.
Zij schreef onder meer zich niet te herinneren een dubbele betaling ontvangen te hebben en zich niet genoodzaakt te zien in te gaan op het dwingende schrijven van klaagster. Hierop heeft klaagster nogmaals op 31 augustus 2020 een e-mail naar de verpleegkundige gestuurd met uitleg over wat er was gebeurd. Zij stuurde ook kopieën van de beide facturen en de beide betalingsbewijzen mee.


3.7 De verpleegkundige betaalde het dubbel betaalde bedrag niet terug. Klaagster deed
vervolgens aangifte bij de politie en startte een incassoprocedure. Uit die laatste civiele procedure volgde een gerechtelijk vonnis tot terugbetaling. Het teveel betaalde bedrag van € 7.320,00 is tot op heden echter niet terugbetaald.


4. Wat houdt de klacht in?
Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij
1) een valse kopiefactuur heeft opgemaakt en opzettelijk meermaals een betalingsherinnering voor een reeds voldane factuur heeft gericht aan klaagster, en
2) op onbehoorlijke wijze heeft gecommuniceerd en/of niet heeft gereageerd op de ingezette communicatiemiddelen inzake het terugvragen van het bedrag van de teveel betaalde factuur.

5. Wat is het verweer?
De verpleegkundige heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.

6. Wat zijn de overwegingen van het college?
Is de klacht ontvankelijk?

6.1 Het college moet allereerst vaststellen of de klacht ontvankelijk is. Het college oordeelt dat geen twijfel bestaat dat klaagster, als benoemde executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de overleden G, met het voeren van deze tuchtprocedure de wil van de overledene vertegenwoordigt. Zij heeft daarmee een van de wil van G afgeleid klachtrecht en is ontvankelijk in haar klacht.


6.2 Tijdens de tuchtprocedure is gebleken dat de verpleegkundige van 15 april 2019 tot 3 december 2019 niet als verpleegkundige stond ingeschreven in het BIG-register. Dit betekent dat zij in augustus 2019, de periode dat zij specialistische en verpleegkundige zorg heeft verleend aan G, geen geldige registratie als verpleegkundige had. Ook in de periode dat de factuur (met daarop haar verlopen BIG-registratienummer) werd opgemaakt en de betalingsherinnering daarvoor werd verstuurd (september en oktober 2019) stond zij niet ingeschreven in het BIG-register. Hoezeer laakbaar ook, doordat de verpleegkundige niet ingeschreven stond in deze periode is zij ten aanzien van haar handelen of nalaten in deze periode niet onderworpen aan tuchtrechtspraak. Het college zal het eerste klachtonderdeel, het opmaken van een valse factuur en het sturen van betalingsherinneringen daaromtrent, hierom niet-ontvankelijk verklaren en niet inhoudelijk bespreken. Het college zal slechts het tweede klachtonderdeel inhoudelijk bespreken nu dit de periode betreft dat de verpleegkundige wel weer in het BIG-register stond ingeschreven.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?


6.3 Nu de verpleegkundige de zorg aan G niet heeft verleend als BIG-geregistreerd verpleegkundige, kan die zorg – en daarmee ook de financiële afwikkeling van die zorg – niet worden getoetst aan de zogeheten eerste tuchtnorm van artikel 47 lid 1 aanhef en onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Het tuchtrecht is echter ook van toepassing op ander handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk verpleegkundige betaamt, voor zover dit voldoende verband houdt met de individuele gezondheidszorg. Dat is hier naar het oordeel van het college het geval. Dat wordt hierna verder toegelicht. Bij de beoordeling van het handelen wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen. Dit betekent dat de Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden1 (hierna: de Beroepscode) leidend is in deze. Artikel 1.3 van de Beroepscode bepaalt dat de verpleegkundige verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar is op haar/zijn eigen handelen, bejegening en gedrag als professional. Artikel 4.7 bepaalt voorts dat de verpleegkundige de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van zichzelf en van de beroepsgroep bewaakt.
Klachtonderdeel 2) onbehoorlijke communicatie en niet reageren op terugbetaalverzoeken
1 CGMV Vakorganisatie voor Christenen, CNV Zorg en Welzijn, FNV Zorg en Welzijn, HCF Nederland, NU ’91, RMU Sector Gezondheidszorg en Welzijn ‘Het Richtsnoer’, V&VN, Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden. Leidraad voor je handelen als professional. Hilversum: januari 2015.

6.4 Klaagster heeft gesteld dat de verpleegkundige van april 2020 tot eind augustus 2020 in het geheel niet op haar e-mails en brieven over de tweemaal betaalde factuur heeft gereageerd. De verpleegkundige reageerde voor het eerst op 31 augustus 2020. Zij schreef in haar e-mailbericht:
“Vanuit uw berichten begreep ik dat u een betaling verwacht van mij van €7320,- Volgens mijn administratie heb ik echter geen openstaande facturen op naam van G noch A. Ik kan mij niet herinneren een dubbele uitbetaling van de door u genoemde factuur te hebben ontvangen inzake de zorg bij G. Ik voel mij dan ook niet genoodzaakt in te gaan op uw dwingend schrijven. Het is úw taak het vermogen van G op de juiste manieren te beheren. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat u mij verantwoordelijk stelt voor een, naar ik van u aanneem, foutieve mutatie van úw organisatie. Een gang naar politie of het Tuchtcollege zou impliceren dat ik de (moedwillige) fouten heb gemaakt. Ik verzoek u vriendelijk mij hierover niet meer te contacteren.” (alle citaten voor zover van belang en inclusief eventuele taal- en typefouten).

6.5 De verpleegkundige heeft in haar verweerschrift onder meer aangevoerd dat zij in de periode van de facturering aan G psychisch ontregeld was en zij hiervoor opgenomen was. Haar zaken zijn in die tijd door haar echtgenoot waargenomen. Het betaalde bedrag was één keer op de rekening van de moeder van de verpleegkundige gestort en één keer op een rekening van haarzelf en haar echtgenoot. Daardoor kon zij niet vaststellen dat het bedrag tweemaal was betaald toen zij vanaf april 2020 hierop gewezen werd en een en ander nakeek. Zij concludeerde dat de ‘aasgieren’ rondom G kennelijk nog niet genoeg geld hadden geërfd en besloot eerst niet te reageren en later een bepaalde toonzetting te gebruiken in haar reactie naar klaagster.

6.6 Het college is met klaagster van oordeel dat de afwezigheid van een reactie en later, op 31 augustus 2020, de toonzetting van de eerste reactie van de verpleegkundige niet aan de zorgvuldigheidsnormen voldoen die van een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige verwacht mag worden. Zij voldoet met haar gedrag niet aan de eis uit de Beroepscode die luidt dat zij verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar is op onder meer eigen handelen en bejegening. De verpleegkundige heeft privéomstandigheden en haar psychiatrische toestandsbeeld als redenen aangevoerd voor het achterwege blijven van reacties, het meerdere keren om uitstel van de hoorzitting vragen en het niet aanwezig zijn tijdens de zitting. De aangeleverde verklaringen hieromtrent overtuigen het college echter niet voldoende. De verpleegkundige heeft volgens het college te allen tijde een eigen verantwoordelijkheid. Het college acht in dit opzicht illustratief dat de verpleegkundige enerzijds tijdens het mondelinge vooronderzoek (waarbij zij wel aanwezig was) heeft erkend dat zij onjuist heeft gehandeld, maar anderzijds daarna heeft geweigerd het ten onrechte dubbel gefactureerde bedrag terug te storten.

6.7 Uit het verweerschrift blijkt volgens het college bovendien dat de verpleegkundige niet in staat is op het eigen handelen te reflecteren. Dit blijkt onder meer uit een passage als: ‘Naar ik vernomen heb zat G ‘goed in haar slappe was’. Dat is meestal het geval bij cliënten die wij via particuliere thuiszorg verplegen. Het is dus echt niet zo dat het missende geld ervoor zorgt dat er dan ook maar iemand een boterham minder door zal eten. A is kennelijk zodanig in persoon geraakt, uiteindelijk door het eigen toedoen (want goede administratie voeren is voor dit notariskantoor kennelijk heel lastig), dat het een principekwestie is geworden om mij kapot te maken. Afschuwelijk vind ik dat.’
Het college stelt vast dat de verpleegkundige zich tijdens de tuchtprocedure zowel door haar reacties als door haar afwezigheid op de openbare zitting niet toetsbaar heeft opgesteld. Het college is op grond van al het bovenstaande van oordeel dat de verpleegkundige de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van zichzelf en van de beroepsgroep niet heeft bewaakt en daarom niet aan de eisen van de Beroepscode heeft voldaan. Dit roept vraagtekens op over de door de verpleegkundige als BIG-geregistreerd verpleegkundige verleende en nog te verlenen zorg en de daarvoor gedeclareerde en nog te declareren vergoedingen. Daarmee is de weerslag op de individuele gezondheidszorg gegeven.

6.8 Dit klachtonderdeel is dus gegrond. Conclusie

6.9 De conclusie is dat het eerste klachtonderdeel niet-ontvankelijk is en het tweede klachtonderdeel gegrond is.

Maatregel
6.10 Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college beoordelen of een maatregel op zijn plaats is, en zo ja, welke. De verpleegkundige is ernstig tekortgeschoten. Zij heeft in eerste instantie volstrekt niet en in latere instantie op onbehoorlijke wijze gereageerd op de verzoeken van klaagster om terugbetaling. Bovendien is het de tweede maal ontvangen bedrag door klaagster nog steeds niet terugbetaald. De verpleegkundige voldoet daarmee niet aan de eisen van haar beroepscode. Het college is verder van oordeel dat de verpleegkundige weinig reflectief vermogen heeft laten zien tijdens de tuchtprocedure en zich niet toetsbaar heeft opgesteld. Nu aan de verpleegkundige niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, is het college van oordeel dat (nog net) kan worden volstaan met het opleggen van een berisping.


Publicatie
6.11 Verder zal het college bepalen dat deze beslissing op de voet van artikel 48 lid 11 van de Wet BIG wordt bekendgemaakt in het register, met de gronden waarop deze berust, omdat het belang van de individuele gezondheidszorg dit vordert. Gelet op de uitlatingen van de verpleegkundige bestaat er een risico dat zij vaker dubbel heeft gedeclareerd of zal declareren bij door haar verleende zorg aan particulieren bij hen thuis. Verder zal deze uitspraak ter (anonieme) publicatie worden aangeboden aan de vaktijdschriften Gezondheidszorg Jurisprudentie, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact en aan de specialistische tijdschriften Nursing en V&VN Magazine. Het college vindt bekendmaking van belang omdat andere zorgverleners mogelijk lering kunnen trekken uit wat hiervoor onder 6 is overwogen.


7. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel 1;
- verklaart de klacht voor het overige gegrond;
- legt de verpleegkundige de maatregel op van berisping;
- besluit tot openbaarmaking van deze berisping met de gronden waarop zij berust zoals bedoeld in artikel 9 en 11 Wet BIG;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen en andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Gezondheidszorg Jurisprudentie, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact en aan de specialistische vaktijdschriften Nursing en V&VN Magazine.

Deze beslissing is gegeven door E.F. Brinkman, voorzitter, A.C. Hendriks, lid-jurist, C.E.B. Driessen, P.A. Arnold, en W.J. van der Meer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2022.