ECLI:NL:TGZRAMS:2022:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3623
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:104 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-07-2022 |
| Datum publicatie: | 15-07-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3623 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster verwijt bedrijfsarts onder meer dat hij ten onrechte een second opinion heeft geweigerd en dat hij geen gedegen onderzoek heeft gedaan en is uitgegaan van een (bevooroordeelde) onjuiste werkhypothese. Het college oordeelt dat de bedrijfsarts ten onrechte de second opinion niet met klaagster heeft besproken en ook ten onrechte de second opinion direct heeft geweigerd. Wat betreft het klachtonderdeel dat er geen gedegen onderzoek is gedaan en is uitgegaan van een onjuiste werkhypothese oordeelt het college dat de anamnese inderdaad onvoldoende was doordat de bedrijfsarts niet of nauwelijks heeft doorgevraagd naar de gezondheidsklachten van klaagster en dat de bedrijfsarts ten onrechte uitsluitend op het spoor van een arbeidsconflict doorging. Deze twee klachtonderdelen zijn gegrond. De klacht is wat betreft de overige klachtonderdelen ongegrond. Waarschuwing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 15 juli 2022 naar aanleiding van de op 11 november 2021 binnengekomen
klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: mr. M. Blommers, advocaat te Amsterdam,
tegen
C,
bedrijfsarts,
werkzaam te D,
verweerder,
gemachtigde: E (echtgenote).
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 november 2021;
- het verweerschrift;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 11 maart 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de correspondentie met betrekking tot de zitting.
De klacht is behandeld op de openbare zitting van 3 juni 2022. De partijen, bijgestaan
door hun gemachtigden, waren aanwezig en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
De gemachtigde van klaagster heeft een pleitnota overgelegd (waarvan punten 2 tot
en met 7 niet zijn voorgedragen).
2. De feiten
2.1 Op 3 mei 2021 heeft klaagster, geboren op 24 juni 1989, zich ziek gemeld bij haar
werkgever. Daarop heeft er op 19 mei 2021 een telefonisch consult plaatsgevonden met
verweerder als bedrijfsarts. Hij was toen werkzaam voor F.
2.2 In een kort verslag van het consult heeft verweerder aan klaagster onder meer
geschreven: “(...)
A [de naam van haar inmiddels ex-echtgenoot – RTG] heeft zich ziek gemeld met problematiek
van het persoonlijk functioneren, die volgens haarzelf vooral heeft te maken met niet
werk gerelateerde zaken.
De werkgever geeft aan, dat er wel het een en ander op het werk is gebeurd, mevrouw
is aangesproken op een of meerdere zaken en op haar gedrag.
A is uitgelegd, dat de huidige situatie vooral uitgelegd als een moeizame relatie
met de werkgever en dit met gesprekken dient te worden opgelost. Vooralsnog dient
het verzuim niet vertaald te worden naar beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek.
(…)
Advies:
1) Het advies is aan de werkgever A uit te nodigen voor een of meerdere gesprekken
met als doel de ontstane problemen tussen werkgever en werknemer te gaan oplossen
en een plan voor de toekomst te gaan maken.
2) Na deze gesprekken kan er eventueel gestart worden met re-integratie.
Advies vervolgafspraak:
(…)
Vervolgafspraak bij: Arts
(…)”
2.3 Op 21 mei 2021 heeft klaagster van haar werkgever een uitnodiging ontvangen om
naar aanleiding van het advies van verweerder op gesprek te komen op 4 juni 2021.
2.4 Bij e-mail van 28 mei 2021, met rappel op 7 juni 2021, heeft klaagster bij F een second opinion aangevraagd omdat zij het niet eens is met het advies. F heeft haar op 7 juni geantwoord dat de aanvraag ter beoordeling aan verweerder is doorgegeven.
2.5 Op 11 juni 2021 heeft klaagster een e-mail van haar werkgever ontvangen. Daarin
staat onder meer:
- dat de werkgever ervan uitgaat dat zij door de bedrijfsarts is geïnformeerd dat
er geen grond is voor een second opinion, en
- dat klaagster op 16 juni 2021 wordt verwacht op het werk om samen het gesprek aan
te gaan en een plan te maken voor de toekomst.
2.6 Op 13 juni 2021 heeft klaagster bij F twee klachten ingediend, één over het gesprek van 19 mei 2021 en één over het afwijzen van de second opinion.
2.7 Op 15 juni 2021 om 16:50 uur heeft verweerder bij klaagster een voicemailbericht
ingesproken, waarin hij onder meer zegt:
“(…) Ik heb ook begrepen dat u het niet eens bent met mijn advies. Daarin is het advies
dat u een deskundigenoordeel aanvraagt bij het G. Een second opinion bij een andere
bedrijfsarts is hierbij niet van toepassing omdat het mijns inziens [niet verstaanbaar]
gaat over een conflict en daar dient het G over te oordelen. (…)”
2.8 Bij e-mail van 15 juni 2021 heeft klaagster aan haar werkgever bericht dat zij
die dag door verweerder per voicemailbericht op de hoogte is gebracht van de afwijzing
van haar verzoek om een second opinion (SO). Zij heeft daarbij aangekondigd een deskundigenoordeel
(DO) te gaan aanvragen bij het G en gesteld dat zij zich niet goed voelt en geen energie
heeft om naar het werk te komen op 16 juni 2021 en dat zij zich door de gebeurtenissen
niet goed op haar behandeling kan richten. Tenslotte heeft zij voorgesteld dat het
gesprek met de werkgever op 16 juni 2021 bij haar thuis plaatsvindt. Dat voorstel
is op 16 juni 2021 per e-mail afgewezen door de werkgever, die er daarbij op wees
dat het niet opvolgen van het advies van de bedrijfsarts tot sancties, waaronder een
loonstop, kan leiden.
2.9 Op 17 juni 2021 heeft klaagster een DO aangevraagd, waarna zij (begeleid door
sociaal-psychiatrisch verpleegkundige (spv) H) op 23 juli 2021 een afspraak had bij
verzekeringsarts I van het G. Deze heeft in zijn rapportage onder meer geschreven:
“(…)
Er blijkt sprake van ziekte en of gebrek in de zin van de WULBZ.
(..)
Uit de acties in de curatieve sector blijkt het al.
Dat er ook sociale problemen is doet daar niets aan af.
Er is, in termen van het Schattingsbesluit sprake van ‘persoonlijk en sociaal disfunctioneren
bij een ernstige psychische aandoening’.
Daarom zijn er geen benutbare mogelijkheden.
Zij heeft nu vooral de ruimte nodig aan haar herstel te werken, aangezien er een intensieve
behandeling gaat volgen zijn er ook geen re-integratie mogelijkheden.”
2.10 Op 26 juli 2021 heeft F de klacht van klaagster over verweerder ongegrond/niet-ontvankelijk
verklaard.
2.11 Op 28 september 2021 heeft een andere aan F verbonden bedrijfsarts aan klaagster
een ‘Terugkoppeling Probleemanalyse’ geschreven, waarin als advies is opgenomen:
“Voor de komende periode is mijn advies: Betrokkene is uitgevallen met langer bestaande
en geleidelijk verergerde klachten en beperkingen die rechtstreeks het gevolg zijn
van verschillende ziektebeelden. Uw medewerker staat onder behandeling van verschillende
instanties. Zij is in afwachting van aanvullende behandeltrajecten. Als gevolg van
deze beperkingen is zij tijdelijk marginaal belastbaar. Hierdoor is betrokkene op
korte termijn niet in staat te hervatten in eigen of passende arbeid.
(…)”
Bij “Vervolg” staat dat een vervolgspreekuur – op afstand - over 5 tot 7 weken moet
worden ingepland bij de arts (niet zijnde verweerder), “inclusief het opvragen van
medische informatie”.
2.12 Klaagster is bij J onder behandeling van een spv (voornoemde H), een psychiater
en een GZ-psycholoog. Binnenkort start bij K het vervolg van haar eerder bij L gestarte
maar voortijdig gestopte traumabehandeling.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
Klaagster verwijt verweerder dat hij:
A) ten onrechte een SO heeft geweigerd en dit niet met klaagster heeft besproken;
B) geen gedegen onderzoek heeft gedaan en is uitgegaan van een onjuiste werkhypothese
(arbeidsconflict);
C) een rapportage heeft opgesteld die niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen;
D) in redelijkheid niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat bij klaagster geen
sprake is van ziekte;
E) met zijn handelen de schijn van partijdigheid heeft gewekt;
F) met de werkgever van klaagster heeft gesproken over zaken die eerst met klaagster
zelf besproken hadden moeten worden;
G) klaagster tijdens en na het consult onfatsoenlijk heeft behandeld.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder
besproken.
5. De beoordeling
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is de redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor hem geldende beroepsnormen en de stand
van de wetenschap ten tijde van het handelen.
Klachtonderdeel A (SO weigeren en niet met klaagster bespreken)
5.2. Sinds 1 juli 2017 is in artikel 14, tweede lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet
bepaald dat de bedrijfsarts wettelijk verplicht is een verzoek van de werknemer om
een second opinion te honoreren, tenzij zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten.
Deze plicht is uitgewerkt in artikel 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit en
verder ingevuld in het ‘10-Stappenplan Second Opinion, versie juni 2019’ van de Nederlandse
Vereniging voor Arbeids-en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). Stap 2 (Geschiktheid second
opinion beoordelen) van het stappenplan luidt:
“ U bespreekt met de werknemer of een second opinion de meest geschikte keuze is.
• Als een second opinion inderdaad de meest geschikte keuze is, bespreekt u de vervolgstappen
voor een second opinion met de werknemer.
• Indien een second opinion volgens u niet de meest geschikte keuze is adviseert u
werknemer over eventuele andere mogelijkheden. Wil werknemer tóch een second opinion
aanvragen dan voldoet u aan het verzoek, tenzij er een zwaarwegende reden is om dit
niet te doen. Als u een second opinion weigert, moet u dit besluit goed kunnen onderbouwen
en uitleggen aan de werknemer. Bij voorkeur schriftelijk vastgelegd in het dossier.
(…).”
5.3 Dit is, nadat in het werkveld hierover aanvankelijk enige tijd onduidelijkheid
heerste, alweer enkele jaren de norm binnen de beroepsgroep. Dit is ook in de tuchtrechtspraak
herhaaldelijk bevestigd. Gelet hierop is het college van oordeel dat verweerder ten
onrechte niet eerst met klaagster heeft besproken of een SO de meest geschikte keuze
was en ook ten onrechte de SO direct – en via voicemail - heeft geweigerd. Dat erkent
verweerder inmiddels ook. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij door de beslissing
van dit college van 22 maart 2022 (A2021/3239, ECLI:NL:TGZRAMS:2022:31) naar aanleiding
van een vergelijkbare klacht tegen hem van een andere klager, inmiddels bekend is
met deze regeling en daar nu ook naar handelt. In juni 2021, toen hij het verweerschrift
indiende en tijdens het mondeling vooronderzoek kon hij nog niet met deze uitspraak
bekend zijn. Inmiddels ziet verweerder in dat hij fout zat en biedt daarvoor zijn
excuses aan klaagster aan.
5.4 Klachtonderdeel A is dus gegrond.
Klachtonderdeel B ( geen gedegen onderzoek en uitgegaan van onjuiste werkhypothese,
nl arbeidsconflict)
5.5 Ter zitting heeft verweerder erkend dat hij het gesprek op 19 mei 2021 niet goed
heeft gedaan en daarvoor zijn excuses aangeboden aan klaagster. Hij kende klaagster
van eerdere consulten en had haar voor het eerst in juni 2019 op het spreekuur gezien.
Er was eerder 80 weken ziekteverzuim in verband met psychische problematiek, onder
andere PTSS. Later was er 4 à 5 maanden ziekteverzuim in verband met een gebroken
enkel. Beide keren is klaagster daarna weer volledig aan de slag gegaan. Verweerder
verkeerde in mei 2021 in de veronderstelling dat de psychische behandeling afgerond
was. Bovendien leek op grond van de verklaringen van zowel werkgever als werkneemster
(de aanleiding voor de ziekmelding was een incident op de werkvloer over een mondkapje
op de dag van de ziekmelding) een arbeidsconflict aannemelijk en verweerder wilde
de afstand tot het werk niet onnodig groot maken, zodat een gesprek met de werkgever
zinvol leek. Hij heeft echter haar situatie en met name haar traumatische verleden
niet goed ingeschat. Daarbij speelt een rol dat verweerder van F te weinig tijd kreeg
voor dit soort gesprekken (30 minuten voor gesprek en verslaglegging). Mede daarom
is hij daar weggegaan. Ook is het ongelukkig dat het gesprek als gevolg van corona
niet fysiek maar telefonisch plaatsvond. Eerst was nog videobellen geprobeerd, maar
dat lukte technisch niet. Daardoor was er nog minder tijd over voor het gesprek. Hij
doet dit nu anders. Aldus steeds verweerder.
5.6 Verweerder ging tijdens het gesprek van 19 mei 2021 (en daarna) uit van de werkhypothese dat klaagster een arbeidsconflict had met haar werkgever. Het college overweegt dat er, ook als sprake is van een arbeidsconflict (hetgeen klaagster betwist), daarnaast sprake kan zijn van arbeidsongeschiktheid door ziekte. Tijdens het gesprek, waarvan zich in het dossier een transcript en een geluidsopname bevinden, heeft klaagster diverse signalen gegeven die duidden op het bestaan van ziekte. Zo heeft zij een aantal keer letterlijk gezegd dat zij overspannen was, dat zij ziek was, dat zij sinds de ziekmelding Oxazepam slikte op voorschrift van haar GGZ-behandelaar, dat zij in afwachting van het vervolg van haar traumabehandeling (EMDR) was en dat haar behandelaar (door haar ook ‘praktijkbegeleider’ genoemd) bij J zat en H heette. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door niet of nauwelijks door te vragen naar de gezondheidsklachten. De anamnese is daardoor onvoldoende. Verweerder ging ten onrechte uitsluitend op het spoor van het arbeidsconflict door. Als gezegd heeft verweerder dit inmiddels ook erkend. De conclusie is dat klachtonderdeel B gegrond is.
Klachtonderdeel C (rapportage voldoet niet aan de eisen)
5.7 Het ‘kort verslag’ van het gesprek van 19 mei 2021 is een zogeheten re-integratie-advies.
Dit is een advies van de bedrijfsarts aan de werkgever over beperkingen en mogelijkheden
van een zieke werknemer en wat deze betekenen voor het soort werk dat de werknemer
nog kan doen. De bedrijfsarts mag op grond van de “Beleidsregels voor de verwerking
van persoonsgegevens over de gezondheid van zieke werknemers” aan de werkgever de
volgende gegevens over de gezondheid van de zieke werknemer verstrekken:
- de werkzaamheden waartoe de werknemer niet meer of nog wel in staat is (functionele
beperkingen, restmogelijkheden en implicaties voor het soort werk dat de werknemer
nog kan doen);
- de verwachte duur van het verzuim;
- de mate waarin de werknemer arbeidsongeschikt is (gebaseerd op functionele
beperkingen, restmogelijkheden en implicaties voor het soort werk dat de werknemer
nog kan doen);
- eventuele adviezen over aanpassingen, werkvoorzieningen of interventies die de werkgever
voor de re-integratie moet treffen.
Alle overige gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim van de bedrijfsarts.
Een dergelijk advies bevat daarom per definitie geen informatie over de door de arts
verzamelde (medische) informatie, zijn eigen onderzoeksbevindingen, en de wijze waarop
hij tot zijn oordeel is gekomen.
Anders dan klaagster stelt, heeft de vaste tuchtrechtspraak met betrekking tot de
eisen waaraan een medisch advies moet voldoen dan ook geen betrekking op een advies
als het onderhavige. Dit klachtonderdeel is daarom niet gegrond.
Klachtonderdeel D (In redelijkheid niet tot de conclusie kunnen komen dat er bij klaagster
geen sprake is van ziekte)
5.8 Klaagster doelt kennelijk op de zin “Vooralsnog dient het verzuim niet vertaald te worden naar beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek.” in het verslag van het gesprek van 19 mei 2021. Deze zin komt voort uit de werkhypothese van (uitsluitend) ‘arbeidsconflict’. Dat is hierboven al beoordeeld bij klachtonderdeel B. Daarnaast mist klachtonderdeel D zelfstandige betekenis.
Klachtonderdeel E (schijn van partijdigheid)
5.9 Volgens klaagster wekt verweerder op zijn minst de schijn dat de belangen van
de werkgever voor hem op de eerste plaats staan. Zij licht toe dat verweerder tijdens
het gesprek heeft gezegd dat de werkgever ‘niet blij’ met klaagster is, dat zij het
de werkgever ‘best lastig’ maakt en dat er ‘elke keer ruis en gedoe’ met haar zou
zijn.
5.10 Naar het oordeel van het college past bij een consult als het onderhavige dat
de bedrijfsarts aan de orde stelt dat hij uit signalen van de werkgever heeft opgemaakt
dat sprake is van een arbeidsconflict. Uit de – in dit verband - gemaakte opmerkingen,
zoals door klaagster aangehaald, blijkt niet zonder meer van partijdigheid in het
voordeel van de werkgever. Klachtonderdeel E faalt.
Klachtonderdeel F (met de werkgever gesproken over zaken die eerst met klaagster zelf
besproken hadden moeten worden)
5.11 Het college begrijpt dat klaagster hier doelt op het feit dat verweerder eerst
de werkgever heeft geïnformeerd over het weigeren van de SO en pas daarna klaagster.
Het college stelt vast dat er geen norm bestaat voor de wijze waarop een dergelijk
verzoek dient te worden afgewezen. F, de arbodienst van de werkgever, had de vraag
van klaagster voorgelegd aan verweerder. Het is in die situatie niet vreemd of tuchtrechtelijk
verwijtbaar dat de beslissing van verweerder aan de werkgever wordt medegedeeld. Dat
verweerder klaagster pas enige dagen later heeft bericht is wellicht ongelukkig, maar
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel F treft daarom geen doel. Dat laat
onverlet dat verweerder met klaagster in gesprek had moeten gaan over haar wens van
een SO, zoals hierboven al is overwogen bij klachtonderdeel A.
Klachtonderdeel G (klaagster tijdens en na het consult onfatsoenlijk behandeld).
5.12 Klachtonderdeel G hoeft niet apart te worden beoordeeld, want het is eigenlijk
een samenvatting van de voorgaande klachtonderdelen – zoals de gemachtigde van klaagster
ter zitting heeft beaamd.
Conclusie
5.13 De conclusie is dat klachtonderdelen A en B gegrond zijn en dat de klacht voor
het overige ongegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij
ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
jegens klaagster had behoren te betrachten.
Maatregel
5.14 Voor het weigeren mee te werken aan een SO is verweerder al op 22 maart 2022
door dit college tuchtrechtelijk veroordeeld (zie 5.3 hierboven). Omdat de uitspraak
in die zaak nog niet gewezen was ten tijde van het handelen in de zaak die nu voorligt,
en omdat verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard van deze uitspraak te
hebben geleerd en voortaan de regeling te zullen volgen, dient het geen tuchtrechtelijk
doel om hem voor een zelfde fout nogmaals een maatregel op te leggen.
Verweerder heeft verder onvoldoende doorgevraagd naar de gezondheidsklachten van klaagster,
waardoor hij haar ziekte (die vervolgens door een verzekeringsarts en een andere bedrijfsarts
wel zijn vastgesteld) heeft gemist, hetgeen haar extra narigheid (waaronder veel frustraties
en een loonstop) in een voor haar toch al moeilijke periode heeft opgeleverd. Verweerder
heeft dit toegeschreven aan het feit dat hij van F te weinig tijd kreeg voor een consult.
Deze omstandigheid ontslaat verweerder echter niet van zijn eigen professionele verantwoordelijkheid
om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Dit raakt immers de kern van het werk
van een bedrijfsarts. Dat het consult telefonisch plaatsvond disculpeert verweerder
evenmin. De beperkingen die samenhangen met een telefonisch consult nopen juist tot
extra oplettendheid.
Verweerder heeft ter zitting de onjuistheid van zijn handelen erkend. Het college
overweegt dat die erkenning rijkelijk laat kwam, maar neemt tevens in aanmerking dat
verweerder is vertrokken bij F en inmiddels zijn werk zo heeft georganiseerd dat hij
de tijd kan nemen die nodig is om tot een verantwoorde beoordeling te komen. De kans
op herhaling is daarmee aanzienlijk verminderd. Dit brengt mee dat, ondanks de ernst
van het verwijt, thans volstaan kan worden met een waarschuwing.
Al met al is het college van oordeel dat aan de gegrondverklaring van klachtonderdeel
A geen maatregel dient te worden verbonden en aan de gegrondverklaring van klachtonderdeel
B de maatregel van waarschuwing.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdelen A en B gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel op van waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J.F. Aalders, voorzitter, M.A.H. Verburgh, lid-jurist, R.L. Kloots, E.G. Ackema en E.G. van der Jagt, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2022.