ECLI:NL:TGZRAMS:2022:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3669
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:100 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-06-2022 |
| Datum publicatie: | 06-07-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3669 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster heeft de verzekeringsarts verzocht in het kader van een beroepsprocedure tegen een beslissing van het UWV over haar WIA-uitkering een onafhankelijke expertise op te stellen. De verzekeringsarts heeft aan dit verzoek voldaan en een rapportage uitgebracht. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij 1) de rapportage op onzorgvuldige wijze heeft opgesteld omdat hij geen eigen medisch onderzoek heeft gedaan, geen navraag heeft gedaan bij de behandelaars en niet onafhankelijk is en voorts dat hij 2) haar onheus heeft bejegend. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het college oordeelt dat dat de verzekeringsarts niet onzorgvuldig heeft gehandeld, mede gezien de beperkingen door de coronapandemie. Hij heeft klaagster uitgebreid via videobellen gesproken en hij beschikte over haar (medisch) dossier. Er zijn verder geen aanknopingspunten dat hij niet onafhankelijk tot zijn rapportage is gekomen. Dat de verzekeringsarts klaagster onheus zou hebben bejegend, kan het college niet vaststellen. De verwijten die klaagster in zijn algemeenheid aan het instituut maakt, hebben geen betrekking op het handelen van de verzekeringsarts. Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 28 juni 2022 naar aanleiding van de klacht van:
[A],
wonende te [B],
klaagster,
gemachtigde: J.A. Bax, wonende te Waalwijk,
tegen
[C],
verzekeringsarts,
BIG-registratienummer: [BIG-registratienummer],
werkzaam te [D],
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 30 december 2021;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift;
- de brief van 19 april 2022 met de bijlagen, binnengekomen op 20 april 2022, van de gemachtigde van klaagster;
- het proces-verbaal van het op 28 april 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- het medisch dossier, ontvangen van de gemachtigde van de verzekeringsarts op 4 mei 2022.
Het college heeft de klacht op 17 mei 2022 in raadkamer behandeld.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
2. Klaagster heeft de verzekeringsarts verzocht in het kader van een beroepsprocedure
tegen een beslissing van het UWV over haar WIA-uitkering een onafhankelijke expertise
op te stellen.
3. De verzekeringsarts heeft aan dit verzoek voldaan en heeft op 9 juni 2021 een rapportage
uitgebracht. Klaagster is het niet eens met de wijze waarop de rapportage tot stand
is gekomen.
5. Het college komt tot de conclusie dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat hierna toe.
3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 Klaagster was voor 24,83 uur per week werkzaam als schoonmaakster. Zij meldde
zich per 9 juli 2018 ziek vanwege fysieke gezondheidsproblemen. Re-integratieinspanningen
leidden niet tot een positief resultaat. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig
onderzoek werd klaagster 45,6% arbeidsongeschikt verklaard. Zij zou gemiddeld ongeveer
4 uur per dag en 20 uur per week kunnen werken. Bij beslissing van 23 juni 2020 werd
klaagster per eerste WIA-dag een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend.
3.2 Klaagster was het daar niet mee eens en tekende bezwaar en vervolgens beroep aan. Zij meende dat zij volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van haar gezondheids-problematiek en de door haar ervaren belemmeringen. Ten behoeve van de beroepsprocedure benaderde klaagster – via haar advocaat – het Expertise Instituut met het verzoek onafhankelijk onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vraag of de belastbaarheid en het arbeidsongeschiktheidspercentage juist waren ingeschat.
3.3 De verzekeringsarts – verbonden aan het Expertise Instituut – heeft dit onderzoek uitgevoerd. Hij heeft daartoe het relevante gedeelte van het medisch dossier van klaagster bestudeerd en heeft, gelet op de toen geldende coronabeperkingen, klaagster via videobellen op 12 mei 2021 gesproken. Op basis hiervan heeft hij op 9 juni 2021 zijn rapportage uitgebracht.
3.4 De verzekeringsarts beschrijft in zijn rapportage dat er bij klaagster sprake
is van een uitgebreid lichamelijk klachtenpatroon. Uit de verrichte onderzoeken in
de behandelende sector blijken weliswaar wat geringe afwijkingen (onder andere artrose
van de wervelkolom), maar daaruit kunnen de chronische pijnklachten van klaagster
niet worden verklaard. Ook het feit dat geen enkele behandeling op lichamelijk terrein
enig effect had, wijst erop dat de oorzaak van haar klachten niet daar moet worden
gezocht, aldus de verzekeringsarts. De verzekeringsarts sluit niet uit dat psychosociale
problematiek van invloed is op de klachten. In het dossier en bij zijn eigen onderzoek
werden echter geen concrete aanwijzingen gevonden voor enige psychische stoornis.
Ook in het huisartsenjournaal werden daarvoor geen aanwijzingen gevonden.
De verzekeringsarts concludeert dat de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts
Bezwaar & Beroep in hun rapporten de medische situatie van klaagster correct hebben
beoordeeld. Klaagster is naar zijn oordeel wel meer beperkt te achten dan door het
UWV aangehouden in de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst. Naast de reeds vastgestelde
duurbeperkingen komt de verzekeringsarts tot een extra beperking, namelijk de noodzaak
van een regelmatig werkrooster.
3.5 De conclusie van het rapport luidt als volgt (alle citaten voor zover van belang en inclusief eventuele taal- en typefouten):
“Cliënte heeft per datum in geding verminderde benutbare mogelijkheden voor het kunnen verrichten van arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. De benutbare mogelijkheden zijn hierboven gemotiveerd en weergegeven in de termen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Het huidige oordeel doet geen recht aan de situatie van cliënte per datum in geding. Cliënte was meer beperkt te achten dan door het UWV aangehouden in het opgestelde FML.
Reactie van cliënte
Bovenstaande werd met cliënte besproken. Zij leek zich hierin niet geheel te kunnen vinden. Op de vraag of er nog aanvullende zaken ter sprake zouden moeten komen, of dat er nog zaken onbesproken waren gebleven werd ontkennend geantwoord. Cliënte gaf desgevraagd aan dat alle relevante zaken besproken waren….”
4. Wat houdt de klacht in?
Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij:
4. op onzorgvuldige wijze een rapportage heeft opgesteld;
5. haar onheus heeft bejegend.
5. Wat is het verweer?
De verzekeringsarts heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.
6. Wat zijn de overwegingen van het college?
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
6.1 De vraag is of de verzekeringsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg om een tuchtrechtelijk verwijt vast te stellen. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
6.2 Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg dient een expertiserapport zoals door de verzekeringsarts opgesteld aan de volgende criteria te voldoen:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en geconsulteerde personen;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de verzekeringsarts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen (ECLI:NL:TGZCTG:2021:19).
Klachtonderdeel 1) onzorgvuldige rapportage
6.3 Klaagster verwijt de verzekeringsarts – kort samengevat – dat hij op onzorgvuldige
wijze een rapportage heeft opgesteld omdat hij geen eigen medisch onderzoek heeft
gedaan en geen navraag heeft gedaan bij behandelaars. Ook stelt klaagster dat de verzekeringsarts
niet onafhankelijk is, omdat hij vroeger bij het UWV heeft gewerkt.
6.4 De verzekeringsarts stelt dat hij normaliter eigen onderzoek doet, maar dat dat op het moment van het onderzoek bij klaagster niet mogelijk was vanwege de coronamaatregelen. Daarom heeft hij klaagster gesproken door middel van een audiovisuele verbinding gedurende een sessie van 75 minuten. Hij herkent niet de klachten van klaagster dat de verbinding slecht zou zijn geweest. Beeld en geluid waren voldoende om een betrouwbaar verhaal te kunnen optekenen. Klaagster heeft overigens niet laten blijken dat zij een lichamelijk onderzoek op een later moment wilde en/of dat er relevante informatie ontbrak. Voorafgaand aan het videobelgesprek heeft de verzekeringsarts de aanwezige medische informatie doorgenomen. Hij had onder andere de beschikking over het rapport van de verzekeringsarts van het UWV van 11 juni 2020, het rapport van de verzekeringsarts Bezwaar en beroep van 28 januari 2021, het huisartsenjournaal en de zich daarin bevindende specialistenbrieven. De informatie in het dossier was inhoudelijk consistent en compleet. Hij heeft zijn bevindingen tijdens het videobelgesprek met klaagster besproken en haar in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en zo nodig zaken aan te vullen. Hij zag geen noodzaak om nader onderzoek aan te vragen of navraag te doen bij behandelaars omdat het dossier duidelijk was en voldoende informatie bevatte. Hij heeft zijn conclusie met klaagster besproken. De verzekeringsarts heeft tot zijn pensioen in april 2020 bij het UWV gewerkt. Daarna is hij als onafhankelijk deskundige voor het Expertise Instituut gaan werken. Hij heeft klaagster open en objectief benaderd en zich professioneel kritisch opgesteld. Hij heeft de rapportage onafhankelijk van anderen opgesteld en heeft over de rapportage van klaagster geen contact gehad met andere (UWV-)artsen.
6.5 Het college acht het niet persoonlijk onderzoeken van klaagster mede gezien
de beperkingen die de coronapandemie in de onderzoeksperiode met zich bracht niet
onzorgvuldig. De verzekeringsarts heeft klaagster wel uitvoerig via videobellen gesproken
en had bovendien de beschikking over het dossier. Gezien de omvang van het dossier
en de aanwezige informatie in het huisartsenjournaal, kan het college billijken dat
de verzekeringsarts geen navraag heeft gedaan bij behandelaars. Voor de stelling dat
de verzekeringsarts niet onafhankelijk tot zijn rapportage zou zijn gekomen, heeft
het college geen aanknopingspunten in het dossier aangetroffen. De rapportage is goed
te volgen en voldoet aan de hierboven onder 6.2 genoemde criteria. Klachtonderdeel
1 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2) onheuse bejegening
6.6 Klaagster heeft zich niet serieus genomen gevoeld door de verzekeringsarts. Zij vindt dat zij door hem psychisch kapot is gemaakt. Het rapport zou al af zijn geweest voordat de verzekeringsarts haar had gesproken. Ook trekt zij de onafhankelijkheid en de handelwijze van het Expertise Instituut in twijfel.
6.7 De verzekeringsarts stelt te begrijpen dat klaagster teleurgesteld is dat zij niet volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, terwijl zij zelf vindt dat zij niet kan werken. Anders dan klaagster, stelt de verzekeringsarts klaagster wel degelijk serieus te hebben genomen. Hij heeft zich kritisch opgesteld, maar haar zeker niet onheus bejegend. Hij betwist dat zijn rapport al klaar zou zijn geweest voordat hij klaagster gesproken had.
6.8 Het college kan voor de stellingen van klaagster over onheuse bejegening
door de verzekeringsarts geen aanknopingspunten in het dossier vinden. Wat de verzekeringsarts
tijdens het videobelgesprek precies heeft gezegd en hoe hij klaagster tijdens dit
gesprek heeft bejegend, is voor het college niet vast te stellen. Dat brengt mee dat
niet kan worden vastgesteld dat de verzekeringsarts klachtwaardig heeft gehandeld.
Dit oordeel berust overigens niet op het uitgangspunt dat het woord van de klaagster
minder geloof verdient dan dat van de verzekeringsarts, maar op de omstandigheid dat
voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is,
eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden.
Deze feiten kan het college, ook als aan het woord van klaagster en van de verzekeringsarts
evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. De verwijten die klaagster meer
in zijn algemeenheid aan het Expertise Instituut maakt, hebben geen betrekking op
het handelen van de verzekeringsarts. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 (laatste
volzin) is overwogen, kan de verzekeringsarts daar tuchtrechtelijk niet verantwoordelijk
voor worden gehouden. Ook klachtonderdeel 2 is daarom ongegrond.
Conclusie
6.9 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.
7. De beslissing
Het college:
verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door:
J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, M. Keus, R.P. van Straaten, en E.G. van der Jagt leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.
secretaris
voorzitter