ECLI:NL:TGZRAMS:2022:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3244
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-01-2022 |
| Datum publicatie: | 25-01-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3244 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft een klacht ingediend tegen de verzekeringsarts Bezwaar & Beroep. De klacht betreft met name (de inhoud van) de medische rapportage van de verzekeringsarts. Voorts verwijt klager de verzekeringsarts ook dat zij geen medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend arts van klager. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het college heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 4 augustus 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B, C,
k l a g e r,
tegen
D,
verzekeringsarts,
werkzaam te E,
v e r w e e r s t e r,
gemachtigde: mr. I. Veldhuizen, verbonden aan het UWV.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid van een mondeling vooronderzoek.
De klacht is in raadkamer behandeld.
2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Verweerster is werkzaam als verzekeringsarts bij de divisie Bezwaar & Beroep van het F.
2.2. Per 1 mei 2014 is klager volledig arbeidsgeschikt vanwege lichamelijke klachten (onder andere recidiverende trombose) en psychische problemen. In het kader van een herbeoordeling WIA is klager op 8 februari 2017 beoordeeld door een collega-verzekeringsarts van verweerster. Naar aanleiding van een arbeidsdeskundig onderzoek is per 29 maart 2017 (de zogenaamde ‘datum in geding’) het arbeidsongeschiktheidspercentage verlaagd (naar 77,58%). Op 30 april 2017 heeft klager tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3. Verweerster heeft in het kader van die bezwaarschriftenprocedure gerapporteerd en in haar medische rapportage van 5 juli 2017 geconcludeerd dat het standpunt van de verzekeringsarts inzake klagers beperkingen kon worden gehandhaafd.
2.4. Met het besluit (‘beslissing op bezwaar’) van 6 september 2017 is het bezwaar van klager ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is klager in beroep bij de rechtbank Amsterdam gekomen.
2.4. Klager heeft op 12 september 2017 een dermatoloog bezocht vanwege ernstig eczeem met galbulten. Op 30 september 2017 heeft klager een machtiging ondertekend, waarin hij het F-toestemming geeft schriftelijk medische gegevens op te vragen bij de dermatoloog.
2.5. Op 9 mei 2018 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van klager ongegrond verklaard, waarna klager hoger beroep heeft ingediend bij de Centrale Raad van Beroep. In het kader van de hoger beroepsprocedure heeft verweerster in haar medische rapportage van 18 mei 2021 onder meer vermeld:
“(…)
2. Vraagstelling/aanleiding
Geeft het (aanvullend) hoger beroepschrift aanleiding om ons standpunt te wijzigen?
3. Overwegingen
(…)
Gemachtigde schrijft in het aanvullend hoger beroepschrift d.d. 15 januari 2019 dat in september 2017 door de dermatoloog [naam dermatoloog] vastgesteld dat er sprake is van galbulten op benen, hoofd en buik.
Medische informatie van de dermatoloog ontbreekt echter in het dossier.
Welke onderzoeken er zijn verricht door dermatoloog [naam dermatoloog] en welke uitslagen en afwijkingen er zijn gevonden is dan ook niet bekend.
(…)
Gemachtigde stelt dat de verzekeringsarts heeft aangegeven dat betrokkene het rechterbeen moet kunnen strekken als hij zit.
(…)
In de functionele mogelijkhedenlijst wordt deze beperking niet opgenomen.
Betrokkene heeft trombose gehad. Dit betekent dat de spieren in het been moeten worden gebruikt en langdurige statische belasting vermeden moet worden.
(…)”.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:
NaN. in de medische rapportage in de hoger beroepsprocedure van 18 mei 2021 ten onrechte heeft vermeld dat klager maar één keer trombose heeft gehad in zijn rechterbeen.
NaN. heeft geweigerd informatie op te vragen bij de behandelend dermatoloog;
NaN. het besturen van een auto door klager met trombose en gestrekt been medisch gezien geen belemmering vindt;
NaN. in de medische rapportage in de hoger beroepsprocedure van 18 mei 2021 ten onrechte niet is ingegaan op de geestelijke beperkingen van klager;
NaN. klager de weg op wil sturen met een gestrekt been en geestelijke beperkingen, waardoor hij (en ook overige weggebruikers) in potentieel levensgevaar worden gebracht.
Volgens klager heeft hij niet één keer, maar drie keer trombose gehad en door hem de weg op te sturen als bestelbuschauffeur, wordt hij ingezet om dood en verderf te zaaien.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. De vraag die beantwoord moet worden is of verweerster ‘binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening’ is gebleven. Kort gezegd; of zij voldoende zorgvuldig en deskundig heeft gehandeld. Het college is van oordeel dat deze vraag positief moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.
NaN. Allereerst merkt het college op dat het de taak van een verzekeringsarts Bezwaar & Beroep, zoals ook verweerster, is het heroverwegen van de verzekeringsgeneeskundige aspecten van de eerdere beslissing(en) op basis van de voorgelegde bezwaren dan wel (hoger-)beroepsgronden. Het is dan ook niet de taak van verweerster geweest de situatie van klager integraal opnieuw te beoordelen.
NaN. Het eerste en het derde tot en met het vijfde klachtonderdeel zien op (de inhoud van) de medische rapportage van verweerster van 18 mei 2021, zodat het college die gezamenlijk zal behandelen.- De verweten opmerking in die rapportage dat ‘betrokkene trombose heeft gehad’ hoeft niette betekenen dat klager maar één keer trombose heeft gehad; deze opmerking is neutraal geformuleerd en het aantal keren dat klager trombose heeft gehad valt hieruit niet op te maken, zodat ook niet wordt uitgesloten dat klager meerdere keren trombose heeft gehad.- In haar rapportage legt verweerster voldoende duidelijk uit dat het hebben van een trombosebeen, gelet op de specifieke omstandigheden waaronder klager zijn werk invult (zoals de duur en de aard van het rijden, afgewisseld met lopen et cetera), niet hoeft te betekenen dat de functie van bestelautochauffeur medisch gezien een onmogelijkheid zou zijn.- Verweerster hoefde, gelet op haar taak en de vraagstelling van de rapportage, ook niet meer in te gaan op de geestelijke beperkingen van klager omdat door de gemachtigde van klager in de hoger beroepsprocedure tegen het F (kennelijk) géén nieuwe medische gegevens zijn overlegd wat betreft zijn geestelijke beperkingen, die opnieuw moesten worden beoordeeld. Door de rechtbank is dan ook vastgesteld dat er geen geestelijke beperkingen waren die klager beletten om beroepsmatig auto te rijden .- Omdat ook een trombosebeen in de situatie van klager geen beletsel is om als bestelwagenchauffeur werkzaam te zijn, is het laatste verwijt van klager dat verweerster hem de weg opstuurt waardoor hij (en andere weggebruikers) in potentieel levensgevaar wordt gebracht en klager wordt ingezet om dood en verderf te zaaien, niet terecht.De conclusie van het voorgaande is dat het eerste, het derde, het vierde en het vijfde klachtonderdeel kennelijk ongegrond zijn.
NaN. In het tweede klachtonderdeel verwijt klager verweerster geen medische informatie te hebben opgevraagd bij de dermatoloog. Volgens verweerster is zij evenwel pas bekend geraakt met een machtiging daarvoor, nadat onderhavige tuchtklacht door klager werd ingediend. Het college stelt vast dat klager op 30 september 2017, nadat de bezwaarprocedure al was afgerond, een machtiging ten behoeve van het F heeft ondertekend, maar dat hij deze kennelijk niet aan verweerster of aan de afdeling Bezwaar & Beroep heeft geadresseerd. Volgens verweerster is de machtiging evenmin in de lopende hoger beroepsprocedure opnieuw overgelegd. Naar het oordeel van het college kan verweerster dan ook geen verwijt worden gemaakt geen medische informatie te hebben opgevraagd bij de dermatoloog, omdat zij niet van het bestaan van de machtiging op de hoogte was of hoefde te zijn. Het tweede klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
NaN. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) kennelijk ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Aldus beslist op 11 januari 2022 door:
A. van Maanen, voorzitter,
R.L. Kloots en E.G. van der Jagt, leden-arts,
bijgestaan door A. Kerstens, secretaris.