ECLI:NL:TGZRAMS:2021:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2246-A2021/018

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2021:104
Datum uitspraak: 01-11-2021
Datum publicatie: 17-11-2021
Zaaknummer(s): A2021/2246-A2021/018
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Verweerster, verpleegkundige in een revalidatie-instelling, wordt verweten dat zij onvoldoende actie heeft ondernomen naar aanleiding van donkere verkleuring van de grote teen van de patiënt. Patiënt was bekend met slechte bloedvaten in zijn been. Verweerster heeft de situatie op dat moment als onvoldoende spoedeisend beoordeeld om in het weekend de arts te bellen. 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 3 februari 2021 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

gemachtigde: C, wonende te D (dochter van klager),

tegen

E,

verpleegkundige,

werkzaam te D,

verweerster,

gemachtigde: mr. P.T. Verweijen, advocaat te Rotterdam.

1.         De procedure

1.1.      Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • de klaagschriften, met de bijlagen;
  • het verweerschrift, met de bijlagen;
  • het proces-verbaal van het op 7 juni 2021 gehouden mondeling vooronderzoek;
  • het op 16 september 2021 binnengekomen (nagekomen) verpleegkundig dossier.

1.2.      De klacht is mondeling behandeld op de openbare zitting van 17 september 2021.

Klager, bijgestaan door zijn dochter, voornoemd, en zijn andere dochter, F, en verweerster, bijgestaan door mr. Verweijen, voornoemd, waren aanwezig. Mr. Verweijen heeft pleitnotities overgelegd.

2.         De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klager is de broer van G, geboren op juli 1942 (hierna: patiënt).

2.2       Patiënt is van 24 december 2019 tot en met 28 januari 2020 opgenomen geweest op de afdeling Cardiologie van het H in verband met respiratoire insufficiëntie bij een astma cardiale. Na deze opname is patiënt opgenomen in I, onderdeel van J, om te revalideren. Verweerster is werkzaam als verpleegkundige in I.

2.3       In verband met pijn aan de linker voet door langer bestaand en bekend vaatlijden is op 31 januari 2020 gestart met Oxycodon. Patiënt is op 3 februari 2020 hiervoor gezien door de vaatchirurg. Vanwege aanhoudende pijnklachten aan de linker voet is op 7 februari 2020 gestart met Pregabaline. Verweerster was in het weekend van 8 en 9 februari 2020 werkzaam en heeft genoteerd dat de pijnklachten aanhouden.

Op 10 februari 2020 hebben de artsen van I telefonisch contact met de vaatchirurg gehad, die heeft bevestigd dat op 14 februari 2020 een CT-scan zal worden gemaakt en op 24 februari 2020 met het pijnteam zal worden gesproken. Geadviseerd werd om het linker been hoog te houden en te zwachtelen. Op 11 februari 2020 heeft overleg plaatsgevonden tussen de arts van I en patiënt. C, de dochter van klager en de nicht van patiënt, was bij dit gesprek aanwezig. Op 14 februari 2020 is een CT-scan van het linker been van patiënt gemIaakt. De afspraak met de vaatchirurg die direct na de CT-scan stond gepland is niet doorgegaan en verplaatst naar 3 maart 2020.

2.4       Op zaterdag 15 februari 2020 had verweerster dienst van 14.30 tot 23.00 uur. Aan het einde van de middag heeft patiënt aangegeven veel pijn te hebben aan het linker been. Klager en diens nicht hebben aan verweerster verzocht om een arts te bellen. Verweerster heeft aan dit verzoek in eerste instantie niet voldaan. Om 18.00 uur heeft patiënt Oxycodon, Pregabaline en Paracetamol van verweerster toegediend gekregen. Om 21.00 uur heeft verweerster alsnog de dienstdoende arts gebeld en aangegeven dat de familie van patiënt een arts wilde spreken, maar dat het een langer bestaand pobleem betrof en dat er geen veranderingen waren in de afgelopen periode. De arts is niet gekomen. Om 22.00 uur heeft verweerster patiënt nog een dosis Paracetamol gegeven.

Omstreeks 22.15 uur zijn klager en zijn dochter naar I gekomen. De dochter had de 112 meldkamer verzocht om een ambulance te laten komen om patiënt naar het ziekenhuis te brengen. De meldkamer heeft aan dat verzoek niet voldaan omdat patiënt in een medische instelling verbleef. Klager en zijn dochter wilden patiënt zelf meenemen naar het ziekenhuis. De situatie is ter plaatse van I vervolgens geëscaleerd. Verweerster heeft 112 gebeld en gevraagd of de politie kon komen.

Omdat klager en zijn dochter patiënt wilden meenemen naar het ziekenhuis heeft verweerster nogmaals de dienstdoende arts gebeld en die is om 23.00 uur gekomen. De arts constateerde een necrotische grote teen aan de linker voet van patiënt. Patiënt is per ambulance naar de SEH van het H gebracht, alwaar nog diezelfde nacht een trombectomie is uitgevoerd.

Ongeveer een week later is de grote teen van de linker voet van patiënt geamputeerd. Later is zijn linker onderbeen geamputeerd.

2.5       Patiënt is op 4 augustus 2020 overleden.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

   (i) heeft geweigerd een arts of ambulance te bellen en heeft volhard in die weigering ondanks herhaalde verzoeken        daartoe van de familie;

  (ii) patiënt en diens familie niet serieus heeft genomen dat sprake was van een noodsituatie;

  (iii) patiënt onnodig lang pijn heeft laten lijden en zorg heeft ontzegd;

  (iv) in de avond van 15 februari 2020 heeft geweigerd de familie van patiënt binnen te laten in I.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster stelt zich op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht omdat hij niet klachtgerechtigd is. Voorts heeft verweerster de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt hieronder nader op het verweer ingegaan.

5.         De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1.      Het college dient zich allereerst te buigen over de vraag of klager klachtgerechtigd is. Vast staat dat er geen behandelrelatie is of is geweest tussen klager en verweerster maar uitsluitend tussen patiënt en verweerster.

Een nabestaande kan een klacht indienen, maar volgens vaste tuchtrechtspraak berust dat recht niet op een eigen klachtrecht, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen veronderstelde wil van de overleden patiënt. Van belang is dus of degene die klaagt de veronderstelde wil van de overleden patiënt uitdrukt.

Het college gaat er daarbij van uit dat degene die klaagt de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om daaraan te twijfelen.

In deze zaak heeft het college geen aanleiding te twijfelen of klager met het indienen van de klacht, waarmee een zoon van patiënt zich akkoord heeft verklaard, de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt, noch ziet het college aanknopingspunten om te oordelen dat deze klacht niet berust op de wil van de overleden patiënt. Gelet hierop is het college van oordeel dat klager een afgeleid klachtrecht toekomt. Klager zal daarom ontvankelijk worden verklaard in zijn klacht.

De klacht

5.2.      Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Het college overweegt als volgt.

5.3.      Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het college van oordeel dat verweerster de ernst en de urgentie van de situatie met betrekking tot patiënt onvoldoende heeft gezien, zij ten onrechte aannames heeft gedaan die zij niet kon verifiëren, dat zij heeft nagelaten de dienstdoende arts tijdig te raadplegen en deze onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat de situatie was. Hiermee heeft verweerster niet gehandeld zoals een redelijk handelend en bekwaam vakgenoot zou moeten handelen.

5.4.      Toen patiënt op 15 februari rond 18.00 uur klaagde over pijn aan zijn linker voet en aan verweerster vroeg om de dienstdoende arts te bellen, heeft zij dat geweigerd omdat zij de situatie niet spoedeisend achtte. Volgens verweerster is het beleid bij J dat verpleegkundigen in het weekend -zeker na 18.00 uur- alleen bij spoed een arts kunnen raadplegen. Verweerster was naar eigen zeggen sowieso terughoudend met het raadplegen van artsen in het weekend.

5.5.      Verweerster heeft de voet van patiënt beoordeeld en zag dat de linker grote teen zwart was. Hoewel er niets over vermeld was in het patiëntendossier, ging verweerster ervan uit dat patiënt de dag ervoor gezien was door de vaatchirurg in het ziekenhuis en dat deze de zwarte teen wel zou hebben beoordeeld. Zij zag dus geen reden om de arts te bellen, nu patiënt (naar haar veronderstelling) zo kort geleden door een arts was gezien. Hiermee heeft verweerster een aanname gedaan die zij naar het oordeel van het college niet zonder meer had mogen doen.

5.6.      Pas drie uur later, omdat de familie van patiënt zo bleef aandringen, heeft zij toch de arts gebeld en daarbij vermeld dat de familie zich zorgen maakte om de teen, maar dat het een langer bestaand probleem betrof en dat er geen verandering was in de afgelopen periode en dat zij daarom in eerste instantie niet had willen bellen. Dat er geen verandering was in de situatie van patiënt kon verweerster op basis van het patiëntendossier echter niet concluderen. Het patientendossier van patiënt bevatte immers geen eerdere vermelding van een necrotische teen en de familie drong juist aan op het zien van een arts vanwege het feit dat de teen van patiënt nu zwart was. Verweerster heeft de dienstdoende arts derhalve onjuist, althans onvolledig geïnformeerd en de klachten van patiënt en zijn familie naar het oordeel van het college onvoldoende serieus genomen.

5.7.      Pas toen de familie patiënt zelf wilden meenemen naar het ziekenhuis heeft verweerster om 22.15 uur de dienstdoende arts telefonisch (duidelijk) geïnformeerd over het feit dat de teen van patiënt zwart was. Doordat verweerster onjuiste aannames deed, patiënt en zijn familie niet serieus nam dat sprake was van een noodsituatie en schroom voelde om de dienstdoende arts te raadplegen, heeft patiënt onnodig lang pijn geleden en is de juiste zorg onnodig lang uitgesteld.   

5.8.      Wat betreft klachtonderdeel (iv) heeft het college niet kunnen vaststellen dat verweerster heeft geweigerd de familie van patiënt bij I binnen te laten toen zij daar aanbelden. Het college vindt het aannemelijk dat het even duurde voordat verweerster in de gelegenheid was de deur voor hen open te doen.

Conclusie

5.9.      De conclusie van het voorgaande is dat het college van oordeel is dat klager ontvankelijk is in zijn klacht en dat het de klachtonderdelen (i), (ii) en (iii) gegrond acht. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidzorg jegens patiënt had behoren te betrachten. 

Het klachtonderdeel (iv) acht het college ongegrond.

5.10.     Ten aanzien van de vraag welke maatregel passend is op te leggen overweegt het college als volgt.

5.11.     In beginsel zou, gelet op de aard en ernst van het (nalatige) handelen van verweerster, de maatregel van berisping aangewezen zijn, maar het college ziet gelet op het volgende redenen de maatregel te matigen. Het college acht het van belang dat verweerster, ook nog ter zitting, duidelijk heeft gemaakt dat zij inziet dat zij verkeerde keuzes heeft gemaakt en op een aantal punten anders had moeten handelen. Ook heeft zij het college duidelijk gemaakt dat er door haar en door J lering is getrokken uit hetgeen is voorgevallen. Verweerster heeft in verband met hetgeen is voorgevallen een extra training “triageren” gevolgd zodat er geen onduidelijkheid meer kan bestaan over het wel of niet raadplegen van een arts. Ook volgt zij een training “de-escalerend werken” om te leren beter om te gaan met familieleden in vergelijkbare situaties.

5.12.     Dit alles in ogenschouw nemende is het college van oordeel dat het passend is dat verweerster de maatregel van waarschuwing wordt opgelegd. 

5.13.    Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is, op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart klachtonderdeel (i), (ii) en (iii) gegrond;

-          bepaalt dat de maatregel van waarschuwing  wordt opgelegd;

-          verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG

in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het tijdschrift Nursing ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus beslist op 1 november 2021 door:

W.A.H. Melissen, voorzitter,

D.M. van Etten, P.A. Arnold, W.M.E. Bil, leden-beroepsgenoten,

C.C.B.M. van Kimmenade, lid-jurist,

bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.


WG                                                                                                   WG

secretaris                                                                                       voorzitter