ECLI:NL:TGZRAMS:2014:6 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2012/427
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2014:6 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-01-2014 |
| Datum publicatie: | 21-01-2014 |
| Zaaknummer(s): | 2012/427 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de MDL-arts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door in het diagnostisch traject een lange periode te laten verstrijken waardoor een voor klaagster levensbedreigende situatie is ontstaan. Er is verweer gevoerd. Klacht afgewezen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE AMSTERDAM
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 9 november 2012 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
tegen
C,
Maag-darm-leverarts,
Wonende te D,
werkzaam te E,
v e r w e e r d e r,
gemachtigde mr. A.V. Rijneke, verbonden aan de Stichting VvAA rechtsbijstand.
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlage;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie aangaande het vooronderzoek.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare terechtzitting van 26 november 2013 behandeld.
Klaagster was hierbij aanwezig, vergezeld door haar echtgenoot. Verweerder was eveneens aanwezig en werd bijgestaan door mr. Rijneke voornoemd.
2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1 Verweerder is sinds 1 februari 2010 werkzaam als MDL-arts in het F.
2.2 Klaagster werd in januari 2012 door de afdeling chirurgie verwezen naar de polikliniek MDL van het F in verband met recidief buikpijn na een bij MRI-scan van 8 december 2011 vastgestelde appendagitis epiploïca.
2.3 Verweerder heeft klaagster voor de eerste maal gezien op 6 april 2012. Klaagster presenteerde zich met klachten van een houdingsafhankelijke, beurse pijn rechts onderin de buik. Er was sprake van een verhoogde ontstekingswaarde in het bloed van klaagster. Verweerder zag nog geen aanleiding voor een coloscopie. Verweerder heeft met klaagster afgesproken eerst een ontlastingsonderzoek te doen, waarna klaagster na drie maanden met een herhaald bloedonderzoek opnieuw bij verweerder zou komen.
2.4 Op 6 juli 2012 zag verweerder klaagster opnieuw. De klachten waren onveranderd. Er bleek sprake van een verhoogde ontstekingswaarde in de ontlasting en een verhoogde ontstekingswaarde (CRP) in het bloed. Verweerder sprak met klaagster af om een coloscopie te laten verrichten.
2.5 Op 7 augustus 2012 is een coloscopie bij klaagster verricht onder toediening van pijnstilling en een slaapmiddel aan klaagster. Het onderzoek is voortijdig beëindigd vanwege hevige pijnklachten van klaagster.
2.6 Op 14 september 2012 zag verweerder klaagster opnieuw. De klachten van klaagster waren nog steeds onveranderd aanwezig. Verweerder heeft een nieuwe coloscopie, ditmaal onder narcose, voor klaagster aangevraagd. Op 2 oktober 2012 werd de tweede coloscopie bij klaagster verricht. Hierbij werd een maligne tumor in de colon ascendens geconstateerd.
2.7 Op 8 oktober 2012 is een CT-scan gemaakt. Daarbij werden uitzaaiingen in het buikvlies en de rechter long van klaagster geconstateerd.
2.8 Verweerder heeft bij brief van 9 oktober 2012 onder meer het volgende aan de huisarts van klaagster bericht:
“02-10-2012 Coloscopie:
Introductie tot in colon ascendens, aldaar stenoserend niet te passeren proces met maligne kenmerken, (…)
Pa:
Colonslijmvliesbiopt (ascendens): beeld suspect voor adenocarcinoom
(…)
Advies:
Punctie omentale deposities
Verwijzing interne oncologie voor palliatieve chemotherapie.”
2.9 Op verzoek van klaagster heeft verweerder klaagster verwezen naar het G.
2.10 Klaagster is behandeld in het G. Ter terechtzitting van 26 november 2013 heeft klaagster meegedeeld dat zij nog 1,5 week chemotherapie moet ondergaan en dat de tumoren succesvol lijken te zijn bestreden.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder nalatig en onzorgvuldig heeft gehandeld doordat hij geen regie heeft gevoerd en te lang heeft gewacht met het doen van nader onderzoek en het laten verrichten van een coloscopie. Daardoor zijn de kwaadaardige tumor [1] en de uitzaaiingen later dan noodzakelijk ontdekt.
4. Het standpunt van verweerder.
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college
5.1 Vaststaat dat naar aanleiding van de MRI-scan die op 8 december 2011 van klaagster is gemaakt een appendagitis epiploïca is gediagnostiseerd. Verweerder heeft bij het eerste consult op 6 april 2012, gezien de klachten die klaagster presenteerde, te weten een houdingsafhankelijke beurse pijn rechts onderin de buik, en de uitslag van de MRI-scan, die wees op een ontstekingsbeeld, redelijkerwijs kunnen aannemen dat sprake was van nawerkende ontstekingsklachten. Verweerder kan, nu hij gezien het vorenstaande een lage verdenking op ernstige klachten mocht hebben, niet worden verweten dat hij toen geen lichamelijk onderzoek bij klaagster heeft verricht. Het college overweegt hierbij ten overvloede dat lichamelijk onderzoek de kwaadaardige tumor in de dikke darm van klaagster hoogstwaarschijnlijk niet aan het licht had gebracht. Een dergelijke tumor kan vrijwel onmogelijk door lichamelijk onderzoek worden ontdekt. Verweerder heeft voorts voldoende zorgvuldig gehandeld door gelet op de aanhoudende klachten van klaagster en de verhoogde ontstekingswaarden in de ontlasting en in het bloed bij de tweede maal dat hij klaagster zag in juli 2012 een afspraak voor een coloscopie te laten inplannen. Dat de eerste coloscopie op 7 augustus 2012 niet volledig kon worden uitgevoerd wegens pijnklachten van klaagster kan verweerder niet worden aangerekend. Verweerder kan voorts niet worden verweten dat de tweede coloscopie, onder narcose, pas op 2 oktober 2012 kon worden verricht. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat hij in augustus 2012 afwezig was in verband met verlof. Toen verweerder klaagster opnieuw zag op 14 september 2012 heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld door een coloscopie onder narcose aan te vragen, die op 2 oktober 2012 kon worden uitgevoerd. De betreurenswaardige uitslag van die coloscopie heeft verweerder vervolgens kort na 2 oktober 2012 met klaagster besproken. Dat verweerder aan klaagster heeft gemeld dat zij primair zou zijn aangewezen op palliatieve chemotherapie moet voor klaagster een schok zijn geweest. Nu verweerder deze mededeling aan klaagster heeft gedaan nadat hij de situatie van klaagster in het multidisciplinair overleg colorectale carcinomen van 9 oktober 2012 had besproken, kan niet worden gezegd dat verweerder door te spreken over palliatieve chemotherapie onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld.
5.2 De conclusie van het voorgaande is dat verweerder ten aanzien van de ingediende klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt, zodat de klacht zal worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af.
Aldus gewezen op 26 november 2013 door:
mr. M. van Walraven, voorzitter,
P.G.J. Koch, dr. P.J. Wahab, R. Christiano, leden-arts,
mr. W.A.H. Melissen, lid-jurist,
mr. J.W. Rouwendal, als secretaris
en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 21 januari 2014 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
w.g. M. van Walraven, voorzitter
w.g. J.W. Rouwendal, secretaris