ECLI:NL:TGZRAMS:2014:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2013/227
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2014:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-02-2014 |
| Datum publicatie: | 04-02-2014 |
| Zaaknummer(s): | 2013/227 |
| Onderwerp: | Niet of te laat komen |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster dient een klacht in namens haar overleden vader, hierna patiënt genoemd. Klaagster verwijt de huisarts, die dienst had op de huisartsenpost, dat hij te weinig diagnostiek heeft gedaan, een niet juiste diagnose heeft gesteld en verkeerde medicatie heeft voorgeschreven. Patiënt is hierdoor overleden. Berisping |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE AMSTERDAM
Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 18 juni 2013 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te D,
v e r w e e r d e r.
1. Het verloop van de procedure.
Het college heeft kennisgenomen van:
-het klaagschrift met bijlagen ingekomen op 18 juni 2013;
-het antwoord met bijlagen van 29 augustus 2013.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare terechtzitting van 10 december 2013 behandeld. Klaagster was aanwezig bijgestaan door familie. Verweerder was aanwezig.
2. De feiten.
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
1.1. Op 29 oktober 2011 had verweerder als huisarts dienst op de Huisartsen Post (HAP) te E.
1.2. Op 29 oktober 2011 belde de vader van klaagster, F geboren februari 1928 en overleden oktober 2011 en hierna aan te duiden als patiënt, om 02.05 uur met de HAP- E.
1.3. Hij werd allereerst te woord gestaan door de aanwezige assistente (triagiste). Dat telefoongesprek dat, voor zover het haar betreft, werd opgenomen bevat onder meer de volgende passages:
“Met G, goedenacht, wat kan ik voor U doen?
Ja goedenacht met F , H. Ik heb zo’n verschrikkelijke pijn in, ja eh eens even kijken, boven de lies en dat straalt helemaal naar de rug uit he. En dat is zo’n verschrikkelijke pijn. Ik heb al drie eh diclofenac op en vier paracetamol maar het helpt allemaal niet.
En sinds wanneer heeft U dit?
Nou dat begon vanmiddag maar toen was het nog niet erg. En het verergert zich helemaal”
“Is het een pijn die komt en gaat of is het een pijn die continu aanwezig is?
Nee, het is een aanwezige pijn die en ik loop, ik heb geen spat geslapen natuurlijk en ik loop maar heen en weer.
U wordt er onrustig van?
Ja ik loop maar heen en weer omdat ik niet kan liggen.
Ok.
Ik kan gewoon niet liggen, dan doet het veel meer pijn”
“En als u de pijn een cijfer moet geven, van 0 tot 10 en 10 is het ergste, wat geeft u dan voor cijfer?
Nou ja dan denk ik, ja wat is erg, voor mij is het verschrikkelijk erg en zeker een 9/9,5”
“U heeft geen buikpijn?
Nee.
Het is echt meer aan de achterkant en in de liezen.
Het is aan de zijkant, aan die zijkant eigenlijk, en aan die lies, het draait eromheen, om die heup heen zeg maar.”
1.4 Vervolgens heeft de triagiste patiënt doorverbonden met verweerder. Verweerder heeft patiënt gesproken en heeft hem gevolgd in diens suggestie om morfine die hij in huis had voor zijn vrouw te nemen. In de stukken staat daaromtrent :
“(P) ( MEL) neemt nu 10 mg oromorf van echtgenote, bij geen effect contact”.
1.5 Om 03.28 uur heeft patiënt wederom contact met de triagiste. Dat telefoongesprek bevat onder meer de volgende passage:
“Ja goedendag.
Ja ik kom weer terug hoor want het is wel iets afgezakt maar ik kan absoluut niet liggen, en eh het enige wat ik, zitten valt ook niet mee maar het enige wat ik kan doen is lopen”.
Ook nu verbindt de triagiste patiënt door met verweerder. In het telefoongesprek heeft verweerder patiënt te woord gestaan en hem geadviseerd weer morfine te slikken.
1.6 Om 04.59 uur neemt patiënt voor de derde maal telefonisch contact op met de HAP. Hij wordt nu te woord gestaan door een andere triagiste. In het gesprek deelt patiënt onder meer het navolgende mee:
“Meer pijn?
Ja, meer pijn.
Na 2x morfine. U kon niet liggen of zo hoorde ik van mijn collega he?
Nee nee dat kan dat niet, ik kan zelfs niet zitten meer, ik kan alleen staan”.
In het daarop gevolgde gesprek tussen de triagiste en verweerder wordt besloten patiënt naar de HAP te laten komen. De triagiste deelt dat aan patiënt mee.
1.7 Om 05.30 uur wordt patiënt door verweerder gezien op de HAP.
In de stukken is daarover het navolgende opgenomen :
“Contactdatum : 29-10-2011
Deelcontact: ( L13.00) heup symptomen/klachten
(S)REU Het gaat ondanks twee maal morfine alleen maar slechter ….kan eigenlijk alleen nog maar staan.
(O) ( MEL) loopt binnen, niet ziek, pijn mn L SI/ilieum gebied, redelijke functie L heup, niet pijnlijk bij testen, liezen gb, abd : gb.
(E) ( MEL) DD ossale afwijkingen bekken
(P) ( MEL) ivm als heftig ervaren pijn oxycontin, PM verder onderzoek op maandag; xf etc
Medicatie : Oxycontin Tablet MGA 10 mg
4 x per dag 1 tablet, levering van 49 tabletten
Medicatie : Metoclopramide tablet 10 mg
3-4 maal per dag 1 tablet, levering van 12 stuks
Medicatie : Lactulose stroop Sachet 10g
1 maal per dag 20 gram, levering van 200 gram”.
1.8 Op 29 oktober 2011 om 17.28 uur wordt patiënt per ambulance het I binnengebracht. Uit de verklaring van de behandelend specialist blijkt dat patiënt op de eerste hulp ademstilstand heeft gekregen. Er was sprake van respiratoire en circulatoire stilstand waarvoor reanimatie, echter patiënt is overleden.
1.9 Het opgemaakte pathologische verslag vermeldt onder meer :
“Epicrise :
Het betreft 83 jaar oud geworden man na buikpijn klachten waarvoor morfine, verminderd aanspreekbaar. Na EMD zonder succes gereanimeerd. Bij obductie laag abdominaal gerupteerde aneurysma aortae met bloedig retroperitoneaal ( +/-2l) (..)
Conclusie :
83 jaar oud geworden man overleden na ruptuur van aneurysma aorta abdominalis (13 cm diameter).”
3. Het standpunt van klager en de klacht.
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder te weinig diagnostiek heeft gedaan, een onjuiste diagnose heeft gesteld en verkeerde medicatie heeft voorgeschreven. Klaagster stelt dat patiënt daardoor niet de zorg heeft gekregen die hij behoefde en is overleden. Voorts stelt klaagster dat verweerder geen medewerking verleent bij het afhandelen van de civielrechtelijke aansprakelijkheidsstelling.
4. Het standpunt van verweerder.
Verweerder heeft erkend dat hij ten onrechte patiënt pas na het derde telefonisch contact heeft gezien. Hij betreurt dat zijn waarschijnlijkheidsdiagnose onjuist was. Verweerder bestrijdt dat hij geen medewerking wil verlenen aan het verschaffen van inlichtingen.
5. De overwegingen van het college.
Naar het oordeel van het college maakt klaagster verweerder terecht en op goede gronden een aantal verwijten.
Allereerst geldt dat verweerder op basis van de mededelingen van de triagiste gevoegd bij het gesprek dat hij zelf heeft gevoerd met patiënt, niet had mogen ingaan op diens suggestie om morfine te nemen. De door patiënt genoemde klachten (verschrikkelijke pijn bij lies uitstralend naar rug na inname van drie diclofenac en vier paracetamol tabletten) rechtvaardigen geenszins dat – zonder enige verdergaande anamnese en diagnose – het gebruik van morfine werd afgesproken.
Toen nauwelijks een uur later patiënt wederom belde met verergering van de klachten had verweerder nimmer wederom morfine mogen voorschrijven. Op dat moment had hij moeten besluiten, mede in aanmerking genomen de leeftijd van patiënt en het feit dat de pijn in de loop van de middag was begonnen en sedertdien steeds was toegenomen, een visite af te leggen.
Verweerder heeft evenwel daartoe niet besloten en zelfs patiënt na het derde contact om 04.59 uur verzocht naar de HAP te komen terwijl hij redelijkerwijze had kunnen weten hoe moeilijk dat zou zijn voor patiënt gegeven het feit dat hij thuis de zorg had voor zijn demente vrouw en had laten weten zelf niet te durven rijden. Het college acht het onjuist dat verweerder de beslissing om naar de HAP te komen bij patiënt heeft gelaten. Het had op zijn weg moeten liggen zelfstandig te beslissen dat hij een visite zou afleggen.
Naar opvatting van het college had verweerder toen patiënt zich op de HAP vervoegde een uitgebreider onderzoek moeten doen. Het nalaten van het meten van de bloeddruk acht het college, gegeven het ziektebeeld, onbegrijpelijk. In elk geval was de situatie van patiënt toen zodanig dat verweerder patiënt voor verdere diagnose had moeten insturen. Klaagster stelt terecht dat de voorgeschreven medicatie als verkeerd kan worden gekwalificeerd.
Het college laat verder buiten beschouwing het klachtonderdeel dat zich richt op de civielrechtelijke aansprakelijkheid. Verweerder heeft op grond van de stukken en hetgeen hij ter zitting heeft verklaard voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in dit opzicht geen belemmeringen heeft willen opwerpen.
De conclusie is derhalve dat de klacht grotendeels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens patiënt had behoren te betrachten.
Hoewel verweerder in de stukken en ook op de zitting inzicht heeft getoond in zijn wijze van handelen en de praktijkvoering heeft aangepast acht het college de handelwijze van verweerder zodanig ernstig dat alleen na te melden maatregel recht doet aan de ernst van de feiten.
6. De beslissing.
Het Regionaal Tuchtcollege berispt verweerder.
Aldus gewezen op 10 december 2013 door:
mr. F.G. Bauduin, voorzitter,
J.C. van der Molen, J. Edwards van Muijen en P.A.M. Beker, leden-arts,
mr. E.W.M. Meulemans, lid-jurist,
mr. L. Oostinga, als secretaris,
en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 4 februari 2014 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
w.g. F.G. Bauduin, voorzitter
w.g. L. Oostinga, secretaris