ECLI:NL:TGZRAMS:2013:YG2577 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2011/493T
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2013:YG2577 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-01-2013 |
| Datum publicatie: | 22-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | 2011/493T |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de kaakchirurg dat hij hem op onzorgvuldige wijze heeft behandeld door onvoldoende rekening te houden met een röntgenfoto en een brief van klagers tandarts waardoor de zenuwbaan van klager tijdens de behandeling geraakt is. Voorts heeft de kaakchirurg klager onvoldoende gewezen op de risico’s van de behandeling. Waarschuwing |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE AMSTERDAM
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 5 augustus 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle binnengekomen en vervolgens naar dit college doorgestuurde en op 9 december 2011 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a g e r,
tegen
C,
kaakchirurg,
wonende te D,
werkzaam te B,
v e r w e e r d e r,
gemachtigde mr. M.J.J. de Ridder, advocaat te Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- de brief van klager, binnengekomen op 20 september 2011;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de correspondentie betreffende het vooronderzoek;
- een print van een röntgenfoto (orthopantomogram) van het gebit van klager die ter zitting aan het college is overhandigd;
- een verwijsbrief van de tandarts van klager aan de kaakchirurg die ter zitting aan het college is overhandigd.
De klacht is behandeld in raadkamer van 5 juni 2012 alwaar is besloten de zaak voor een nadere toelichting en het overleggen van stukken (waaronder een röntgenfoto van het gebit van klager) te verwijzen naar de zitting. De klacht is op 27 november 2012 behandeld. Partijen waren aanwezig. Verweerder werd bijgestaan door mr. De Ridder voornoemd.
2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Klager is door zijn tandarts verwezen naar de afdeling kaakchirurgie van het E te B (hierna: de afdeling kaakchirurgie) voor het verwijderen van de verstandkiezen in beide zijden van de kaak in verband met reinigingsproblematiek. De tandarts van klager heeft de afdeling kaakchirurgie in dit kader een röntgenfoto (orthopantomogram) van het gebit van klager toegestuurd.
2.2. Op 30 mei 2011 zijn de verstandkiezen rechts (18/48) verwijderd door een collega-kaakchirurg van verweerder. Zowel tijdens als na deze ingreep hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan.
2.3. Op 27 juni 2011 zijn vervolgens de verstandskiezen links (28/38) verwijderd door verweerder. Voorafgaand aan deze ingreep heeft verweerder de röntgenfoto van het gebit van klager bekeken. Verweerder heeft op dat moment geen aanleiding gezien deze foto uitvergroot te bekijken. Tijdens de ingreep hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. Nadien bleef klager echter last houden van een verdoofd en irriterend gevoel aan de linkerkant van zijn onderkaak.
2.4. In verband met voornoemde klachten heeft klager op 1 augustus 2011 het spreekuur van verweerder bezocht. Verweerder heeft ter gelegenheid van dit bezoek de door de tandarts van klager aangeleverde röntgenfoto wel uitvergroot bekeken. Verweerder heeft vervolgens met klager besproken dat zijn klachten waarschijnlijk het gevolg waren van een beschadiging van de zenuw die mogelijk was veroorzaakt door de extractie aangezien verweerder bij uitvergroting van de röntgenfoto had gezien dat de zenuwbaan mogelijk nabij de wortel was gelegen. Een andere mogelijkheid was – aldus verweerder – dat de beschadiging van de zenuw het gevolg was van de toediening van de anesthesie.
2.5. Ter zitting heeft verweerder aangegeven deze laatste mogelijkheid bij nader aanzien niet aannemelijk te achten, met name omdat – zoals klager ter zitting heeft verklaard – klager nog altijd last heeft van een verdoofd en geïrriteerd gevoel in en rondom de linkerkant van zijn onderkaak.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door:
1. klager niet te informeren over de mogelijke risico’s van de door verweerder verrichte ingreep in verband met de ligging van de zenuwbaan ten opzichte van de wortel;
2. bij de ingreep geen rekening te houden met de ligging van de zenuwbaan ten opzichte van de wortel als gevolg waarvan klager nog steeds klachten ervaart.
Klager stelt zich verder op het standpunt dat hij de verwijsbrief van zijn tandarts voorafgaand aan de eerste ingreep op 30 mei 2011 bij de afdeling kaakchirurgie heeft ingeleverd.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Ten aanzien van de verwijsbrief van de tandarts van klager stelt verweerder dat deze zich niet in het medisch dossier van klager bevindt en dat zowel verweerder als zijn collega voorafgaand aan de ingrepen op 30 mei en 27 juni 2011 niet over deze verwijsbrief beschikten. Op de overige stellingen van verweerder wordt – voor zover nodig – hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college
5.1. Het college stelt voorop dat verweerder voorafgaand aan de ingreep op 27 juni 2011 in ieder geval de beschikking had over de röntgenfoto (orthopantomogram) van het gebit van klager. Deze röntgenfoto bevatte voor verweerder in principe voldoende informatie om tot verwijdering van de verstandskiezen aan de linkerkant over te gaan. Aangezien niet is gebleken dat de verwijsbrief van de tandarts van klager meer of andere informatie bevat dan hetgeen op de röntgenfoto zichtbaar is, acht het college het van ondergeschikt belang of verweerder daarnaast ook de verwijsbrief van de tandarts in zijn bezit had. Daarbij is het in zijn algemeenheid ook niet ongebruikelijk – en evenmin verwijtbaar – dat een kaakchirurg overgaat tot het verrichten van de gevraagde ingreep zonder dat hij kennis heeft genomen van de verwijsbrief van de tandarts.
5.2. Op de overlegde print van de röntgenfoto is zichtbaar dat het kanaal waarin de zenuwbaan loopt aan de linkerzijde van de onderkaak een (gedeeltelijke) overprojectie heeft met de wortels van de verstandskies 38. Verweerder heeft dit voorafgaand aan de ingreep ten onrechte niet onderkend althans niet met klager besproken. Als gevolg daarvan heeft verweerder ook verzuimd klager er op te wijzen dat er bij verwijdering van deze verstandkies een verhoogd risico bestond op (tijdelijke of mogelijk zelfs blijvend) zenuwletsel.
5.3. Voornoemde problematiek deed zich aan de rechterzijde niet – althans in veel mindere mate – voor aangezien het kanaal waarin de zenuwbaan loopt aan de rechterzijde van de onderkaak een aanzienlijk minder duidelijke relatie heeft met de wortels van de verstandkies 48. Om die reden kon en mocht verweerder er niet op vertrouwen dat zijn collega-kaakchirurg klager voorafgaand aan de eerdere ingreep rechts op 30 mei 2011 afdoende over de beide ingrepen (rechts èn links) en de daaraan verbonden risico’s had geïnformeerd. Hetgeen kennelijk voor wat betreft de situatie aan de linkerzijde ook niet is gebeurd. Nog los van de vraag of op verweerder ten aanzien van de door hem verrichte ingreep op 27 mei 2011 niet reeds een zelfstandige informatieplicht (ex artikel 7:448 WB) rustte, had verweerder in dit geval – gelet op het wezenlijke verschil op de röntgenfoto tussen links en rechts – klager voorafgaand aan het verwijderen van de verstandkies linksonder (38) over de ingreep en het daaraan verbonden risico op eventueel zenuwletsel moeten informeren. Het enkele feit dat klager voorafgaand aan de ingreep door verweerder desgevraagd heeft aangegeven geen verdere vragen te hebben doet daar niet aan af, nu klager wezenlijke informatie niet had gekregen.
5.4. Het college is het wel met verweerder eens dat – ook al zou het risico op zenuwletsel tijdig zijn onderkend – dit niet tot een andere (uitvoering van de) behandeling zou hebben geleid dan thans door verweerder is verricht. Het verhoogde risico op zenuwletsel was bovendien ook niet dusdanig dat verweerder in zijn geheel van de verwijdering van de verstandkies linksonder af had moeten zien. Door klager echter niet op dit risico te wijzen, heeft klager niet de mogelijkheid gehad om eventueel zelf te besluiten van de verwijdering van de verstandskies linksonder af te zien, hetgeen op grond van de aard van de klachten (reinigingsproblematiek) niet ondenkbaar was geweest.
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.
De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege waarschuwt verweerder.
Aldus gewezen op 27 november 2012 door:
mr. E.A. Messer, voorzitter,
F.S. Kroon, E.M.J. Muller, R. Rowel, leden-beroepsgenoten,
mr. A. Wilken, lid-jurist,
mr. B.P.W. Busch, als secretaris,
en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 22 januari 2013 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
w.g. E.A. Messer, voorzitter
w.g. B.P.W. Busch, secretaris