ECLI:NL:TGZRAMS:2013:YG2576 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2011/272T
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2013:YG2576 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-01-2013 |
| Datum publicatie: | 22-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | 2011/272T |
| Onderwerp: | Onjuiste declaratie |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de tandarts dat hij niet heeft gehandeld in overeenstemming met de jegens hem te betrachten zorgvuldigheid door onder andere op ondeugdelijke wijze te declareren en geen behandelplan op te stellen. Waarschuwing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE AMSTERDAM
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 28 juli 2011 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a g e r,
gemachtigde mr. A.F. Tromp, advocaat te Amsterdam,
tegen
C, tandarts,
wonende te D,
v e r w e e r d e r,
gemachtigde mr. S. Springer.
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het aanvullend klaagschrift met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlage;
- de repliek;
- de dupliek;
- de correspondentie betreffende het vooronderzoek;
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De klacht is ter openbare terechtzitting van 27 november 2012 behandeld. Partijen waren aanwezig.
Klager werd bijgestaan door mr. Tromp en verweerder door mr. Springer. Mr. Springer heeft een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is overgelegd.
2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Klager is in behandeling geweest bij verweerder gedurende de periode 5 juni 2007 tot 13 januari 2009. In deze periode zijn vergaande voorbereidingen getroffen om te komen tot een definitieve gebitsrehabilitatie van klager.
2.2. Partijen werkten zakelijk samen. Aan deze samenwerking is op enig moment in de hiervoor genoemde periode een einde gekomen. Vervolgens zijn partijen, althans de aan hen gelieerde ondernemingen, in verschillende juridische procedures verwikkeld geraakt.
2.3. In 2009 heeft verweerder getracht een factuur ten bedrage van 10.504,50 euro (hierna: “de grote factuur”) bij klager te incasseren. De factuur vermeldt behandelingen gedaan op 5 november 2007 in verband met de gebitsrehabilitatie. Klager heeft geweigerd te betalen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de gebitsrehabilitatie door verweerder kosteloos zou worden uitgevoerd, bij wijze van verjaardagscadeau aan klager. Verweerder heeft de incasso uiteindelijk gestaakt.
2.3. Op 18 maart 2011 heeft de Centrale Klachtencommissie van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (hierna: de CKC) een aantal klachten van klager tegen verweerder gegrond verklaard. Deze klachten zagen onder meer op de hiervoor genoemde behandeling en op een declaratie van verweerder aan klager van 20 november 2008 ter hoogte van 1.308,20 euro (hierna: “de kleine factuur”).
3. De klacht
De klacht, die ter zitting op een groot aantal onderdelen is ingetrokken (waaronder alle klachten met betrekking tot “de grote factuur”), houdt thans zakelijk weergegeven in dat de hiervoor in 2.3. genoemde “kleine factuur” van 20 november 2008 onjuiste codes en verrichtingen vermeldt.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college
5.1. Verweerder heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de CKC dezelfde klacht reeds eerder heeft beoordeeld en gegrond heeft verklaard. Klager heeft geen redelijk belang bij het nogmaals voorleggen van de klacht aan het college. Door dat toch te doen is er volgens verweerder sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel.
5.2. Het college volgt verweerder hierin niet. Het staat klager, bij gebreke van een andersluidende rechtsregel, vrij om zijn klacht niet alleen voor te leggen aan de CKC maar ook aan de tuchtrechter, in dit geval het college. Het college kan bovendien, anders dan de CKC, tuchtrechtelijke maatregelen opleggen, hetgeen voor klager kennelijk een van de redenen is geweest de klacht ook aan het college voor te leggen. Van strijd met het ne bis in idem-beginsel is geen sprake, nu de handelwijze van verweerder nog niet eerder tuchtrechtelijk is beoordeeld.
5.3. Thans ligt ter beoordeling voor de juistheid van de “kleine factuur” van 20 november 2008. Uitgangspunt daarbij is de tariefbeschikking van de Nederlandse Zorgautoriteit 5300-1900-8-2 van 10 december 2007.
5.4. Klager heeft in de eerste plaats betwist dat sprake was van een gecompliceerde extractie (code H35). Nu verweerder dit heeft ontkend en het college niet kan vaststellen aan wiens zijde het gelijk in deze ligt, zal dit deel van de klacht ongegrond worden verklaard. Klager heeft voorts aangevoerd dat geen kroonverlenging heeft plaatsgevonden, noch een tuber- of retromolaarplastiek, zodat de codes T87 en T81 niet hadden mogen worden opgevoerd. Door verweerder is dit niet weersproken, zodat de klacht op dit onderdeel gegrond is. Het college stelt voorts vast dat de code E37 ten onrechte is gedeclareerd, nu geen sprake was van een aparte diagnostische behandeling maar er op dezelfde datum verdere behandelingen zijn uitgevoerd aan element 26. Evenzeer onjuist is de gedeclareerde code E63, nu deze code uitsluitend bij onvolgroeide (pas doorgebroken) elementen mag worden opgevoerd. Tot slot zijn de gedeclareerde techniek/materiaalkosten van 500 euro veel te hoog, nu volgens het college, gelet op de aard en omvang van de verrichtingen, maximaal 100 euro gedeclareerd had mogen worden. Dit bedrag betreft de geschatte kosten van Mineral Trioxide Aggregate (MTA).
5.5. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht grotendeels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.
5.6. Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt het college dat van klager als tandarts mag worden verwacht dat hij bij het in rekening brengen van kosten voor door hem verrichte behandelingen en het opstellen van de daarop betrekking hebbende nota's de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht neemt. Patiënten moeten er op kunnen vertrouwen dat de nota's zijn opgemaakt conform de uitgevoerde verrichtingen en de geldende tarieven. Indien daarbij fouten worden gemaakt, dienen deze zo spoedig mogelijk te worden gecorrigeerd. Anderzijds is door klager ter zitting erkend dat het aanhangig maken van de onderhavige klacht bij het college met name is ingegeven door een persoonlijke vete tussen klager en verweerder, kennelijk naar aanleiding van de verbroken zakelijke relatie en de daaruit voortgekomen juridische procedures. Ook neemt het college in aanmerking dat niet duidelijk is geworden of klager die de factuur destijds meteen heeft betaald, verweerder daarna voldoende duidelijk en expliciet op zijn bezwaren tegen de factuur heeft gewezen. Het college gaat er om die reden vanuit dat verweerder geen gelegenheid heeft gehad de factuur daar waar nodig te corrigeren voordat klager een officiële klacht indiende. Alles afwegende is het college van oordeel dat een waarschuwing in dit geval een passende en geboden maatregelis.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege waarschuwt verweerder.
Aldus gewezen op 27 november 2012 door:
mr. E.A. Messer, voorzitter,
F.S. Kroon, E.M.J. Muller en R. Rowel, leden-beroepsgenoot,
mr. A. Wilken, lid-jurist,
mr. B.P.W. Busch, als secretaris,
en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 22 januari 2013 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
w.g. E.A. Messer, voorzitter
w.g. B.P.W. Busch, secretaris