ECLI:NL:TGZRAMS:2013:YG2536 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2012/147vP
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2013:YG2536 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-01-2013 |
| Datum publicatie: | 08-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | 2012/147vP |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | De IGZ verwijt de verpleegkundige grensoverschrijdend gedrag bij twee cliënten die aan zijn zorg waren toevertrouwd, onder andere door zich zonder noodzaak in de privésfeer van cliënten te begeven. Doorhaling. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE AMSTERDAM
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 3 april 2012 binnengekomen klacht van:
Inspectie voor de Gezondheidszorg,
werkgebied A,
namens deze B en C te D,
k l a a g s t e r,
tegen
E,
verpleegkundige,
wonende te F,
destijds werkzaam te F,
v e r w e e r d e r.
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift;
- de correspondentie betreffende het vooronderzoek;
- de brief van klager van 25 september 2012, binnengekomen op 26 september 2012.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare terechtzitting van 13 november 2012 behandeld.
Partijen waren aanwezig. B en C hebben een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota, die aan het college is overgelegd.
2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1 Verweerder is tot 1 maart 2010 als verpleegkundige werkzaam geweest bij G, een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking; vanaf 1 maart 2010 tot 1 juli 2011 is verweerder werkzaam geweest bij H, een thuiszorgorganisatie en vanaf 19 september 2011 tot 1 juli 2012 is hij werkzaam geweest bij de I, een zorginstelling voor ouderen, te D.
2.2 Bij de Inspectie zijn twee meldingen binnengekomen betreffende grensoverschrijdend seksueel gedrag van verweerder. Melding 34742 is gedaan op 21 mei 2011 door een zus van een cliënte van H. Melding 21484 is eerder gedaan op 8 december 2009 door een collega van verweerder toen hij bij G werkzaam was.
2.3 Melding 21484 hield het volgende in: een collega trof een (verstandelijk gehandicapte) cliënt (op zijn slaapkamer) aan met zijn broek op zijn hielen, rechtop staande aan het voeteneinde aan de lange zijde van het bed. Cliënt leunde met zijn armen op het bed. Daarachter stond verweerder die ook zijn broek op zijn hielen had. Verweerder stond dicht tegen client aan. Er werden geen seksuele activiteiten en geen erectie bij verweerder gesignaleerd. Het incident vond plaats op 12 november 2009, in een appartementencomplex/woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking. Verweerder was toen in dienst bij G. Na dit incident heeft een gesprek plaatsgevonden met verweerder, waarna het vertrouwen van G in verweerder onherstelbaar beschadigd was omdat hij er geen blijk van gaf inzicht te hebben in de ernst van de verdenking van zijn onprofessioneel handelen. Er is geen aangifte gedaan. De arbeidsovereenkomst met verweerder is per 1 maart 2010 door de kantonrechter ontbonden.
In een brief van 2 september 2010 van de Inspectie aan verweerder, waarbij ook het definitieve verslag van dit incident is vastgesteld, is onder meer vermeld: In verband met haar toezichthoudende taak op de kwaliteit van de zorg in instellingen en de kwaliteit van zorgverlening door individuele beroepsbeoefenaren, verzoekt de inspectie u haar te informeren wanneer (en waar) u een nieuw dienstverband in de gezondheidszorg heeft aanvaard. (…) In het geval de inspectie in de toekomst nogmaals meldingen ontvangt waarbij uw betrokkenheid wordt genoemd, dan zal deze onderhavige melding worden meegenomen in de beoordeling van die eventuele nieuwe meldingen.
2.4 Melding 34742 betreft een klacht van de zus van cliënte en de thuiszorginstelling. Cliënte (geboren 2 september 1985) had een indicatie voor zorgverlening wegens dwangneurose (en angsten), wat inhield dat zij onder meer (lichamelijke) ondersteuning kreeg bij het douchen en aankleden. Verweerder heeft haar verzorgd vanaf medio juni 2010 tot medio december 2010. De indicatie voor thuiszorg was toen afgelopen. Op 15 januari 2011 belde verweerder bij cliënte aan vroeg hoe het met haar ging. Binnengekomen hebben zij met elkaar gepraat en op een gegeven moment heeft verweerder cliënte geholpen met douchen. Toen zij onder de douche stond is verweerder, die ook naakt was, bij haar onder de douche gaan staan en heeft haar gewassen. Op 22 januari 2011 vond iets soortgelijks plaats; tijdens het douchen heeft verweerder seksuele handelingen verricht. Op 21 februari 2011 heeft cliënte aangifte gedaan bij de politie. Daarna is de melding aan de Inspectie gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak geseponeerd.
Verweerder heeft een andere versie van de (gestelde) feiten in de melding. In samenspraak met H heeft hij per 1 juli 2011 zijn dienstverband aldaar beëindigd.
3. De klacht en het standpunt van de Inspectie
De klacht betreft de volgende onderdelen.
1. Grensoverschrijdend handelen van verweerder in de casus van melding 21484 door zonder dat zulks is toegestaan gebruik te maken van de privé-vertrekken van een client.
2. Onprofessioneel handelen in de casus van melding 21484 door zonder de client eerst te verzorgen door hem zijn luier aan te doen, voorrang te geven aan zijn eigen aandrang om te urineren waardoor hij client ongekleed in een voor hem niet veilige situatie, immers hij was bekend met vallen, achterliet.
3. Grensoverschrijdend handelen door de verpleegkundige in de casus van melding 34742 door in zijn vrije tijd bij een cliënte onaangekondigd aan te bellen en binnen te gaan terwijl er met deze cliënte geen zorgverleningsovereenkomst meer was en haar als gebruikelijk in de voorbije zorgovereenkomst te helpen met het douchen. Hij heeft zich hierdoor in strijd met de code zonder noodzaak begeven in de privésfeer van cliënte (art. 2.11 en 2.12 van de Nationale Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden).
4. Het standpunt van verweerder
4.1 Verweerder geeft voor de casus van melding 21484 de volgende lezing van de feiten: cliënt gebruikte een incontinentieluier. Verweerder had cliënt op zijn toilet in zijn appartement gezet en was naar een andere cliënt gegaan. Toen hij terugkeerde heeft hij cliënt van het toilet geholpen en bij het bed neergezet, zonder luier of pyjamabroek aan. Op dat moment moest verweerder naar het toilet waarbij hij gebruik heeft gemaakt van het toilet in het appartement van client. Terwijl hij voor het toilet stond zag hij uit zijn ooghoek dat cliënt dreigde te vallen; cliënt viel ook regelmatig. Hij snelde vervolgens naar cliënt toe en trachtte zijn onderbroek en spijkerbroek snel en slordig op te halen, maar die zakten af. In die houding, terwijl hij (met ontblote onderkant) achter tegen de ontblote cliënt aan stond om hem vast te houden ter voorkoming van wegglijden, werd hij gezien door een collega. Hij werkte al 17 jaar voor de zorginstelling en er zijn in die periode nooit klachten over hem geweest.
4.2 Verweerder geeft voor de casus van melding 34742 de volgende lezing van de feiten: op zaterdagochtend 15 januari 2011 is hij bij cliënte langs gegaan. Zij deed de deur voor hem open en liet hem binnen. Ze voelde zich rot. Op een gegeven moment gaf zij aan dat zij wilde douchen, waarop verweerder vroeg of zij het prettig vond als hij haar hielp. Daarop zei zij “ja”. Hij heeft haar niet omhelsd of gekust. Hij hielp haar (wel) met wassen en afdrogen, omdat zij blokkeerde bij het functioneren. Daarna heeft hij afscheid genomen en is weggegaan. Nadien is hij niet meer bij haar langs gegaan, dus ook niet op de 22e januari 2011.
4.3 Verweerder ontkent dat er sprake is geweest van seksueel overschrijdend gedrag in de casus van melding 34742. Hij begrijpt wel goed dat de twee beschreven casus niet voor herhaling vatbaar zijn en strijdig zijn met een aantal professionele normen. Hij is zich ervan bewust dat het college er niet aan ontkomt om enige vorm van een maatregel op te leggen. Hij is doende een werkkring te zoeken buiten de zorgsector.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college stelt voorop dat de Nationale Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden hier van toepassing is. De hier met name van toepassing zijnde bepalingen betreffen art. 2.11: “als verpleegkundige/verzorgende respecteer en bescherm ik de privacy van de zorgvrager” en art. 2.12: “als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager professionele grenzen in acht. Voorts zijn uiteraard de tuchtrechtelijke normen van toepassing zoals neergelegd in art. 47 lid 1 Wet BIG.
5.2 In de casus van melding 21484 gaat het om een kwetsbare, (ernstig) gehandicapte cliënt (volgens de stukken functioneert hij op het niveau van een peuter). Deze cliënt kan niet vertellen wat er gebeurd is. De versie die verweerder vertelt over de situatie waarin hij aangetroffen werd (zie 4.1) acht het college ongeloofwaardig. Deze feiten wijzen in de richting van een voornemen van seksueel misbruik, doch hiervoor is geen (ander) bewijs voorhanden nu verweerder een ander verhaal geeft voor de, toch wel compromitterende, feitelijke situatie waarin hij zich bevond. Begrijpelijk is dat de zorginstelling G geen vertrouwen meer had in verweerder en daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gevraagd. Blijft over dat wel vast staat dat verweerder in de sanitaire ruimte van een client, die op korte afstand met een ontbloot onderlijf staat - in een hulpeloze toestand, de fatsoensnormen genoemd in art. 2.11 van de Nationale Beroepscode heeft overschreden. Dit is verweerder tuchtrechtelijk aan te rekenen.
5.3 In de casus van melding 34742 gaat het eveneens om een kwetsbare, jonge cliënte die thuis zorg behoeft. Haar lezing van de feiten kan niet bewezen worden nu verweerder die lezing van de feiten ontkent. (Het sepot van het OM is vanuit dat licht bezien te begrijpen.) Blijft over dat verweerder onaangekondigd, in zijn vrije tijd bij cliënte thuis langs is gegaan en haar heeft geholpen met douchen door haar te wassen, af te drogen en aan te kleden Door zijn handelen heeft hij art. 2.11 en 2.12 van de Nationale Beroepscode overschreden. Dit is verweerder tuchtrechtelijk aan te rekenen.
Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij de overtuiging heeft dat een zorgverlener ook buiten de professionele dienstverlening een cliënt moet kunnen bezoeken. Hij licht toe dat hij wel vaker in privé bij cliënten thuis langs is geweest als hij, net als bij deze cliënte, ‘een klik’ met hen voelde. Hij stelt dat hij zich voor haar verantwoordelijk voelde en aan haar welzijn heeft gedacht; ze had die 15e januari 2011 duidelijk hulp nodig, aldus verweerder. In dit licht bezien bevreemdt het het college dat verweerder vervolgens ná zijn bezoek aan cliënte, geen contact heeft opgenomen met zijn werkgever, de thuiszorgorganisatie om zijn zorgen over cliënte te delen. Hij heeft eenvoudigweg niets gemeld, zo bleek ter zitting, terwijl hij zelf vertelt dat het niet goed ging met cliënte, Dit is hem aan te rekenen en kan als nalatig handelen beschouwd worden. Dan blijft de vraag open staan bij het college wat dan wél de reden is geweest van zijn (onverwachte) bezoek op zaterdagochtend. Uit de feitelijke gebeurtenissen van de 15e januari 2011 en zijn toelichting ter zitting kan het college niets anders afleiden dan dat hij niet in het belang van cliënte heeft gehandeld door haar (onverwacht) op zaterdagochtend te bezoeken, haar te helpen met wassen en aankleden en vervolgens daarna niets meer van zich te laten horen en ook zijn zorgen over cliënte niet te melden aan de personen of instanties die handelend zouden kunnen optreden. Of verweerder ook de 22e januari 2011 bij cliënte is langs geweest, kan het college niet vaststellen nu verweerder dit weerspreekt.
5.4 Voorts is verweerder tuchtrechtelijk aan te rekenen dat hij zich niet toetsbaar heeft opgesteld jegens de Inspectie door niet te melden dat hij, na de casus van melding 21484 en nadat hij de zorginstelling had verlaten, een andere baan had gevonden in de zorgsector. Pas na een schriftelijk rappel van de zijde van de Inspectie heeft verweerder hierop gereageerd. Juist in deze situatie, waarin verweerder solo werkt met kwetsbare mensen en dan ook nog in de privésfeer thuis van cliënten, had verweerder zich bewust moeten zijn van het belang van deze melding.
5.5 Ter zitting heeft verweerder op vragen van het college niet (overtuigend) duidelijk gemaakt dat hij van deze twee casus heeft geleerd. Hij heeft aangevoerd dat hij niet meer in de zorg werkzaam wil zijn en niet meer in 1-op-1 situaties wil belanden om herhaling te voorkomen. Op een vraag van het college en de Inspectie welke herhaling verweerder dan wil voorkomen, antwoordde verweerder dat hij niet voor de derde keer een klacht wil krijgen. Met dit antwoord toont verweerder aan niet over voldoende reflectie te beschikken om echt naar de inhoud en reikwijdte van zijn handelen te kijken, bezien vanuit de professie die van een verpleegkundige verwacht mag worden. Verweerder heeft de indruk gewekt niet in het belang van cliënten in de beschreven casus te hebben gehandeld. Hij heeft zich in beide casus niet bekommerd om de eventuele gevolgen van zijn handelen voor betreffende cliënten. Het college betwijfelt of sprake is van voldoende reflectief vermogen van verweerder. Een en ander baart het college zorgen.
5.6 De klachtonderdelen zijn alle gegrond; de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn ernstig. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens zijn (kwetsbare) cliënten had behoren te betrachten.
5.7 Niet bewezen kan worden dat verweerder seksuele intenties had met zijn handelen, maar daartegenover staat dat de verklaring van verweerder in casus 21484 weinig geloofwaardig is. In deze zaak kan de cliënt geen verklaring afleggen over hetgeen voorgevallen is, omdat zijn verstandelijke vermogens (zeer) beperkt zijn; in de tweede casus kon cliënte niet ter zitting verschijnen, zo verklaarde de Inspectie, omdat zij daartoe geestelijk niet in staat is. In beide casus gaat het in ieder geval om kwetsbare personen, die aan de zorgen van verweerder waren toevertrouwd; in beide casus heeft verweerder solo gehandeld – en in die gevallen draait het altijd om het woord van de een tegenover het woord van de ander.
Het college heeft er geen vertrouwen in dat verweerder in de toekomst in staat is om zijn werk als verpleegkundige naar de (tuchtrechtelijke) normen te kunnen verrichten, nu hij geen reflectie heeft op zijn handelen en met een minder verstrekkende maatregel (bijvoorbeeld onder voorwaarden) toch een risico blijft bestaan dat verweerder solo mensen zal moeten behandelen/verplegen/verzorgen (nachtdiensten, weekenddiensten of andere onverwachte situaties). Het college zal dan ook overgaan tot het opleggen van de zwaarste maatregel.
5.8 Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege gelast de doorhaling van verweerder als verpleegkundige in het BIG-register.
Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG
in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact en in de verpleegkundige tijdschriften ‘Bijzijn’, Nursing, TVZ, Tijdschrift LVW met het verzoek tot plaatsing.
Aldus gewezen op 13 november 2012 door:
mr. R.A. Dozy, voorzitter,
drs. J.F. Hensbergen, D.M. van Etten en J.J.A. Willems, leden-verpleegkundigen,
mr. W.A.H. Melissen, lid-jurist,
mr. S.S. van Gijn, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 8 januari 2013 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
w.g. R.A. Dozy, voorzitter
w.g. S.S. van Gijn, secretaris