ECLI:NL:TGZRAMS:2012:YG2394 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2012/034

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2012:YG2394
Datum uitspraak: 06-11-2012
Datum publicatie: 06-11-2012
Zaaknummer(s): 2012/034
Onderwerp:
  • Geen of onvoldoende zorg
  • Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klaagster verwijt de gynaecoloog de diagnose macrosomie te hebben gemist;ten onrechte geen keizersnede te hebben overwogen en onvoldoende tijd aan de bevalling van klaagster te hebben besteed. Afwijzing.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE AMSTERDAM

Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 31 januari 2012 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

tegen

C,

arts,

wonende en werkzaam te B

v e r w e e r d e r,

gemachtigde mr. S.M. Steegmans, advocaat te Utrecht.

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift;

-                     het verweerschrift met de bijlagen;

-                     de repliek;

-                     de dupliek;

-                     de correspondentie betreffende het vooronderzoek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De klacht is ter openbare terechtzitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Verweerder werd bijgestaan door

mr. Steegmans voornoemd.

2. De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1       Verweerder is als gynaecoloog verbonden aan het D te B, verder te noemen: het ziekenhuis.

2.2       Tijdens de zwangerschap van haar eerste kind is klaagster begeleid door de eerstelijnsverloskundige. De à terme datum was 20 juni 2003. Op 12 juni 2003 noteerde de verloskundige op de patiëntenkaart: "40 kg aangekomen in grav!" .  

2.3       Op 7 juni 2003, bij een amenorroeduur van 38 weken en één dag, is klaagster omstreeks 07.00 uur spontaan in partu geraakt. Zij is vervolgens om 14.10 uur opgenomen in het ziekenhuis. Bij inwendig onderzoek was er 7 cm ontsluiting.

2.4       Om 15.20 uur had klaagster een ontsluiting van 8 cm en om 16.45 uur volledige ontsluiting, waarna klaagster mocht mee persen.

2.5       Om 17.30 uur heeft de eerstelijnsverloskundige klaagster wegens een secundaire weeënzwakte en een niet vorderende uitdrijving overgedragen aan verweerder, die dienst had. In het baringsverslag noteerde verweerder bij zijn onderzoek een forse uitzetting. Bij vaginaal toucher was het hoofd ingedaald op H2 en was er een caput succedaneum. Klaagster kreeg een infuus met Syntocinon.

2.6       Om 18.00 uur heeft verweerder klaagster opnieuw gezien en onderzocht. Klaagster had meer persdrang en bij vaginaal toucher was het hoofd verder ingedaald.

2.7       Om 18.30 uur noteerde verweerder in het baringsverslag: "moe ++ cap H3 ..cap succ CTG (…) pate kan niet meer besloten tot VE cup 5 2 tracties vlot cap tot ½ ! →schouderdystocie; enorm lastig mcRoberts lukt niet; later wel afhalen achterste arm (re) + roteren schoudergordel".

2.8       Om 18.46 uur is klaagster bevallen van een zoon E. Zijn geboortegewicht was 5305 gram. Er was een Apgarscore van 2/6/8 en een pH-navelarterie van 7.10. Bij onderzoek van E stelde verweerder vast dat de linkerarm slap was.

2.9       Wegens een incomplete placenta heeft verweerder klaagster daarna geopereerd, waarbij de placenta is verwijderd en de epistomie met een vaginawandruptuur is overhecht.

2.10     Op 9 juni 2003 heeft een gesprek tussen klaagster en verweerder plaatsgevonden. Klaagster is daarna uit het ziekenhuis ontslagen. E is later overgeplaatst naar het F te G, waar een Erbse paralyse links werd vastgesteld. Na therapie en meerdere operaties is hiervan geen herstel opgetreden.    

3. De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tijdens de bevalling is tekortgeschoten in de zorg die klaagster van hem mocht verwachten waardoor bij E een schouderdystocie is opgetreden. Zij heeft in de stukken de volgende klachtonderdelen naar voren gebracht:

1.         verweerder heeft -ondanks dat bij klaagster sprake was van fors oedeem en klaagster 40 kg in gewicht was aangekomen- de diagnose macrosomie gemist en ten onrechte geen keizersnede overwogen;

2.         verweerder heeft niet de risico’s van een vaginale bevalling met klaagster besproken en heeft zonder klaagsters toestemming een vacuümextractie verricht;

3.         verweerder heeft onvoldoende tijd besteed aan de bevalling.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De overwegingen van het college

5.1 De drie klachtonderdelen hebben betrekking op de wijze waarop verweerder de bevalling in medisch-technisch opzicht heeft begeleid nadat hij de zorg voor klaagster en haar ongeboren zoon op 7 juni 2003 om 17.30 uur wegens een secundaire weeënzwakte heeft overgenomen van de eerstelijnsverloskundige. Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 

5.2 Bij de beoordeling van deze klachtonderdelen neemt het college het volgende in aanmerking. Vast staat dat E een geboortegewicht van 5305 gram had en dat tijdens de bevalling een schouderdystocie is opgetreden. De vraag is of verweerder, gelet op het geboortegewicht van E, in een eerder stadium tot een keizersnede in plaats van een vacuümextractie had moeten besluiten. Verweerder heeft aangevoerd dat hij om 17.30 uur bij uitwendig onderzoek het foetale gewicht van het ongeboren kind op ongeveer 4500 gram heeft geschat en dat hij –ondanks het feit dat het om een groot kind ging- op goede gronden (goede indaling en normale stand van het hoofd) heeft overwogen dat een vaginale bevalling middels een vacuümextractie mogelijk was. Verweerder heeft in dat verband aangevoerd dat na correctie van de weeënzwakte met een kleine hoeveelheid Syntocinon het hoofd van het kind na een relatief eenvoudige vacuümextractie met twee tracties vlot geboren is. Deze lezing van verweerder wordt gesteund door zijn aantekeningen in het baringsverslag zoals weergegeven onder 2.7. Met verweerder is het college van oordeel dat hij in de gegeven omstandigheden een gebruikelijk beleid heeft gevolgd dat in dit geval ook goed verdedigbaar was. Dit beleid is ook overeenkomstig de NVOG-richtlijn "schouderdystocie" waarin staat vermeld dat een preventieve maatregel, zoals een keizersnede, niet is geïndiceerd en dat het optreden van een schouderdystocie een niet-voorzienbare complicatie is. Uit dit laatste volgt ook dat het verweerder niet valt aan te rekenen dat hij deze complicatie niet met klaagster heeft besproken. Toen de aanwijzingen voor een schouderdystocie er waren, heeft verweerder vervolgens adequaat gehandeld door de in de richtlijn aanbevolen manoeuvres uit te voeren. Deze klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.

5.3  Voor klachtonderdeel 2 wordt nog het volgende overwogen. Verweerder betwist dat hij zonder toestemming van klaagster een vacuümextractie heeft verricht. Het college kan, nu de verklaringen van partijen daarover verschillen en daarvan tevens een aantekening in het dossier ontbreekt, niet vaststellen of het is gegaan zoals klaagster heeft gesteld, maar dat kan in het midden blijven. Ingevolge artikel 7:451 BW moet de arts de door de patiënt gegeven toestemming in ieder geval in het dossier vastleggen als het gaat om verrichtingen van ingrijpende aard. Dat verweerder heeft nagelaten daarvan een aantekening in het dossier te maken, is onvoldoende om hem daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken, nu het, zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen, een relatief eenvoudige vacuümextractie betrof. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.4 Tot slot heeft het college, gelet op de inhoud van het baringsverslag, geen aanwijzingen dat verweerder, zoals klaagster heeft gesteld, onvoldoende tijd heeft besteed aan de bevalling. Het derde klachtonderdeel is ook in zoverre ongegrond.   

5.5 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af.

Aldus gewezen op 11 september 2012 door:

mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter,

J. van Asma, dr. J. Bellaar Spruyt en dr. J.P. Lips, leden-arts,

mr. A. Wilken, lid-jurist,

mr.   P. Tanja, als secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 6 november 2012 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

w.g. J.S.W. Holtrop, voorzitter

w.g. P. Tanja, secretaris

Voor mededelingen omtrent hoger beroep zie aangehecht blad.