ECLI:NL:TGZCTG:2026:51 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2839

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:51
Datum uitspraak: 25-03-2026
Datum publicatie: 26-03-2026
Zaaknummer(s): C2025/2839
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een radioloog. Klager is de weduwnaar van klaagster in eerste aanleg (hierna: patiënte). Patiënte is in januari 2022 in verband met een zwelling in de rechterborst en pijnklachten door haar huisarts verwezen naar de afdeling radiologie van het ziekenhuis waar de radioloog werkt. Na verergering van de klachten en groei en toename van de zwellingen is zij nogmaals naar de afdeling radiologie en later naar de mammapoli chirurgie doorverwezen. Zij stond onder behandeling van een physician assistant en er zijn meerdere echo-onderzoeken uitgevoerd en drainages verricht door verschillende radiologen. Vanaf het eerste consult in het ziekenhuis is gedurende acht maanden uitgegaan van lactatieadenomen/galactocèles. Uiteindelijk bleek patiënte een zeldzame vorm van een (agressieve) borstkanker te hebben en is zij aan de gevolgen daarvan overleden. De radioloog wordt onder meer verweten dat hij onvoldoende onderzoek heeft verricht en geen volledige diagnose heeft gesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht voor een gedeelte gegrond verklaard en aan de radioloog daarvoor de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en zal het beroep verwerpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2839 van:
A., wonende in B., appellant, weduwnaar van: C. (klaagster in 
eerste aanleg), gemachtigde: D.,
        
tegen

E., radioloog, werkzaam in F., verweerder in beide instanties,
hierna: de radioloog, gemachtigden: mr. drs. E.E. Rippen en 
mr. S.J. Muntinga, werkzaam te Utrecht. 
            
1.    De kern van de zaak
1.1    De echtgenote van appellant, mevrouw C. is in januari 2022 in verband met een zwelling in de rechterborst en pijnklachten door haar huisarts verwezen naar de afdeling radiologie van het ziekenhuis waar de radioloog werkt. Na verergering van de klachten en groei en toename van de zwellingen is zij nogmaals naar de afdeling radiologie en later naar de mammapoli chirurgie doorverwezen. Zij stond onder behandeling van een physician assistant en er zijn meerdere echo-onderzoeken uitgevoerd en drainages verricht door verschillende radiologen. Vanaf het eerste consult in het ziekenhuis is gedurende acht maanden uitgegaan van lactatieadenomen/ galactocèles. Uiteindelijk bleek Mevrouw C. een zeldzame vorm van een (agressieve) borstkanker te hebben en is zij aan de gevolgen daarvan overleden. De radioloog wordt onder meer verweten dat hij onvoldoende onderzoek heeft verricht en geen volledige diagnose heeft gesteld.

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam heeft de klacht op 7 mei 2025 voor een gedeelte gegrond verklaard en aan de radioloog daarvoor de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en zal het beroep verwerpen.     

2.    Verloop van de procedure in beroep
2.1     De gemachtigde van mevrouw C. heeft namens haar op tijd beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam van 7 mei 2025 met nummer A2024/7334 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:112). Mevrouw C. is na sluiting van het schriftelijke gedeelte van de procedure in beroep overleden. Haar echtgenoot zet de klacht voort. 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier bij het Regionaal Tuchtcollege, van het beroepschrift en het verweerschrift in beroep. 

2.3    De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 januari 2026 behandeld. Namens de weduwnaar van mevrouw C. is verschenen D.. Ook de radioloog was op de zitting aanwezig. De radioloog werd tijdens de zitting bijgestaan door mr. Rippen en mr. Muntinga. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen die D. daarbij heeft gebruikt, zijn aan het dossier toegevoegd.

3.    De feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals in de
beslissing van het Regionaal Tuchtcollege uiteengezet, met een enkele aanvulling.

3.2    Mevrouw C. is medio december 2021 bevallen van haar zoontje. Op 20 januari 2022 is zij door haar huisarts doorverwezen naar de afdeling radiologie van het ziekenhuis G. (hierna: het ziekenhuis) met als vraagstelling (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven): ‘Palpabele massa in borst R, zichtbaar door de huid. Geeft sinds 5 wkn borstvoeding, massa niet kleiner bij kolven of masseren.’ Uit lichamelijk onderzoek bleek het volgende: ‘Mamma R: zichtbare afwijking in RBQ, subcutane harde gladde zwelling palpabel, vastzittend aan de onderlaag, ong 2-3cm doorsnee, worstvormig’

3.3    Op 24 januari 2022 is zij op consult geweest bij de radioloog. Hij heeft lichamelijk onderzoek verricht en een echo gemaakt. De waarschijnlijkheidsdiagnose was lactatieadenoom. De radioloog classificeerde het adenoom als ‘BI-RADS 3’. BI-RADS wordt gebruikt als classificatie bij een echo-onderzoek of mammografie van de borsten, waarbij 1 betekent dat er op de foto geen bijzonderheden worden gezien en waarbij 5 betekent dat de afwijking sterk verdacht is voor een kwaadaardige tumor). Uit het verslag blijkt het volgende: 
‘** Verslag
Echo mamma rechts. 
De laterale bovenrand een scherp afgrensbare enigszins gelobuleerde massa met hierin multipele kleine cysten en versterkte echogeleiding afmeting maximaal 1,8 cm. Meest waarschijnlijk beeld van lactatie adenoom.

BIRADS 3: Advies herhalen echografie binnen 6 maanden, liefst enkele maanden na stoppen borstvoeding (patiënt geeft aan nog ongeveer 1 maand te continueren).’ 

3.4    Op 2 mei 2022 is mevrouw C. weer bij de huisarts geweest. Op dat moment leek er een tweede zwelling bij te zijn gekomen. Mevrouw C. was inmiddels sinds medio april gestopt met borstvoeding. Zij is door de huisarts doorverwezen naar de radiologie met de volgende reden van aanvraag: ‘Co na staken borstvoeding, heeft aanhoudend last van knobbel, lijkt nu ook een knobbel bijgekomen te zijn (helaas geen verslaglegging van vorige echo mogen ontvangen)’. 

3.5    Op 24 mei 2022 heeft mevrouw C. een consult gehad bij radioloog 2. Er is lichamelijk onderzoek verricht en een echo gemaakt. Hij concludeerde dat sprake was van groei van het lactatie adenoom en een nieuw adenoom craniaal in de rechterborst. De radioloog gaf de classificatie BIRADS 2. Het volgende blijkt uit de verslaglegging:
‘Echo rechter mamma:
Ter vergelijking het echo onderzoek van 24 januari 2022. De palpabele zwelling in het laterale bovenkwadrant van de rechter mamma is fors toegenomen en heeft thans een maximale diameter van 4,5 cm, nu grotendeels bestaand uit vrij echorijk vocht. Craniaal in de rechter mamma een 2e vergelijkbare laesie, nieuw ontstaan en met thans een diameter van 4,2 cm. Deze 2e laesie bevat wat meer ingedikt materiaal. 
In overleg met patiënte werden beide laesies echogeleid aangeprikt waarbij de oorspronkelijke laesie volledig werd gedraineerd, de 2e laesie werd deels gedraineerd waarbij het ingedikt materiaal achtergebleven. De beide puncties werd wat oranjerood materiaal verkregen, cave: Doorgemaakte bloeding in lactatie adenoom. Het materiaal werd niet ingestuurd.’ 

3.6    Een maand later, op 21 juni 2022, is mevrouw C. wederom door haar huisarts doorverwezen voor verder onderzoek, nu naar de afdeling chirurgie (mammapoli): ‘Graag uw medebeoordeling gezien vermoeden van snel recidief bij een maand geleden gedraineerd lactatieadenoom. Nu klachten bdz. Andere therapie of diagnostiek aangewezen?’. Naar aanleiding van deze doorverwijzing is mevrouw C. op 27 juni 2022 gezien door de physician assistant. Uit lichamelijk onderzoek door de physician assistant is gebleken dat er een tweetal forse zwellingen (DD lactatieadenomen) werden aangetroffen, alsook roodheid van de huid ter plaatse van de grootste zwelling. De physician assistant heeft daarbij geconstateerd: ‘Zwellingen nemen bijna gehele bovenkant van borst in beslag, staat spanning op de huid. Palpabele okselklier/ zwelling rechts.’ 

3.7    Mevrouw C. is vervolgens, eveneens op 27 juni 2022, opnieuw gezien door radioloog 2 met de vraag van de physician assistant: ‘wat doen we? Aspireren mogelijk?’. Radioloog 2 heeft een echo gemaakt, waarbij de twee adenomen lateraal en craniaal beide bleken te zijn gegroeid. Bij dit onderzoek bleek er bovendien een nieuw ontstane palpabele zwelling met diameter van 2,6 cm in de rechter oksel te zijn ontstaan. Uit het verslag blijkt verder dat de lactatieadenomen aangeprikt zijn en vrijwel volledig gedraineerd zijn. Het materiaal werd niet ingestuurd. De classificatie bleef gehandhaafd op BI-RADS 2. 

3.8    Vanwege toename van haar klachten heeft mevrouw C. op 28 juli 2022 weer een afspraak gehad met de physician assistant. Bij het lichamelijk onderzoek werden naast een fors pijnlijke zwelling in de rechteroksel een tweetal zwellingen gezien in respectievelijk het laterale en mediale bovenkwadrant. Door de physician assistant is echografisch onderzoek bij de radioloog aangevraagd met daarbij de vraagstelling: ‘aspiratie indicatie? Wat te doen? drainange’

3.9    Mevrouw C. kwam diezelfde dag op consult bij de radioloog. Het verslag vermeldt: ‘Galactocele craniaal van de tepel rechts heeft thans een diameter van 4,1 cm. Deze wordt volledig leeg gedraineerd (20 ml). De galactocele lateraal rechts heeft thans een diameter van 5,4 cm deze wordt volledig leeg gedraineerd (60 ml). De galactocele axillair rechts heeft een diameter van 2,4 cm slechts minimaal vocht en met name débris. Hier wordt geen punctie van verricht.’ De radioloog heeft de eerdere (door radioloog 2 gestelde) classificatie BI-RADS 2 gehandhaafd. 

3.10    Op 3 augustus 2022 heeft mevrouw C. telefonisch contact gehad met de physician assistant aangezien zij weer klachten had. Er is een afspraak gemaakt voor een consult de volgende dag 4 augustus 2022. Uit de anamnese door de physician assistant blijkt dat de huid rood-blauw verkleurd is en gevoelig is. Door de physician assistant is wederom een echo aangevraagd met de vraagstelling: ‘Wat kunnen we hieraan doen?’

3.11    Op 4 augustus 2022 is mevrouw C. gezien door radioloog 3. Uit het verslag van deze radioloog volgt dat de twee gedraineerde vochtcollecties bij voorgaand onderzoek weer zijn volgelopen en vrijwel onveranderd van afmetingen zijn. Verder staat genoteerd: ‘De vochtcollectie in de axillaire uitloper, overgang oksel is onveranderd gebleven en heeft een diameter van 2,4 cm maximaal. Lateraal hiervan nu een ovale laesie waarschijnlijk een lymfeklier met een diameter van 1,5 cm’. Radioloog 3 heeft de twee grotere vochtcollecties aangeprikt en leeggezogen waarbij er geen melk vrijkwam maar uit de grootste collectie bruin vocht en uit de kleine collectie bloederig vocht. Na de echo is er overleg geweest tussen radioloog 3 en de physician assistant, waarbij zij concluderen tot het inbrengen van de casus van mevrouw C. in het eerstvolgende multidisciplinair overleg (MDO). 

3.12    Op 8 augustus 2022 heeft het MDO plaatsgevonden. De physician assistant heeft de casus van mevrouw C. voorbereid en ingebracht. Bij dit overleg waren naast de chirurg en de physician assistant ook een andere chirurg, radiologen en internisten aanwezig uit het ziekenhuis en het H.. Uit het MDO volgde het advies om vocht te kweken bij drainage, strakke BH of spica te dragen na drainage en een consult bij de endocrinoloog te overwegen. De radioloog was bij dit MDO niet aanwezig.

3.13    Op 15 augustus 2022 heeft de physician assistant telefonisch overleg gehad met mevrouw C. naar aanleiding van toenemende klachten aan de rechterborst. Ook vond er op die dag weer een consult plaats bij de physician assistant. Radioloog 3 maakte een echo van de borst. Twee vochtcollecties werden gedraineerd. Er is bij drainage materiaal afgenomen voor een kweek en voor cytologie. De chirurg heeft geassisteerd bij het aanbrengen van de spica. Voorafgaand hieraan heeft ze mevrouw C. (kort) lichamelijk onderzocht. 

3.14    Op 16 augustus 2022 volgde de uitslag van de kweek en cytologie: 
‘Conclusie:
Aspiratie galactocele LBQ rechter mamma: beeld passend bij cysteinhoud met veel niet atypische keratiniserende plaveiselcellen, waarop een epidermoid cyste, in de juiste klinische context, zou kunnen overwogen worden. In dit materiaal geen aanwijzingen voor maligniteit.’ 

3.15    Op 24 augustus 2022 vond er weer een telefonisch consult met de physician assistant plaats, met een vervolgbeoordeling de volgende dag. Mevrouw C. en de physician assistant hebben gesproken over een consult bij de plastisch chirurg en afgesproken dat mevrouw C. weer terug zou komen bij klachten voor een echo en drainage. Er is ook die dag door de physician assistant gevraagd om drainage bij de radioloog. De drie lactatie adenomen werden door radioloog 2 gedraineerd. 

3.16    Op 26 augustus 2022 heeft mevrouw C. een consult gehad bij een endocrinoloog. Het beleid was in overleg met een lactatiekundige. 

3.17    Op 6 september 2022 vond bij de physician assistant een vervolgbeoordeling plaats. De klachten bleven aanhouden. Mevrouw C. werd op verzoek van de physician assistant wederom gedraineerd, waarbij door verweerder drie galactocèlen werden gedraineerd. 
3.18    Op 7 september 2022 heeft mevrouw C. een consult gehad bij chirurg BB. De chirurg heeft de spica gecontroleerd en lichamelijk onderzoek verricht. Hieruit bleek opnieuw zwelling van de rechter mamma, geen tekenen van infectie. Omdat mevrouw C. een aantal dagen naar het buitenland ging en bang was voor een infectie aldaar, heeft de chirurg een antibioticakuur voorgeschreven. Op dat moment was er, na overleg tussen de physician assistant en de chirurg, reeds een operatie gepland bij een plastisch chirurg in het H..

3.19    Op 8 september 2022 is mevrouw C. na overleg met de physician assistant wederom ingestuurd voor een echo en drainage met de vraag ‘afw?’ [college: ‘afwijkingen?’]. Radioloog 3 heeft twee vochtcollecties in het laterale bovenkwadrant leeggezogen, waarbij de een helder vocht had en de ander bloederig vocht. Radioloog 3 heeft de echo met BI-RADS 2 geclassificeerd.

3.20    Op 9 september 2022 volgde een telefonisch consult met de endocrinoloog. Hier kwamen geen bijzonderheden uit.

3.21    Op 13 september 2022 is mevrouw C. op consult geweest bij een arts-assistent plastische chirurgie. Het beleid dat werd bepaald was als volgt: ‘primaire excisie, littekens, recidief, mamma vervorming.’  

3.22    Op 16 september 2022 is mevrouw C. wederom verwezen naar de radioloog vanwege drainage (vraagstelling: ‘Graag leegmaken NB OPERATIE WORDT GEPLAND’). De radioloog heeft bij mevrouw C. een drainage uitgevoerd waar bloederig materiaal werd geaspireerd. 

3.23    Op 23 september 2022 is door de physician assistant wederom een drainage aangevraagd. Bij mevrouw C. is een drainage uitgevoerd door radioloog 4. De twee grootste galactocèles werden leeg gepuncteerd, waarbij bloederig vocht werd geaspireerd. 

3.24    Op 23 september 2022 heeft mevrouw C. een preoperatief consult gehad met plastisch chirurg I. van het H..  

3.25    Op 30 september 2022 is mevrouw C. door de plastisch chirurg geopereerd ter verwijdering van de zwellingen en weefselonderzoek. De plastisch chirurg heeft histologisch weefselonderzoek uitgevoerd. 

3.26    Uit het onderzoek is gebleken dat het ging om een (zeldzaam) triple-negatief metaplastisch mammacarcinoom.   

3.27    Op 17 oktober 2022 werd de uitslag besproken in het gezamenlijke MDO-mamma met het ziekenhuis en H.. Tijdens deze bespreking werd geadviseerd om geen contact op te nemen met mevrouw C., omdat zij daar volgens de behandelaars in het H. geen behoefte aan zou hebben. 

3.28    Op 20 oktober 2022 is deze casus als calamiteit aangemeld bij de Raad van Bestuur van het ziekenhuis en de IGJ. 

3.29    De Raad van Bestuur van het ziekenhuis heeft naar aanleiding van de melding van calamiteit een onderzoek ingesteld met een onderzoekscommissie. De onderzoekscommissie heeft in het onderzoeksrapport van 15 juni 2023 geconcludeerd dat er sprake is van een calamiteit. Volgens de onderzoekscommissie is in retrospectie eind mei 2022 ten onrechte BI-RADS 2 geclassificeerd. In het verslag staat genoteerd:
‘Ook de radiologen die de volgende echo’s en drainages uitvoerden, zijn meegegaan in deze tunnelvisie. (…) Er is onvoldoende eigenaarschap genomen om een afwijkend beloop van een lactatie-adenoom/galactocele als groep (radioloog, chirurg, Physician Assistant) met elkaar te bespreken om een (andere zeldzame) diagnose te verwerpen of te bevestigen. De zorgen van de Physician Assistant omtrent het ziektebeloop zijn onvoldoende overgekomen in overleg met chirurg en onvoldoende geadresseerd in het regionale MDO. Mede hierdoor is de verkeerde werkdiagnose langer dan nodig in stand gehouden. 
(…) 
De onderzoekscommissie acht het aannemelijk dat door tekortkomingen in de zorgverlening een vertraging voorafgaand aan de diagnose en daarmee vertraging in een passende behandeling is ontstaan. Het diagnostisch en therapeutisch delay bij deze ernstige vorm van borstkanker beschouwt de onderzoekscommissie als ernstige schade voor de patiënt.’

3.30    Op 5 augustus 2025 is mevrouw C. aan de gevolgen van het mammacarcinoom overleden. 

4.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    De radioloog werd in eerste aanleg verweten dat:
a) Vanaf het eerste consult hadden beeldvorming en klinische symptomen moeten resulteren in:
- adequaat lichamelijk onderzoek;
- medebeoordeling door een chirurg;
- nader aanvullend beeldvormend onderzoek (mammografie, CT-scan, en/of MRI);
- weefselonderzoek (punctie, weefselbiopt van de tumoren in de borst en oksel;)
- het vermelden van mammacarcinoom in de differentiaaldiagnose. 
b) De diagnoses van de behandelend radiologen en de verslaglegging van de uitgevoerde onderzoeken niet altijd volledig of nauwkeurig genoeg waren en niet beantwoordden  aan de geldende kwaliteitsstandaarden en de veiligheid en de zorgkwaliteit van mevrouw C. ernstig in gevaar hebben gebracht.
c) Elke palpabele afwijking in de borst is per definitie maligne/kwaadaardig totdat het tegendeel bewezen is. Bij een niet genezende en langzaam progressieve laesie dient maligniteit te worden uitgesloten. 

4.2    Het beroep richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdelen a) en b) ten aanzien van het consult van 24 januari 2022. Het beroep heeft tot doel dat deze onderdelen van de klacht alsnog gegrond worden verklaard. In het beroepschrift is daarnaast aangevoerd dat er geen sprake was van shared decision making ten aanzien van de punctiewens van mevrouw C.. Zij was zeker akkoord gegaan met een punctie op 24 januari 2022 als dat was aangeboden, want hiermee kon de viscositeit van de vloeistof bepaald worden. 

4.3     De radioloog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. De radioloog heeft het Centraal Tuchtcollege verzocht om appellant niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het beroep een nieuw klachtonderdeel betreft en voor het overige het beroep te verwerpen. 

4.4    Het voorgaande betekent dat klachtonderdeel c) in beroep niet meer aan de orde is. 

Toetsingskader
4.5    Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat het verdrietig en betreurenswaardig is dat het niet tijdig is onderkend dat er sprake was van een maligniteit. Het college realiseert zich dat de diagnose, het beloop en het overlijden van mevrouw C. verdrietig en ingrijpend zijn voor haar nabestaanden. Het Centraal Tuchtcollege heeft daar oog voor. Het zal op een zakelijke manier moeten beoordelen of de radioloog ten aanzien van de klachtonderdelen die in beroep nog aan de orde zijn heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht worden. De norm hiervoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend radioloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor hem geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter of anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Het gaat om wat de radioloog ten tijde van de behandeling bekend was en bekend had kunnen zijn. Kennis achteraf -hoe verdrietig de uitkomst ook- mag daarbij geen rol spelen, omdat de radioloog die kennis op het moment van handelen ook niet had. Verder gaat het tuchtrecht uit van persoonlijke verwijtbaarheid. Dit houdt in dat de radioloog niet tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het handelen van anderen als hij daarbij niet persoonlijk betrokken was.

Inhoudelijke beoordeling
4.6    Het college heeft na de zitting, voorafgaand aan de inhoudelijke beraadslaging over de zaak gezamenlijk het beeldmateriaal bekeken waarover de radioloog op 24 januari 2022 de beschikking had. 

4.7    In het beroepschrift en op de zitting is onder meer naar voren gebracht dat de laesie vastzat aan de onderlaag. Ter onderbouwing van dit standpunt is verwezen naar hetgeen de huisarts in de verwijzing over de zwelling heeft genoteerd, maar het college deelt deze bevinding van de huisarts niet. Op het beeldmateriaal is naar het oordeel van het college duidelijk te zien dat tussen de laesie en de onderliggende spier een ruime hoeveelheid normaal borstklierweefsel zichtbaar is en er evident geen sprake is van ingroei in de onderliggende spier. Het college is het met het Regionaal Tuchtcollege eens dat de radioloog op 24 januari 2022 de conclusie heeft kunnen trekken dat er waarschijnlijk sprake was van een lactatieadenoom, gegeven het feit dat mevrouw C. op dat moment nog borstvoeding gaf. Daarbij heeft de radioloog de juiste follow-up gegeven door mevrouw C. te vragen wanneer zij zou stoppen met borstvoeding en haar te vragen om zich daarna opnieuw te laten onderzoeken, en in ieder geval binnen zes maanden. Door het adenoom te classificeren als BI-RADS 3 heeft hij de mogelijkheid opengehouden dat het adenoom kwaadaardig zou kunnen zijn. Deze classificatie is naar het oordeel van het college dan ook terecht. Wel is het college van oordeel dat het beter was geweest als de radioloog in zijn verslaglegging had benoemd dat de laesie, anders dan vermeld in de verwijzing, niet vastzat aan de onderlaag. Dit is echter onvoldoende om de radioloog een tuchtrechtelijk verwijt te maken. 

4.8    Over het klachtonderdeel aangaande shared decision making ten aanzien van de punctiewens van mevrouw C. overweegt het college als volgt. De radioloog heeft in beroep naar voren gebracht dat deze klacht buiten de toegestane termijn is aangedragen, namelijk niet eerder dan op de zitting bij het Regionaal Tuchtcollege. Dit is op de zitting in beroep niet weersproken. Op grond van artikel 65c lid 1 van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg kan een klacht tot twee weken voorafgaand aan een zitting van het Regionaal Tuchtcollege worden gewijzigd of aangevuld. Ondanks dat het voorgaande betekent dat dit onderdeel van de klacht te laat is ingediend, hecht het college eraan hierover het volgende op te merken. Hiervoor onder 4.7 heeft het college overwogen dat de radioloog op basis van het beeldmateriaal heeft kunnen concluderen dat waarschijnlijk sprake was van een lactatieadenoom en het adenoom een juiste BI-RADS classificatie heeft gegeven. Een adenoom met een BI-RADS 3 classificatie kan in beginsel worden gepuncteerd, maar een korte termijn follow up is eveneens een verantwoorde en gebruikelijke werkwijze volgens de richtlijn. BIRADS 3 classificatie biedt deze keuze. Gegeven het feit dat mevrouw C. op 24 januari 2022 nog borstvoeding gaf, zij daar op korte termijn mee zou stoppen en de follow-up van nieuw onderzoek, heeft de radioloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door op 24 januari 2022 geen punctie aan te bieden. 

Conclusie en publicatie
4.9    Het voorgaande betekent dat het beroep zal worden verworpen. Net als het Regionaal Tuchtcollege zal het college bepalen dat in het algemeen belang deze beslissing zal worden gepubliceerd zoals in het dictum staat vermeld. 


5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep; bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, E.F. Lagerwerf-Vergunst en M.W. Zandbergen, leden-juristen, en A.B. Donkers-van Rossum en P.M.T. Pattynama, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E. van der Linde, secretaris. 
Uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2026.
    Voorzitter w.g.                        Secretaris  w.g.