ECLI:NL:TGZCTG:2026:36 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2616 Verzet
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:36 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-01-2026 |
| Datum publicatie: | 26-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2616 Verzet |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing in een klacht tegen een huisarts. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard omdat het handelen van de huisarts ten opzichte van klager niet valt onder één van de tuchtnormen. Ten aanzien van het handelen van de huisarts als zorgondernemer en het handelen ten aanzien van patiënten is klager geen rechtstreeks belanghebbende is. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege wijst het beroep af omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2616 van:
A.,
wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., huisarts,
verweerster in beide instanties,
hierna: verweerster.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager en verweerster hebben elkaar in de zomer van 2022 leren kennen via
een datingsite en gedurende een periode van ongeveer twee maanden regelmatig contact
met elkaar gehad. Nadat verweerster het contact had beëindigd, heeft klager op verschillende
manieren geprobeerd om de contacten te hervatten. De klacht heeft (samengevat) betrekking
op het handelen van verweerster ten opzichte van klager, haar handelen als zorgondernemer
en de wijze waarop zij ten aanzien van een aantal patiënten als huisarts heeft gehandeld.
1.2 Klager heeft op 3 juli 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle een klacht ingediend tegen verweerster. Bij beslissing van 12 september 2024, met nummer Z2024/7381 heeft de voorzitter van dat college klager kennelijk niet ontvankelijk verklaard.
1.3 Klager heeft op tijd beroep ingesteld tegen deze beslissing.
Oordeel voorzitter Regionaal Tuchtcollege
1.4 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klager
niet ontvankelijk is in de klacht. Het staat vast dat er geen behandelrelatie is geweest
tussen klager en verweerster zodat er geen sprake kan zijn van schending van de eerste
tuchtnorm. De verwijten over het handelen van verweerster ten opzichte van klager
vallen ook niet onder de tweede tuchtnorm. Voor wat betreft de andere verwijten heeft
de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat klager niet aangemerkt
kan worden als rechtstreeks belanghebbende. Een afschrift van de uitspraak wordt aan
deze beslissing gehecht.
2. Beoordeling van het beroep
2.1 Klager is het niet eens met het oordeel van de voorzitter van het Regionaal
Tuchtcollege. Klager heeft zeventien beroepsgronden aangevoerd die betrekking hebben
op de inhoud van de overwegingen en elf beroepsgronden die zien op het verloop van
de procedure en de wijze waarop het Regionaal Tuchtcollege de zaak heeft behandeld.
Verder bevat het beroepschrift twaalf verzoeken.
2.2 De voorzitter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- beroepschrift van 3 oktober 2024;
- alle dossierstukken van het Regionaal Tuchtcollege;
- e-mailberichten van klager van 28 november 2024, 3 december 2024, 11 december
2024, 13 december 2024 en
16 december 2024;
- e-mailberichten van klager van 25 december 2024 en 30 december 2024 met via WeTransfer
aangeleverde bijlagen.
2.3 De voorzitter is van oordeel dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege op goede gronden tot haar oordeel is gekomen en neemt de overwegingen en dit oordeel over. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen. Hieronder wordt uitgelegd hoe de voorzitter tot dit oordeel is gekomen.
Artikel 73a Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)
2.4 De Wet BIG biedt de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege de mogelijkheid
om beroepen waarvan aanstonds duidelijk is dat zij van eenvoudige aard zijn af te
doen bij voorzittersbeslissing. Het gaat dan (onder meer) om beroepen die naar het
oordeel van de voorzitter niet zullen leiden tot een andere beslissing dan die van
het Regionale Tuchtcollege. Naar het oordeel van de voorzitter is hier in deze zaak
sprake van.
Beroepsgronden over de procedure
2.5 De voorzitter constateert dat de verwachtingen die klager heeft over de wijze
waarop een tuchtrechtelijke procedure dient te verlopen niet overeenstemmen met de
wettelijke bepalingen hierover.
Net als de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft ook de voorzitter van
het Regionaal Tuchtcollege de mogelijkheid om een zaak bij voorzittersbeslissing af
te doen. Op basis van artikel 67a Wet BIG kan onder meer van deze mogelijkheid gebruik
gemaakt worden als er sprake is van “kennelijke niet-ontvankelijkheid”. Het begrip
“kennelijk” betekent dat daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
Wanneer er wordt gekozen voor deze wijze van afdoening wordt in beginsel geen verweer
gevraagd en wordt er ook geen mondeling vooronderzoek en/of een mondelinge behandeling
gepland. In deze zaak heeft de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege wel aanleiding
gezien om klager een aantal aanvullende vragen te stellen. Deze heeft klager op 22
augustus 2024 uitgebreid beantwoord en deze reactie maakt deel uit van het procesdossier.
De voorzitter is op basis van alle dossierstukken van oordeel dat de procedure zoals
die heeft plaatsgevonden bij het Regionaal Tuchtcollege op geen enkel onderdeel strijdig
is met de wettelijke bepalingen en dat de elf beroepsgronden die klager hierover heeft
ingediend niet kunnen slagen.
Inhoudelijke beroepsgronden
a. Beroepsgronden die betrekking hebben op het handelen van verweerster tijdens
en na de contacten met klager
2.6 De beroepsgronden 1 tot en met 7, 9, 13,15, 16 en 17 hebben alle betrekking
op de wijze waarop verweerster zich volgens klager jegens hem heeft opgesteld en de
gevolgen die dit voor hem heeft. De voorzitter is van oordeel dat de voorzitter van
het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft overwogen dat er geen sprake is geweest van
een behandelrelatie. De eerste tuchtnorm heeft (kort gezegd) betrekking op tekortschieten
ten opzichte van een patiënt of diens naaste betrekking. Nu er geen sprake was van
een behandelrelatie kan deze tuchtnorm niet van toepassing zijn.
Op basis van de tweede tuchtnorm kunnen gedragingen van een BIG-geregistreerde zorgverlener
die niet zijn begaan binnen een behandelrelatie tuchtrechtelijk worden getoetst wanneer
sprake is van gedragingen die een gevaar voor patiënten kunnen opleveren of die het
vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig kunnen schaden.
Net als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege is de voorzitter van oordeel
dat schending van de tweede tuchtnorm ook niet aan de orde is.
Het is duidelijk dat klager na het beëindigen door verweerster van het contact teleurgesteld
was en dat hij aan het contact het gevoel overhield dat hij misbruikt, opgelicht en
uitgebuit was. Verder neemt hij het verweerster kwalijk dat zij aangifte van stalking
heeft gedaan en dat zij het vertrouwen dat hij in haar had heeft geschaad. Het aangaan
of beëindigen van een (liefdes)relatie is echter bij uitstek een privékwestie. De
vraag of betrokkenen zich ten opzichte van elkaar wel of niet fatsoenlijk hebben gedragen
tijdens of na de relatie kan niet ter beoordeling worden voorgelegd aan de tuchtrechter.
De voorzitter heeft in het (omvangrijke) dossier geen enkele aanwijzing kunnen vinden
dat er sprake is (geweest) van ernstige misdragingen die gevaar voor patiënten kunnen
opleveren en/of het vertrouwen in de beroepsuitoefening kunnen schaden.
b. Beroepsgronden over het handelen van de huisarts als zorgondernemer en het handelen
ten aanzien van een aantal patiënten
2.7 De beroepsgronden 8, 10, 11, 12 en 14 gaan over de wijze waarop verweerster
zich als huisarts heeft gedragen. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft
geoordeeld dat klager niet aangemerkt kan worden als rechtstreeks belanghebbende bij
de klachtonderdelen die gaan over het handelen van de huisarts als zorgondernemer
en de behandeling van individuele patiënten. De voorzitter is het hiermee eens en
sluit aan bij de overwegingen in punt 4.7 tot en met 4.9 van de beslissing van 12
september 2024. In aanvulling hierop merkt de voorzitter op dat uit het dossier op
geen enkele manier aannemelijk is geworden dat verweerster zich klachtwaardig heeft
gedragen als huisarts jegens patiënten en/of anderen.
Verzoeken
2.8 Klager heeft in zijn beroepschrift twaalf verzoeken opgenomen alsmede een
aansprakelijkheidsstelling. Deze verzoeken behoeven geen bespreking nu zij niet op
de wet zijn gebaseerd. Daarnaast hebben zij voor het merendeel betrekking op wensen
die buiten de bevoegdheid van een tuchtcollege vallen.
2.9 Naar het oordeel van de voorzitter zal het beroep van klager niet leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klager daarom afwijzen.
3. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
wijst het beroep af.
Aldus gewezen op 15 januari 2025 en ondertekend door mr. Z.J. Oosting, voorzitter,
bijgestaan door mr. E.D. Boer, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het
afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.