ECLI:NL:TGZCTG:2026:194 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3212
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:194 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-10-2026 |
| Datum publicatie: | 14-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3212 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een psychotherapeut. Klaagster was in therapie bij de psychotherapeut. Klaagster verwijt hem dat hij haar onheus en onprettig heeft bejegend en dat hij de behandeling voortijdig en onzorgvuldig heeft beëindigd, zonder zorg te dragen voor een verwijzing en continuering van de zorg en zonder de gelegenheid te bieden voor een bemiddelingsgesprek met de mogelijkheid tot herstel van de behandelrelatie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3212 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., psychotherapeut,
werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de psychotherapeut,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster was in therapie bij de psychotherapeut. Klaagster verwijt hem dat
hij haar onheus en onprettig heeft bejegend en dat hij de behandeling voortijdig en
onzorgvuldig heeft beëindigd, zonder zorg te dragen voor een verwijzing en continuering
van de zorg en zonder de gelegenheid te bieden voor een bemiddelingsgesprek met de
mogelijkheid tot herstel van de behandelrelatie.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht ongegrond verklaard en bepaald dat de beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen en of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam met nummer A2025/8736 (ECLI:NL:TGZRAMS:2026:39).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het verweerschrift en een aanvullend stuk van klaagster.
2.3 De zaak is op de zitting van 24 augustus 2026 behandeld. Klaagster en de psychotherapeut waren beiden aanwezig. Klaagster werd vergezeld van haar echtgenoot D. en de psychotherapeut werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van klaagster en van de psychotherapeut zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Klaagster is vanaf februari 2023 in therapie geweest bij de psychotherapeut. De therapie bestond aanvankelijk uit individuele gesprekken. Vanaf februari 2024 betrof het groepstherapie.
3.3 Op 6 maart 2025 heeft klaagster aan de psychotherapeut een e-mail gestuurd. Hierin vroeg zij de therapeut of hij een dossier van haar bijhield en haar een keer wilde vertellen wat hij had opgeschreven. Daarnaast vroeg zij de therapeut of hij een voorwoord zou willen schrijven voor het boek dat zij geschreven had over haar jeugd. Klaagster en de psychotherapeut zijn hierover na de groepstherapie op 11 maart 2025 in gesprek gegaan. Hierbij heeft de psychotherapeut onder andere zijn zorgen uitgesproken over het vastleggen van jeugdherinneringen in het boek, terwijl de therapie nog niet was afgerond en deze mede zag op de jeugd van klaagster.
3.4 Na het gesprek heeft klaagster per e-mail van 17 maart 2025 aan de therapeut laten weten dat zij het gesprek niet als een prettig gesprek had ervaren. Op verzoek van klaagster vond er op 25 maart 2025 een tweede gesprek plaats. Klaagster voelde zich in dit gesprek opnieuw niet begrepen. De therapeut heeft het gesprek afgesloten met een open aanbod voor een nieuwe afspraak.
3.5 Voorafgaand aan de groepstherapie van 8 april 2025 heeft de psychotherapeut klaagster gevraagd of zij een (behandelevaluatie)gesprek wenste in te plannen. Dat was niet het geval. Klaagster heeft daarbij aangegeven dat zij geen één-op-één-gesprekken meer wilde hebben met de therapeut en dat zij haar therapie wilde beëindigen. In de groepstherapie is vervolgens de situatie tussen klaagster en de psychotherapeut besproken, waarbij klaagster heeft aangegeven dat ze de therapeut als grensoverschrijdend had ervaren.
3.6 In de tussentijd, op 2 april 2025, had klaagster een klacht ingediend bij het
Centraal Bureau Klachtenmanagement in de Zorg (hierna: CBKZ). De psychotherapeut heeft
op 10 april 2025 bij toeval van de indiening van een klacht kennisgenomen en heeft
per e-mail van 11 april 2025 aan klaagster bericht (alle citaten voor zover van belang
en letterlijk weergegeven):
“(…) De problematiek in de therapeutische relatie is ernstig en verstoort de interacties
tussen jou, mij en de groep. Ook kan ik geen verantwoordelijkheid nemen voor een doorlopend
groepsproces waarin een van de leden uit het therapeutische contact is gegaan. Je
kunt dan ook niet deelnemen aan de groep tot het moment dat de therapeutische relatie
weer enigszins is genormaliseerd. Ik nodig je bij deze nogmaals voor een gesprek uit.
Omdat je aangaf je onveilig te hebben gevoeld, acht ik het beter dat hierbij een derde
persoon aanwezig is. Dit zal een vrouwelijke collega psychotherapeute zijn. Ik hoor
graag of je op dit aanbod wilt ingaan. (…)”
3.7 Diezelfde dag heeft klaagster per e-mail de klacht toegestuurd aan de psychotherapeut. De volgende dag, op 12 april 2025, heeft klaagster laten weten dat zij instemde met een gesprek met de psychotherapeut in aanwezigheid van een derde.
3.8 De psychotherapeut heeft vervolgens bij e-mail van 13 april 2025 aan klaagster voorgesteld het gesprek op 16 april 2025 te laten plaatsvinden. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij blij was om te horen dat klaagster het gesprek met hem en de derde aanging met de hoop dat de vertrouwensband kon worden hersteld. Hij gaf aan hetzelfde te hopen en het belangrijk te vinden om samen verder te gaan. Klaagster heeft diezelfde dag geantwoord dat zij akkoord was met de afspraak op 16 april 2025.
3.9 Kort daarna heeft de psychotherapeut in een intervisiebijeenkomst de situatie
besproken met collega’s. Naar aanleiding daarvan heeft hij klaagster per e-mail van
15 april 2025 laten weten:
“(…) De gebeurtenissen rondom de breuk in de vertrouwensband (de individuele gesprekken,
de groepssessie en de tegen mij ingediende klacht) zijn mij echter niet in de koude
kleren gaan zitten. Pas gisteren kreeg ik de kans om de situaties in een kring van
collega’s te reflecteren. Hierdoor ben ik tot het besef gekomen dat ik niet meer onbevangen
in het therapeutische proces kan staan en ik jou als therapeut niet meer gepast en
effectief kan begeleiden. Doordat door mijn laatste mail een andere indruk is ontstaan,
vind ik het eerlijk om je hierover te informeren voordat wij morgen in gesprek met
elkaar gaan. Ondanks het feit dat de therapie met mij niet verder zal gaan, is het
denk ik wel belangrijk om het gesprek te benutten om de lange therapie, waarin jij
naar mijn inschatting ook veel helpende dingen hebt kunnen vinden, tot een zo goed
mogelijke afronding te brengen.
Ik hoop dat jij mijn uitleg kunt begrijpen en dat jij gebruik wilt maken van de mogelijkheid van een afrondend gesprek in bijzijn van mijn collega morgen om 13.00 uur. (…)”
3.10 Op 15 en 16 april 2025 heeft klaagster per e-mail onder meer laten weten dat zij niet naar het geplande gesprek (van 16 april 2025) zou komen en dat zij eventueel wel bemiddeling zou willen door het CBKZ. De psychotherapeut heeft schriftelijk gereageerd op de klacht, maar er is geen gesprek meer gekomen via de klachtenfunctionaris.
3.11 Op 6 mei 2025 heeft klaagster gemaild naar de psychotherapeut dat zij nog in gesprek wilde over therapiemogelijkheden elders. Dit laatste gesprek vond uiteindelijk plaats op 16 mei 2025 in aanwezigheid van een derde (een vrouwelijke collega van de psychotherapeut, tegen wie klaagster ook een tuchtklacht heeft ingediend (zaaknummer A2025/8735)). In dit gesprek heeft de psychotherapeut uitgelegd waarom hij de behandelrelatie wenste te beëindigen en is bezien wat klaagster nodig had vanwege de beëindiging van de behandelrelatie.
3.12 De psychotherapeut heeft op 21 mei 2025 de huisarts van klaagster geïnformeerd en heeft het door hem bijgehouden dossier naar klaagster verstuurd. Ook heeft hij conform afspraak contact opgenomen met een bij hem bekende zorginstelling. Daaruit bleek dat een verwijzing van klaagster via de huisarts diende te lopen.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de psychotherapeut – kort gezegd – dat hij:
a) klaagster onheus en onprettig heeft bejegend;
b) de behandeling voortijdig en onzorgvuldig heeft beëindigd zonder zorg te dragen
voor een
doorverwijzing en het continueren van de zorg en zonder de gelegenheid te bieden
voor een bemiddelingsgesprek met de mogelijkheid tot herstel van de relatie.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog geheel of gedeeltelijk gegrond te verklaren en een passende maatregel te overwegen.
4.3 De psychotherapeut heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen.
4.4 Het voorgaande betekent dat in beroep de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorligt.
Toetsingskader
4.5 De vraag die moet worden beantwoord is of de psychotherapeut de zorg heeft
verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame
en redelijk handelende psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden
met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Uit het beroepschrift en hetgeen klaagster tijdens de zitting heeft verteld
volgt dat klaagster de psychotherapeut met name verwijt dat hij de behandelrelatie
abrupt heeft beëindigd, zonder voorafgaande waarschuwing en zonder een redelijke termijn
te bieden voor een zorgvuldige afronding van de behandeling. Klaagster stelt dat zij
door de beëindiging van de behandelrelatie is overvallen en dat de therapeut geen
of onvoldoende pogingen heeft gedaan om met haar in gesprek te blijven. Het Regionaal
Tuchtcollege heeft volgens haar niet kenbaar beoordeeld of de verstoring van de behandelrelatie
samenhing met gedragingen van klaagster die voortvloeiden uit de trauma-gerelateerde
problematiek waarvoor zij werd behandeld. Klaagster is van mening dat het in de rede
had gelegen dat zou worden beoordeeld in hoeverre van een psychotherapeut verwacht
mag worden dat hij binnen de professionele behandelcontext met dergelijke gedragingen
om kan gaan. De therapeut heeft voorts - door haar alleen naar de huisarts terug te
verwijzen - ten onrechte niet zorggedragen voor een adequate waarborging van zorgcontinuïteit,
aldus klaagster.
4.7 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt dat wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier integraal over.
4.8 In aanvulling hierop overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft geoordeeld dat de ontstane dynamiek tussen klaagster en de psychotherapeut in dit geval een voldoende gewichtige reden opleverde om de behandelingsovereenkomst te beëindigen. Gelet op het verstoorde contact en de vergeefse pogingen om met elkaar het gesprek aan te gaan, kon worden geconcludeerd dat er een onwerkbare situatie was ontstaan. Dat de psychotherapeut, zoals klaagster betoogt, er helemaal niet voor openstond om met klaagster in gesprek te blijven, is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken.
4.9 Klaagster heeft bij het Regionaal Tuchtcollege niet gesteld dat haar handelen destijds beïnvloed werd door het klachtenbeeld waarvoor zij in behandeling was, zodat voor dat college geen aanleiding bestond om dit bij zijn beoordeling te betrekken. Ook in beroep stelt klaagster dit feitelijk niet. Los daarvan, ziet het Centraal Tuchtcollege geen grond voor het oordeel dat de psychotherapeut bij zijn constatering dat de situatie niet langer werkbaar was onvoldoende rekening heeft gehouden met de aard van de klachten waarvoor klaagster in behandeling was. Daarbij merkt het Centraal Tuchtcollege op dat de psychotherapeut niet alleen rekening diende te houden met het belang van klaagster, maar ook met het gevoel van veiligheid van de andere personen die deelnamen aan de groepstherapie.
4.10 Voorstelbaar is dat klaagster door de e-mail van de psychotherapeut van 15 april 2025, met daarin de mededeling dat de groepstherapie niet kon worden voortgezet, verrast werd. Het college kan echter de psychotherapeut volgen in zijn uitleg dat hij deze e-mail juist heeft verstuurd omdat hij klaagster in het reeds geplande gesprek van 16 april 2025 niet met deze boodschap wilde overvallen. De psychotherapeut had in dat gesprek de redenen voor de beëindiging van de behandeling willen toelichten, maar klaagster heeft dit gesprek afgezegd. Dat de psychotherapeut toen niet eerst heeft gekozen voor een waarschuwing is begrijpelijk, aangezien de situatie op dat moment al niet meer werkbaar was.
Conclusie
4.11 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond
heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klaagster verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door L. van Dijk, voorzitter, B.J.M. Frederiks en E.F.
Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen, en B. Leeuw en F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door
E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 14 oktober 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.