ECLI:NL:TGZCTG:2026:192 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3282
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:192 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-10-2026 |
| Datum publicatie: | 07-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3282 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Herziening, terugverwijzing naar Regionaal Tuchtcollege |
| Inhoudsindicatie: | In het kader van een strafrechtelijke procedure tegen klaagster heeft het gerechtshof aan de arts de opdracht gegeven een deskundigenrapport te schrijven over de wilsbekwaamheid van de moeder van klaagster ten tijde van het verlijden van de testamentaire akte bij de notaris in 2016. De arts kwam in zijn rappoort tot de conclusie dat met een hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de moeder van klaagster niet meer wilsbekwaam was ter zake het nemen van besluiten over haar testament. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht, omdat er geen sprake is van een schending van een belang dat ziet op een handelen of nalaten op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat klaagster kan worden ontvangen in haar klacht, omdat het handelen van de arts wél weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep en wijst de klacht terug naar het Regionaal Tuchtcollege voor inhoudelijke behandeling. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3282 van:
A.,
wonende te B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C.,
werkzaam te B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de arts.
1. Kern van de zaak
1.1 In het kader van een strafrechtelijke procedure tegen klaagster heeft het
gerechtshof aan de arts de opdracht gegeven een deskundigenrapport te schrijven over
de wilsbekwaamheid van de moeder van klaagster ten tijde van het verlijden van de
testamentaire akte bij de notaris in 2016. De arts kwam in zijn rapport tot de conclusie
dat met een hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de moeder
van klaagster niet meer wilsbekwaam was ter zake het nemen van besluiten over haar
testament.
1.2 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht, omdat zij geen concreet eigen belang heeft bij het indienen van een tuchtrechtelijke klacht. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en wijst de zaak terug naar het Regionaal Tuchtcollege in ’s-Hertogenbosch om de klacht alsnog te behandelen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch van 27 mei 2026 met zaaknummer H2025/8865. De beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift.
2.3 Op de zitting van 2 september 2026 is de vraag behandeld of klaagster ontvankelijk is in haar beroep. Klaagster was via beeldverbinding aanwezig. De arts was in de zittingszaal aanwezig. De spreekaantekeningen van klaagster en de arts zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
3.1 Klaagster heeft de arts bij het Regionaal Tuchtcollege - onder meer - verwijten
gemaakt over de totstandkoming en de inhoud van het deskundigenrapport en zijn rol
als deskundige. Klaagster vond dat zij hierover kon klagen, omdat het deskundigenrapport
passages bevat over de rol van klaagster, haar handelen, haar positie en haar betrokkenheid.
3.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van de voorzitter van het Regionaal
Tuchtcollege. Klaagster voert daartoe aan dat haar belang niet kan worden teruggebracht
tot uitsluitend haar positie in de strafprocedure. Zij is namelijk ook dochter, nabestaande
en erfgenaam. Tijdens het leven van haar moeder was klaagster bovendien haar mentor
en wettelijk vertegenwoordiger. Bovendien is klaagster in andere tuchtrechtprocedures
ook ontvankelijk verklaard in haar klachten over de behandeling van haar moeder.
Klaagster wil met haar beroep bereiken dat de voorzittersbeslissing door het Centraal
Tuchtcollege wordt vernietigd en dat er inhoudelijk naar haar klacht wordt gekeken.
3.3 De arts heeft op de zitting gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege in stand te laten.
Beoordeling van het beroep
3.4 In artikel 65 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) is een rechtstreeks belanghebbende bevoegd een klacht aanhangig te maken
bij het Regionaal Tuchtcollege.
3.5 Voor het antwoord op de vraag of klaagster klachtgerechtigd is, is het volgende van belang. Vaststaat dat geen sprake was van een behandelrelatie tussen de arts en klaagster, zodat dat de klacht niet kan worden getoetst aan de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 onder a Wet BIG).
3.6 Of de klacht getoetst kan worden aan de tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG) moet het handelen van beklaagde voldoende weerslag hebben op het belang van de individuele gezondheidszorg. Daarvan kan sprake zijn ingeval van (i) zeer ernstig verwijtbaar handelen in flagrante strijd met de algemene zorgplicht, (ii), handelen dat de waarden van het beroep in de kern raakt en (iii) handelen dat het vertrouwen in het handelen van een beroepsbeoefenaar wezenlijk aantast. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de arts het rapport heeft opgesteld in zijn hoedanigheid van en vanuit zijn deskundigheid als arts. Dat handelen van de arts heeft naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg. De vraag of klaagster daarover kan klagen beantwoordt het Centraal Tuchtcollege bevestigend. Klaagster heeft al rechtstreeks belang omdat dit rapport wordt ingebracht in een jegens haar aanhangige strafprocedure. Of klaagster uit andere hoofde ook belang heeft hoeft daarom geen bespreking meer.
Conclusie
3.7 De Wet BIG bepaalt in artikel 73 lid 9 dat, indien het Centraal Tuchtcollege
tot het oordeel komt dat de in eerste aanleg gegeven beslissing niet kan worden gehandhaafd,
het deze beslissing vernietigt en de zaak zelf afdoet. In dit geval zou dat betekenen
dat niet twee, maar één instantie de klacht inhoudelijk beoordeelt. Dat acht het Centraal
Tuchtcollege niet wenselijk. De zaak zal daarom teruggewezen worden naar het Regionaal
Tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch voor een inhoudelijke behandeling van de klacht.
4. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep en opnieuw rechtdoend;
wijst de zaak terug naar het Regionaal Tuchtcollege te
’s-Hertogenbosch om de klacht inhoudelijk te behandelen.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter,
R. Prakke-Nieuwenhuizen en H.K.N. Vos, leden-juristen, en D. Coppoolse en J. Hermans,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.