ECLI:NL:TGZCTG:2026:191 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3153
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:191 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-10-2026 |
| Datum publicatie: | 07-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3153 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft een aanvraag gedaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Deze aanvraag is afgewezen. Klager heeft hiertegen geprocedeerd. De Centrale Raad van Beroep heeft DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) opgedragen een medisch adviseur over de zaak van klager te laten oordelen. Verweerder heeft als medisch adviseur op verzoek van DUO medische rapportages uitgebracht. Klager beklaagt zich over deze rapportages. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. Gelet op het strikte toetsingskader heeft de arts tot zijn conclusies heeft kunnen komen. De redenen die klager heeft aangevoerd dat hij zijn studie heeft moeten beëindigen, rechtvaardigen niet de conclusie dat hem een nieuwe aanspraak op studiefinanciering toekomt. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3153 van:
A.,
wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
gemachtigde: C., werkzaam te Den Haag,
tegen
D.,
werkzaam te E./F.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de arts,
gemachtigde: mr. D. Kuijken, werkzaam te Groningen.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager heeft een aanvraag gedaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
Deze aanvraag is afgewezen. Klager heeft hiertegen geprocedeerd. De Centrale Raad
van Beroep heeft DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) opgedragen een medisch adviseur
over de zaak van klager te laten oordelen. De arts heeft als medisch adviseur op verzoek
van DUO medische rapportages uitgebracht. Klager beklaagt zich over deze rapportages.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 5 december 2025 met nummer Z2025/7994 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:157). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.
2.3 De zaak is op de zitting van 2 september 2026 behandeld. Namens klager was zijn gemachtigde aanwezig. De arts en zijn gemachtigde waren ook aanwezig. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klager stond in het studiejaar 2010-2011 ingeschreven voor de wo-opleiding G. aan de Universiteit H. In het studiejaar 2011-2012 stond klager voor dezelfde opleiding ingeschreven aan de I. Klager kreeg in december 2010 gezondheidsproblemen waardoor hij uiteindelijk zijn wo-studie niet heeft voortgezet. Klager heeft daarom in 2011 bij de minister een Verzoek Voorziening prestatiebeurs ingediend. Daarbij heeft hij op grond van artikel 5.16, vierde lid van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF) verzocht om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering voor een voor hem meer passende studie (hbo J.), waar hij zich in september 2012 voor heeft ingeschreven. Deze aanvraag is in eerste instantie afgewezen. Klager heeft hierover geprocedeerd. Zijn bezwaar en vervolgens zijn beroep bij de rechtbank zijn allebei ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de rechtbank heeft klager hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Op 27 mei 2015 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden bij de CRvB. De CRvB oordeelde dat er nader onderzoek moest worden gedaan om tot een oordeel te komen. De CRvB heeft, bij brief van 1 februari 2016, DUO verzocht om een arts in te schakelen om te beoordelen of er sprake was van bijzondere omstandigheden van medische aard als bedoeld in artikel 5.16, lid 4 WSF 2000. In deze brief staat vermeld dat uit de beoordeling van de door DUO ingeschakelde arts deugdelijk onderbouwd zal moeten blijken of klager al dan niet als gevolg van handicap/ziekte genoodzaakt is geweest de opleiding G. te beëindigen en of de nadien aangevangen opleiding J. al dan niet passender is gelet op de handicap/ziekte van klager.
3.3 DUO heeft de arts als medisch adviseur verzocht om deze beoordeling te geven. Bij brief van 10 februari 2016 heeft de arts klager verzocht om hem nader in te lichten over zijn medische situatie. Hij heeft klager gevraagd om een eigen beschrijving van zijn medische situatie en om een ondertekende machtiging te sturen waarmee de arts medische informatie bij de behandelaar/behandelaren van klager kon opvragen. Klager heeft hier geen gehoor aan gegeven maar heeft de CRvB verzocht om een beoordeling van de arts achterwege te laten en zelfstandig te beoordelen of klager in aanmerking zou komen voor de voorziening. De CRvB heeft geen aanleiding gezien tot een wijziging van de vraagstelling genoemd in de brief van 1 februari 2016. De arts heeft bij brief van 15 maart 2016 klager opnieuw verzocht om een zelfbeschrijving en een ingevulde machtiging te sturen.
3.4 Klager heeft vervolgens een toestemmingsverklaring gestuurd waarin hij zijn huisarts machtigt om inlichtingen aan de arts te verstrekken. Ook heeft hij een zelfbeschrijving toegestuurd. De arts heeft de huisarts van klager meerdere brieven gestuurd met het verzoek om medische informatie. Klager heeft de arts per e-mail van 27 november 2016 laten weten dat hij de CRvB heeft verzocht om DUO opdracht te geven om de arts op basis van de al beschikbare documenten een oordeel te geven. Het betreft het (bij de aanvraag verplicht over te leggen) formulier van 19 juli 2012 met medische informatie van de huisarts, een brief van de huisarts van 7 november 2014, een foto van de medicijndoos met de datum 12 december 2011. Op basis van de feitelijke informatie uit deze documenten zou de arts volgens klager een antwoord moeten kunnen geven op de gestelde vraag.
3.5 Op 7 december 2016 heeft er opnieuw een zitting plaatsgevonden bij de CRvB. In het proces-verbaal is opgenomen dat het onderzoek door de arts niet volledig is geweest en dat de minister wederom een medisch adviseur inschakelt. De vraagstelling blijft dezelfde. Nu gebleken is dat de huisarts van klager de door de arts verzochte inlichtingen niet heeft verstrekt, wordt van de arts verlangd dat hij advies uitbrengt op grond van de in het dossier aanwezige stukken en eigen onderzoek. Als hiermee geen deugdelijk onderbouwd advies kan worden gegeven dan ligt het op de weg van de arts om een externe deskundige in te schakelen.
3.6 De arts heeft op 30 januari 2017 een rapportage uitgebracht waarin hij tot de conclusie komt dat er geen sprake is van een bijzondere medische omstandigheid van structurele aard zoals bedoeld in artikel 5.16, vierde lid WSF 2000. Klager is niet als gevolg van ziekte en/of gebrek genoodzaakt geweest de opleiding G. te beëindigen. Er is geen argument van objectief medische aard op grond waarvan de hbo-opleiding J. passender zou zijn.
3.7 Klager heeft naar aanleiding van deze rapportage een rapportage d.d. 13 april 2017 laten opstellen door K., neuroloog in opleiding. DUO heeft de arts per e-mail van 2 mei 2017 verzocht een reactie op deze rapportage te geven. De arts heeft dit gedaan in zijn rapportage van 19 juni 2017. K. heeft op verzoek van klager opnieuw een rapportage opgesteld en is hierin ingegaan op de rapportage van de arts van 19 juni 2017. Klager heeft deze rapportage van K. overgelegd aan de CRvB. Daarbij is tevens een brief van 4 augustus 2017 van psychotherapiepraktijk L. overgelegd. In deze brief staat dat klager bij deze praktijk negen behandelingen heeft gevolgd tussen september 2010 en augustus 2011 in verband met een depressie. DUO heeft de arts opnieuw gevraagd een rapportage op te stellen in reactie op het rapport van K. De arts heeft dit gedaan in zijn rapportage van 22 augustus 2017 waarin hij beschrijft dat hij geen aanknopingspunten ziet om zijn eerdere conclusie te herzien.
3.8 Op 15 november 2017 heeft de CRvB uitspraak gedaan en geoordeeld dat het hoger beroep niet slaagt.
3.9 Op 9 januari 2025 heeft klager bij het Regionaal Tuchtcollege een klacht ingediend.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verweet de arts bij het Regionaal Tuchtcollege dat hij
1. Medisch/wetenschappelijke onjuiste stellingen heeft gebruikt in zijn rapporten;
2. Onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan;
3. Onterecht heeft getwijfeld aan het oordeel van de behandelend arts;
4. Conclusies heeft getrokken die op basis van de beschikbare informatie nooit
getrokken had mogen worden.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.
4.3 De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen.
4.4 Het gevolg is dat de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling voorligt.
Toetsingskader
4.5 Volgens vaste rechtspraak moet een deskundigenrapport van een BIG-geregistreerde
zorgverlener aan de volgende eisen voldoen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op
welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.
Daarbij wordt volledig getoetst of het onderzoek door de deskundige voldoende vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Dit laatste betreft dus een marginale beoordeling.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal
Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond
heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft de overwegingen van het Regionaal
Tuchtcollege en voegt daar nog het volgende aan toe.
Klager heeft verzocht om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering op grond van
artikel 5.16, vierde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), omdat hij
door psychische problemen heeft moeten stoppen met zijn universitaire studie.
4.7 Artikel 5.16 lid 4 Wsf 2000 bepaalt dat, indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, de student bij keuze voor een passender opleiding een nieuwe aanspraak op studiefinanciering ontvangt.
4.8 In artikel 5.16 lid 5 Wsf 2000 is te lezen dat de minister op aanvraag van de student vast stelt of er sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven.
4.9 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5.16 lid 4 Wsf 2000 volgt dat de in dit lid getroffen voorziening enkel ziet op zeer uitzonderlijke gevallen. Deze voorziening is daarmee slechts bedoeld voor gevallen die bij afwijzing evident leiden tot een onredelijk of onbillijk resultaat.
4.10 Gelet op de redactie van artikel 5.16 lid 4 Wsf 2000 en de toelichting op dit artikellid wordt een nieuwe aanspraak op studiefinanciering slechts in uitzonderlijke situaties toegekend. Bij de beantwoording van de vraag of destijds sprake was van een bijzondere medische omstandigheid die klager noopte tot beëindiging van de studie geschiedenis heeft de arts zich gebaseerd op informatie uit de beschikbare documenten. Hij heeft uitgelegd dat hij die toereikend achtte om de vraag te beantwoorden en dat onderzoek in de vorm van een persoonlijk consult geen meerwaarde had. De specifieke vraagstelling rechtvaardigt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege deze werkwijze van de arts om de situatie van klager te beoordelen op de stukken en hem niet tijdens een consult persoonlijk te bevragen en te onderzoeken. Zoals het Regionaal Tuchtcollege met juistheid heeft overwogen is het niet aan de arts als adviseur van DUO om een diagnose te stellen. Het Centraal Tuchtcollege is verder van oordeel dat de rapporten - gelet op het zeer strikte toetsingskader – voldoen aan de daaraan te stellen eisen en dat de arts in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
4.11 Tot slot overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de stellingen die door en namens klager over het rapport zijn ingenomen, berusten op een onjuiste en onzorgvuldige lezing van dat rapport. Daardoor geeft klager de inhoud en conclusies van het rapport in zijn processtukken niet op juiste wijze weer. Deze stellingen kunnen daarom niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.
Conclusie
4.12 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter,
R. Prakke-Nieuwenhuizen en H.K.N. Vos, leden-juristen, en D. Coppoolse en J. Hermans,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.