ECLI:NL:TGZCTG:2026:190 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3149

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:190
Datum uitspraak: 07-10-2026
Datum publicatie: 07-10-2026
Zaaknummer(s): C2026/3149
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een arts. De arts werkt binnen de penitentiaire inrichting (PI) waar klager verblijft. Voor zijn verblijf in detentie had klager al een tijd pijnklachten in zijn onderrug. Klager verwijt de arts dat hij heeft nagelaten een juiste behandeling in te zetten voor zijn rugklachten. Daarnaast verwijt klager de arts dat hij ten onrechte niet is doorverwezen.Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en zal het beroep van klager verwerpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3149 van:

A., (destijds) verblijvende in B., appellant, klager in eerste aanleg,

hierna: klager, gemachtigde: mr. M.C.W. Houtepen,
 

tegen

C., arts, (destijds) werkzaam in B.,

verweerder in beide instanties,

hierna: de arts.

1.         De kern van de zaak

1.1       De arts werkt binnen de penitentiaire inrichting (PI) waar klager verbleef. Voor zijn verblijf in detentie had klager al een tijd pijnklachten in zijn rug. Klager verwijt de arts dat hij heeft nagelaten een juiste behandeling in te zetten voor zijn rugklachten. Daarnaast verwijt klager de arts dat hij ten onrechte niet is doorverwezen.

1.2       Het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle heeft de klacht op 18 november 2025 ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en zal het beroep van klager verwerpen.
 

2.         Verloop van de procedure in beroep

2.1       Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle van 18 november 2025 met nummer Z2025/8284 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:152).

2.2       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier bij het Regionaal Tuchtcollege, van het beroepschrift en het verweerschrift in beroep.

2.3       De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 23 september 2026 behandeld. Klager was aanwezig en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De arts heeft zich niet (tijdig) gemeld bij de bode. Het Centraal Tuchtcollege heeft de behandeling van de zaak daarom enige tijd aangehouden. Toen de arts aanzienlijke tijd later nog steeds niet was verschenen en het College geen bericht van de arts had ontvangen dat hij vertraagd was, heeft het Centraal Tuchtcollege de zaak behandeld zonder dat de arts daarbij aanwezig was. Na sluiting van de zitting is gebleken dat de arts wel bij de zitting aanwezig had willen zijn maar zich helaas bij een verkeerd adres heeft gemeld.  
 

3.         De feiten

3.1       Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
 

3.2       Klager verbleef vanaf november 2024 tot aan de schorsing van de voorlopige hechtenis in november 2025 in de PI te B.. De arts is werkzaam binnen deze PI. Voor zijn verblijf in detentie had klager al een tijd pijnklachten in zijn onderrug.

3.3       Vanaf 27 november 2024 was de arts betrokken bij de behandeling van klager. Hij schreef toen naproxen voor, voor een periode van drie maanden, in verband met chronische rugproblematiek. Klager was op dat moment al door een andere inrichtingsarts verwezen naar de neuroloog en wachtte op een afspraak.

3.4       Op 4 december 2024 werd contact opgenomen met de arts, omdat klager nog niet naar de arbeid was geweest. Het arbeidsprotocol werd op dat moment pro-forma opgestart, en zou na het bezoek aan de neuroloog worden afgerond. Klager zou na twee weken retour komen op het spreekuur. De arts verwees klager verder door naar de fysiotherapeut.

3.5       Op 18 december 2024 kwam klager weer bij de arts, om de bevindingen van de neuroloog te bespreken. De neuroloog had naar aanleiding van klagers bezoek aan het ziekenhuis op 10 december 2024 geconcludeerd dat sprake was van lumbago zonder afwijkingen op MRI-LWK. Het advies was om de pijnstilling in overleg met de huisarts door te zetten en in beweging te blijven en niet te overbelasten. Er was geen sprake van een hernia of stenose. De arts noteerde in het medisch dossier dat klager wel een kandidaat voor de rugpoli zou zijn. Verder adviseerde de arts zo spoedig mogelijk het eerste consult met de fysiotherapeut te plannen, en dan met deze therapeut een plan op te stellen voor beweging binnen de PI.

3.6       Klager bezocht de arts weer op 15 januari 2025, en de arts verrichtte rugonderzoek. De arts noteerde een bewegingsbeperking, met name aan de rechterzijde op niveau L1-2 en een hoge spierspanning. Hij sprak met klager af dat hij eerst het advies van de fysiotherapeut wilde horen voor een vervolgstap, en klager zou over twee weken terugkomen.

3.7       Op 29 januari 2025 noteerde de arts naar aanleiding van een consult op die dag dat het door meer te bewegen duidelijk beter ging met de lage rugklachten, klager leek uit de negatieve spiraal te komen. Op verzoek van de arts was contact gezocht met de afdeling om klager meer gelegenheid te bieden te bewegen, klager kon in recreatietijd gebruik maken van de loopband. Verder noteerde de arts dat klager door moest gaan met de fysiotherapie en dat hij geen indicatie meer voor de rugpoli had en Viagra kreeg voor bezoek zonder toezicht.

3.8       Tijdens een bezoek van klager aan de arts op 26 februari 2025 deelde de arts hem mee dat hij geen Viagra meer kreeg. Verder vertelde hij klager dat er waarschijnlijk (ook) een psychische component achter zijn rugklachten zat, en stelde hij voor om met de fysiotherapeut en psycholoog te overleggen, om te horen wat de opties waren bij een somatiserende cliënt. De arts noteerde op 19 maart 2025 dat klager gepikeerd was over het weigeren van de Viagra, het niet doorverwijzen en de afhankelijkheid van pijnstilling. De arts legde uit dat er geen anatomische afwijkingen waren en dat conservatieve therapie (fysiotherapie en bewegen) de beste opties waren. Klager liet op 24 maart 2025 weten niet meer naar de arts te willen.
 

4.         De klacht

4.1       Het Regionaal Tuchtcollege heeft de verwijten van klager als volgt samengevat.

Klager verwijt de arts dat hij:

  1. een juiste behandeling van zijn rugklachten heeft nagelaten;
  2. klager ten onrechte niet heeft doorverwezen voor behandeling van zijn rugklachten.

De klacht is door het Regionaal Tuchtcollege ongegrond verklaard.
 

5.         Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over

5.1       Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep van klager heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en aan de arts een passende maatregel wordt opgelegd.

5.2       De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij kan zich vinden in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en verzoekt daarom (impliciet) om het beroep van klager te verwerpen.

Toetsingskader

5.3       Die vraag die het Centraal Tuchtcollege moet beantwoorden is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd.

Inhoudelijke beoordeling

5.4       Het Centraal Tuchtcollege komt op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop door klager tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege hierover heeft overwogen onder ‘5. De overwegingen van het college’ hier integraal over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daaraan voegt het Centraal Tuchtcollege nog het volgende toe. Klager heeft op de zitting toegelicht dat hij bang was dat er iets onherstelbaars beschadigd was in zijn rug en dat hij graag van de pijnstilling af wilde. Hij was en is nog steeds van mening dat de arts voortvarender te werk had moeten gaan met betrekking tot het behandelplan. Ook heeft hij naar voren gebracht dat inmiddels een fractuur in het TH11 gewricht is vastgesteld.

Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat - kijkend naar de het verloop van de zorgverlening aan klager door de arts – de door de arts gegeven adviezen begrijpelijk en juist zijn geweest. Uit het overgelegde dossier volgt dat hij overleg heeft gehad met andere bij klager betrokken zorgverleners en medewerkers van de afdeling waar klager verbleef, en dat klager niet verdacht was voor een hernia. De arts heeft naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege volgens de professionele standaard gehandeld door te adviseren in beweging te blijven en hem te verwijzen naar de fysiotherapeut. Ook was het een juiste afweging om eerst het ingezette beleid af te wachten en klager niet meteen door te verwijzen. Klager was immers niet verdacht voor een hernia. Dat een collega van de arts dat wel heeft gedaan en een fractuur is vastgesteld, maakt dat oordeel niet anders.

Conclusie

5.5       Het voorgaande betekent dat het beroep van klager niet slaagt.
 

6.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                   verwerpt het beroep.

Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, T. Dompeling en H. de Hek, leden-juristen en J. van Krimpen en K.E. van den Hondel, leden-beroepsgenoten en bijgestaan door E. van der Linde, secretaris.

  Uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober 2026.

                        Voorzitter w.g.                                                 Secretaris w.g.