ECLI:NL:TGZCTG:2026:180 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2850

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:180
Datum uitspraak: 14-09-2026
Datum publicatie: 14-09-2026
Zaaknummer(s): C2025/2850
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de arts onder meer dat hij onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan, heeft gezegd dat een operatie aan klagers voet niet meer mogelijk was en een gebrek aan kennis van triple artrodese operaties heeft. Daarbij verwijt klager het ziekenhuis dat dit heeft kunnen gebeuren en dat de scholing en intercollegiale toetsing van orthopedisch chirurgen niet op orde is. Het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is voor wat betreft het klachtonderdeel tegen het ziekenhuis en dat de klacht voor het overige in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt hetzelfde en verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2850 van:


A.,
wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,


tegen


C.,
orthopedisch chirurg,
werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de arts,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, werkzaam te Utrecht.


1.    Kern van de zaak

1.1    Klager verwijt de arts onder meer dat hij onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan, heeft gezegd dat een operatie aan klagers voet niet meer mogelijk was en dat de arts een gebrek aan kennis van triple artrodese operaties heeft. Daarbij verwijt klager het ziekenhuis dat dit heeft kunnen gebeuren en dat de scholing en intercollegiale toetsing van orthopedisch chirurgen niet op orde is.

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft beslist dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is voor wat betreft het klachtonderdeel tegen het ziekenhuis en dat de klacht voor het overige in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege komt tot het oordeel dat de klachten ongegrond zijn en zal dat hieronder toelichten.

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7475 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:99). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedures in eerste aanleg en in beroep.

2.3    De zaak is in beroep eerst in raadkamer behandeld. Bij beslissing van 26 november 2025 is beslist dat klager tijdig beroep heeft ingesteld. Vervolgens is de zaak behandeld op de zitting van 19 augustus 2026. Daar waren aanwezig klager en de arts, laatstgenoemde bijgestaan door mr. V.C.A.A.V. Daniels. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.
    
3.    Feiten

3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

3.2     Klager had last van zijn rechtervoet. Op 16 november 2020 is klager hiervoor bij een collega van de arts op het spreekuur geweest. Klager is vervolgens door de collega naar de arts verwezen.

3.3     Er is op 1 december 2020 omstreeks 10:30 uur een röntgenonderzoek gedaan waarbij drie opnamen zijn gemaakt van klagers voet. 

3.4     Hierna is klager op het spreekuur van de arts gekomen. Een samenvatting van wat tijdens het consult op 1 december 2020 is besproken is genoteerd in het dossier. Onder het kopje ‘anamnese’ is voor zover van belang en letterlijk weergegeven vermeld: ”Gevraagd patient te zien op verzoek van collega (..). Heeft TKP bdz en klachten van benen en mn. re voet. Door neuroloog geduid als lichte klapvoet re>li bij lichte polyneuropathie. Pijn re voet ontstaan na TKP re. Niet bekend met DM. Klein kinderen met Ehlers-Danlos. Als kind release peesplaat van voetzool. Heeft wel al effect gemerkt van amitryptiline”. Onder het kopje ‘lichamelijk onderzoek’ is door de arts genoteerd:” Varusstand re enkel met beweeglijk BSG en vrijwel opgeheven beweeglijkheid OSG re. Pijnlijk in OSG maar ook TN bij palpatie. Voorvoet re: hamerteen dig 2 met hallux valgus interphalangeus.” Naar aanleiding van de gemaakte röntgenopname werd genoteerd: “Voeten bdz (AP en lateraal belast): forse osteopenie voetskelet bdz met abductiestand dig 2-3 re. Re voet lateraal: artrose TN en NC1. Li voer: minimale midtarsale artrose maar wel exostose TMT 2.”.

3.5     Gezien de uitgebreide afwijkingen heeft de arts klager geadviseerd geen operatie te ondergaan, maar door te gaan met de pijnbestrijding en te proberen met steunzolen de situatie te optimaliseren.

3.6     Op 19 april 2024 is klager voor een second opinion naar een orthopedisch chirurg in de E. gegaan. De conclusie aldaar was dat klager op de wachtlijst zou worden geplaatst voor een triple artrodese rechts. Deze operatie heeft plaatsgevonden en klager heeft tijdens de zitting in beroep verteld dat de operatie succesvol is verlopen en dat hij geen pijnklachten aan zijn rechtervoet meer heeft.

3.7     In een brief van 16 juni 2024 heeft klager een aansprakelijkstelling naar de arts gestuurd. 
    
4.    Beoordeling van het beroep

4.1     Klager verwijt de arts dat hij a) geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht onder meer door
röntgenfoto’s en een CT-scan, b) ten onrechte stelt dat hij een nieuwe röntgenfoto heeft gemaakt, c) heeft gezegd dat er geen operatie meer mogelijk zou zijn aan zijn voet, en d) een kennisgebrek heeft ten aanzien van triple artrodese operaties. Daarnaast verwijt klager in eerste aanleg het ziekenhuis dat dit het handelen van de orthopedisch chirurg niet heeft voorkomen en ook dat het ziekenhuis de scholing en intercollegiale toetsing van de orthopedisch chirurgen niet op orde heeft. Deze klacht is in beroep niet langer aan de orde.

4.2     Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep van klager heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.  

4.3     De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij kan zich vinden in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en verzoekt daarom het beroep van klager te verwerpen. 

4.4     Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kan klager daarin dus niet worden ontvangen.

4.5    Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. De klacht is terecht ongegrond verklaard. Het besprokene tijdens de behandeling van de zaak in beroep maakt dat niet anders. Het Centraal Tuchtcollege kan zich volledig vinden in de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege onder 5.2 tot en met 5.8 en neemt die over. Daaraan voegt het Centraal Tuchtcollege nog het volgende toe. De stelling van klager dat de arts valsheid in geschrifte heeft gepleegd, kan het Centraal Tuchtcollege niet volgen. Duidelijk is dat de zich in het dossier bevindende brief van de arts van 8 december 2020, gericht aan de huisarts van klager (productie 7B bij het verweerschrift in eerste aanleg), is gevoed met de informatie die staat vermeld in het verslag van het consult van 1 december 2020, dat door de arts is voorbereid op 
30 november 2020 (productie 7A bij het verweerschrift in eerste aanleg). De keuze van de arts om niet (direct) te opereren kan het Centraal Tuchtcollege goed volgen, gelet op de complexe problematiek van de voet, de comorbiditeit, het daarbij gepaard gaande verhoogde risico op complicaties en de leeftijd van klager. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geenszins gebleken. 

4.6    Het voorgaande betekent dat het beroep van klager wordt verworpen. 

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend;

verwerpt het beroep voor het overige. 
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter,
S.M.M. Bordenga en H. de Hek, leden-juristen, en N.R.A. Baas en W.J. Rijnberg,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2026.
Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.