ECLI:NL:TGZCTG:2026:175 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3103
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:175 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-08-2026 |
| Datum publicatie: | 24-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3103 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. De dochter van klaagster klaagde over oorpijn en hoofdpijn. De huisarts heeft haar halverwege februari 2022 op het spreekuur gezien. De huisarts concludeerde tot een oorontsteking met koorts. Drie dagen later zag de huisarts haar weer op het spreekuur en na onderzoek en overleg met een kinderarts schreef de huisarts antibiotica voor. Hij zag verder geen aanleiding om de dochter naar het ziekenhuis te verwijzen. Op dezelfde dag heeft de huisarts klaagster nog gebeld waarna hij nogmaals heeft overlegd met de kinderarts. Ook toen zag de huisarts geen aanleiding de dochter naar het ziekenhuis te verwijzen. Diezelfde avond is zij via de HAP alsnog naar het ziekenhuis verwezen en bleek dat sprake was van een hersenvliesontsteking. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3103 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., huisarts, (destijds) in opleiding,
(destijds) werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema MBA, verbonden aan VvAA Legal te Utrecht.
1. De kern van de zaak
1.1 De dochter van klaagster was sinds 6 februari 2022 ziek en had last van oorpijn
en hoofdpijn. Op 15 februari 2022 heeft de huisarts haar op het spreekuur gezien en
concludeerde dat er sprake was van een oorontsteking met koorts. Op 18 februari 2022
zag de huisarts haar weer op het spreekuur en schreef hij na onderzoek en overleg
met een kinderarts antibiotica voor. Hij zag geen aanleiding om de dochter naar het
ziekenhuis te verwijzen. Op dezelfde dag heeft de huisarts klaagster in de namiddag
gebeld waarna hij nogmaals heeft overlegd met de kinderarts die geen aanleiding zag
voor een verwijzing naar het ziekenhuis. Diezelfde avond is de dochter van klaagster
via de HAP alsnog naar het ziekenhuis verwezen en bleek dat sprake was van een hersenvliesontsteking.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege in ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht op 19 november 2025 ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege acht de klacht eveneens ongegrond en zal het beroep van klaagster niet gegrond verklaren.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg in ‘s-Hertogenbosch van 19 november 2025 met nummer H2024/7725
(ECLI:NL:TGZRSHE:2025:131).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier bij het Regionaal Tuchtcollege, van het beroepschrift, het filmpje dat klaagster per e-mail op 21 februari 2026 heeft ingediend, en van het verweerschrift in beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 juli 2026 behandeld. De huisarts was op de zitting aanwezig en werd bijgestaan door mr. Hielkema. Klaagster is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De pleitaantekeningen van klaagster zijn aan het dossier toegevoegd.
3. De feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Op zondag 6 februari 2022 werd de dochter van klaagster, toen vier jaar oud, ziek. Ze klaagde over oorpijn en hoofdpijn.
3.3 Op dinsdag 15 februari 2022 werd de dochter voor het eerst door de huisarts gezien. Hij diagnosticeerde haar met oorontsteking met koorts en adviseerde haar uit te laten zieken.
3.4 Omdat de situatie verslechterde is er op vrijdag 18 februari 2022 een nieuw
consult
met de huisarts geweest. De dochter had onder meer koorts en hoofdpijn en klaagster
vermoedde dat ze een hersenvliesontsteking had. De huisarts concludeerde na onderzoek
en overleg met de kinderarts dat sprake was van koorts en malaise bij een oorontsteking,
waarvoor hij antibiotica voorschreef met het advies het verloop aan te kijken gedurende
tenminste 24 uur en bij verslechtering contact op te nemen met de huisartsenpost.
3.5 De huisarts belde later die dag met klaagster met de vraag hoe het ging. Klaagster vertelde toen dat het ondanks vele pogingen en advies van de apotheek niet was gelukt antibiotica te geven en dat de dochter heel ziek was. De huisarts overlegde daarna nogmaals met een kinderarts. Deze gaf het advies om klaagster te zeggen dat ze moest blijven proberen antibiotica toe te dienen.
3.6 Klaagster heeft kort daarna contact opgenomen met de huisartsenpost. De dochter klaagde nu ook over nekpijn. De dienstdoende huisarts van de huisartsenpost twijfelde en belde een kinderarts die adviseerde naar het ziekenhuis te gaan. De dochter is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht en daar bleek uiteindelijk dat sprake was van een hersenvliesontsteking.
4. De klacht
4.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de verwijten van klaagster als volgt samengevat.
Klaagster verwijt de huisarts dat:
a) hij onzorgvuldig heeft gehandeld door geen adequate actie te ondernemen in
verband met de klachten van de dochter van klaagster, uiteindelijk resulterend in
de diagnose meningitis (hersenvliesontsteking);
b) de kinderarts tot twee keer toe geen groen licht heeft gegeven voor insturen,
omdat de huisarts niet met de juiste overtuiging en informatie het overleg heeft gevoerd.
De klacht is door het Regionaal Tuchtcollege ongegrond verklaard.
5. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
5.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep van klaagster heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de zaak in volle
omvang beoordeelt en de klacht alsnog gegrond verklaart.
5.2 De huisarts heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen.
Toetsingskader
5.3 Die vraag die ook het Centraal Tuchtcollege moet beantwoorden is of de huisarts
de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een
redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden
ten tijde van het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd. Dat een zorgverlener
achteraf beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Dit betekent ook dat het feit dat achteraf bleek dat er sprake was van meningitis,
niet op voorhand met zich meebrengt dat de huisarts een tuchtrechtelijk verwijt te
maken valt. Het Centraal Tuchtcollege kan bij haar oordeel uitsluitend de informatie
betrekken die voor de huisarts beschikbaar was op het moment dat hij de diagnose stelde
en het behandelbeleid bepaalde. Dit leidt ertoe dat het (schrijnende) filmpje dat
klaagster van haar dochter heeft gemaakt en aan het Centraal Tuchtcollege heeft verstrekt
geen rol kan spelen bij de beoordeling van de klacht omdat de huisarts het filmpje
indertijd niet heeft gezien.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel a) de huisarts heeft geen adequate actie ondernomen voor de klachten
van de dochter van klaagster
5.4 Klaagster verwijt de huisarts met dit klachtonderdeel dat hij onzorgvuldig
heeft gehandeld door geen adequate actie te ondernemen in verband met de klachten
van de dochter van klaagster, uiteindelijk resulterend in de diagnose meningitis.
Volgens klaagster heeft de huisarts de ernst van de klachten van haar dochter op vrijdag
18 februari 2022 niet ingezien en heeft hij geen adequaat advies gegeven, zowel niet
tijdens het consult in de ochtend als niet tijdens het telefonisch consult in de middag.
De huisarts had de dochter van klaagster moeten verwijzen naar het ziekenhuis.
5.5 De huisarts voert aan dat hij in de ochtend van 18 februari 2022 niet een heel ziek kind zag. Zij klom zelf op de onderzoeksbank, klaagde niet over nekpijn, draaide haar hoofd, het lukte om de kin op de borst te doen en haar benen konden in rugligging zonder pijn worden opgetild. Het resultaat van het onderzoek door de huisarts wees niet op hersenvliesontsteking. Hij heeft met de kinderarts gebeld omdat klaagster ernstig ongerust was, niet omdat hij zelf twijfelde. In de middag heeft de huisarts met klaagster gebeld omdat zij in de ochtend zo ongerust was en de huisarts deze ongerustheid met zijn opleider in de middag heeft besproken. Omdat het klaagster niet lukte om de antibiotica toe te dienen en vertelde dat de dochter heel ziek was, heeft de huisarts de kinderarts weer gebeld. De kinderarts was stellig in het advies om te blijven proberen antibiotica te geven. Op dat moment was het voor de huisarts niet duidelijk dat klaagster verwachtte dat het toedienen van antibiotica niet meer zou lukken. Hij herhaalde daarom het advies de antibiotica toe te dienen en het vangnet advies om contact met de HAP op te nemen.
5.6 Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling in beroep duidelijk uitgelegd hoe het beloop van de ziekte van haar dochter was tot 18 februari 2022 en hoe ongerust ze was toen ze merkte dat haar dochter die dag (weer) zieker werd en dat zij de huisartsenpraktijk heeft gebeld met het verzoek de afspraak van die dag te vervroegen. Dat is ook gebeurd. Op het tijdstip van het consult bij de huisarts leek het echter weer iets beter te gaan met de dochter. De huisarts heeft verteld dat zij op dat moment niet een hele zieke indruk op hem maakte. Hij heeft hierover ook duidelijke aantekeningen gemaakt in het dossier. Het Centraal Tuchtcollege volgt de huisarts in zijn toelichting dat hij adequaat onderzoek heeft gedaan, (ook) gericht op de symptomen van hersenvliesontsteking. Hij heeft vastgesteld dat de benen van de dochter goed opgetild konden worden zonder pijn en dat haar hoofd naar de borst gebogen kon worden. Op basis van het resultaat van het onderzoek kon de huisarts in redelijkheid hersenvliesontsteking op dat moment uitsluiten. Ook door de kinderarts te bellen vanwege de ongerustheid van klaagster heeft de huisarts op dat moment adequaat gehandeld. Op basis van de bevindingen van de huisarts kwam de kinderarts tot dezelfde werkdiagnose en hetzelfde behandeladvies als de huisarts. Van het handelen tijdens het consult in de ochtend kan de huisarts gezien het voorgaande dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.7 Het Centraal Tuchtcollege acht het daarnaast zorgvuldig dat de huisarts het consult heeft nabesproken met zijn opleider, en dat hij naar aanleiding van dat overleg klaagster aan het einde van de middag heeft gebeld om te informeren hoe het ging. Voor de huisarts was het op dat moment wel duidelijk dat het slechter ging met de dochter van klaagster en dat het ondanks vele pogingen nog niet gelukt was om haar antibiotica toe te dienen. De huisarts heeft opnieuw de kinderarts gebeld vanwege het verslechterde toestandsbeeld van de dochter en zijn twijfels hierover. De kinderarts bevestigde het beleid dat nog steeds geprobeerd moest worden om de antibiotica toe te dienen en dat er geen aanleiding was om de dochter naar het ziekenhuis te verwijzen.
5.8 Gelet op zijn bevindingen tijdens het onderzoek van die ochtend en het advies van de kinderarts, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de huisarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat hij in de middag heeft vastgehouden aan zijn werkdiagnose koorts en malaise bij een oorontsteking, en het advies om nog te blijven proberen antibiotica toe te dienen. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) de huisarts heeft niet met de juiste overtuiging en informatie
het overleg met de kinderarts gevoerd
5.9 Klaagster verwijt de huisarts met dit klachtonderdeel dat de huisarts tijdens
beide consulten ten onrechte heeft besloten haar dochter niet in te sturen. Zij is
van mening dat de kinderarts anders zou hebben geadviseerd als de huisarts wel de
juiste informatie met meer overtuiging aan de kinderarts zou hebben overgebracht.
5.10 Op basis van hetgeen klaagster in de stukken en tijdens de zitting naar voren heeft gebracht kan het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen dat de huisarts de kinderarts onjuist heeft geïnformeerd of onvoldoende heeft proberen te overtuigen van de ernst van de klachten van de dochter. Het college is immers niet bij de gesprekken aanwezig geweest en dus van de communicatie tussen de huisarts en de kinderarts geen getuige geweest. Wel heeft het college kunnen constateren dat klaagster erg ongerust was. Zij heeft zowel bij het mondeling vooronderzoek bij het Regionaal Tuchtcollege als op de zitting in beroep consistent toegelicht dat zij op alle mogelijke manieren het advies om antibiotica toe te dienen heeft opgevolgd, zoals in de yoghurt en met een pipetje, maar dat niets hielp en dat zij ook nog de apotheek heeft gebeld om te vragen naar advies voor het toedienen. Mede daardoor en het feit dat de huisarts haar dochter op 15 februari 2022 ook al had gezien, begrijpt het college dat klaagster zich wanhopig voelde en dat klaagster teleurgesteld was over het advies van de kinderarts in de middag. Alles overziend was het naar het oordeel van het college wel beter geweest als de huisarts de wanhoop van klaagster meer had betrokken in het tweede overleg met de kinderarts en indringender de optie van insturen had besproken, zoals de huisarts zelf ook aangeeft. Dit verbeterpunt overschrijdt echter niet de tuchtrechtelijke drempel, omdat de inzet van het behandelbeleid in de kern juist was, gezien de bevindingen van de huisarts tijdens het consult in de ochtend en het advies van de kinderarts. Het college acht het klachtonderdeel dan ook ongegrond.
5.11 Alles bij elkaar komt het Centraal Tuchtcollege tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege alle klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard.
Conclusie
5.12 Het voorgaande betekent dat het beroep van klaagster niet kan slagen.
6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, J. Legemaate en H.K.N.
Vos, leden-juristen, en D. Coppoolse en C.A. Lindeboom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 24 augustus 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.