ECLI:NL:TGZCTG:2026:164 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3298

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:164
Datum uitspraak: 31-07-2026
Datum publicatie: 06-08-2026
Zaaknummer(s): C2026/3298
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klaagster verwijt de huisarts dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door medische informatie van andere patiënten met haar te delen en dat hij daarnaast de eed van Hippocrates heeft geschonden door de met klaagster gemaakte afspraak voor na zijn pensioen te ontkennen en door na zijn pensioen niet meer de moeite te nemen om met klaagster in gesprek te gaan.Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft de klacht over het delen van medische informatie van andere patiënten, en de klacht voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is het daarmee eens. Zij is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.

D E  V O O R Z I T T E R  V A N  H E T  C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3298 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., huisarts,
destijds werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties. 

1.    Waar gaat de zaak over?
1.1    Klaagster verwijt de huisarts dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door medische informatie van andere patiënten met haar te delen en dat hij daarnaast de eed van Hippocrates heeft geschonden door de met klaagster gemaakte afspraak voor na zijn pensioen te ontkennen en door na zijn pensioen niet meer de moeite te nemen om met klaagster in gesprek te gaan. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft de klacht over het delen van medische informatie van andere patiënten, en de klacht voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is het daarmee eens. Zij is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.

2.    Verloop van de procedure in beroep
2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 12 mei 2026 met nummer A2025/8863. (ECLI:NL:TGZRAMS:2026:111). 

2.2    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier bij het Regionaal Tuchtcollege en van het beroepschrift van 18 mei 2026. 

3.    De feiten
3.1    Net als het Regionaal Tuchtcollege, gaat de voorzitter uit van de volgende feiten.

3.2    Klaagster was patiënt in de praktijk van de huisarts. In het kader van de rouwverwerking van klaagster en ter ondersteuning van haar therapie hebben klaagster en de huisarts afgesproken dat zij hem brieven mocht schrijven.

3.3    Na een consult heeft de huisarts klaagster abusievelijk een schriftelijke notitie meegegeven die niet voor klaagster bestemd was, maar voor een andere patiënte van de huisarts.

3.4    Naar aanleiding van een review op de website over de huisarts heeft klaagster de huisarts om opheldering verzocht.

3.5    Op 1 januari 2022 is de huisarts gestopt met werken vanwege gezondheidsproblemen. In aanloop naar het neerleggen van zijn taken is door de huisarts aan klaagster meegedeeld dat de behandelrelatie zou eindigen en dat zij een nieuwe huisarts zou krijgen in de praktijk waar hij werkzaam was. Klaagster heeft op 14 juli 2021 in het medisch dossier laten noteren:
“VM: wil de dokter duidelijk in mijn dossier willen noteren dat ik met ingang van 1 januari 2022 
patient wil worden bij D.. Bij de opvolger van C. wil ik absoluut niet.”

3.6    Op 31 december 2021 noteert de huisarts in het medisch dossier:
“gesprek en afscheid genomen.”

3.7    Na 1 januari 2022 heeft de huisarts nog enkele keren in de praktijk waargenomen in verband met de coronapandemie.

3.8    In het najaar van 2022 heeft klaagster aan het thuisadres van de huisarts brieven verzonden.

3.9    Op 12 december 2022 heeft de huisarts een brief gestuurd aan klaagster waarin hij kenbaar maakt dat hij de op zijn thuisadres ontvangen brieven van klaagster ervaart als onplezierig en haar verzoekt om daarmee te stoppen.

4.     De klacht
Klaagster verwijt de huisarts dat hij a) zijn beroepsgeheim heeft geschonden door medische informatie van andere patiënten met haar te delen en b) de eed van Hippocrates heeft geschonden door de met klaagster gemaakte afspraak voor na zijn pensioen te ontkennen en na zijn pensioen niet meer de moeite te nemen om met klaagster in gesprek te gaan. 

Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klaagster geen rechtstreeks belanghebbende is ten aanzien van klachtonderdeel a) en dat dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk is. Ten aanzien van klachtonderdeel b) heeft het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat de huisarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. 

5.    De beoordeling van het beroep

Ontvankelijkheid
5.1    De voorzitter moet eerst beoordelen of klaagster kan worden ontvangen in klachtonderdeel a). Zij heeft over dit klachtonderdeel aangevoerd dat de huisarts zowel bij het abusievelijk meegeven van de schriftelijke notitie die bestemd was voor een andere patiënte als bij het geven van context over de review op de website, informatie aan klaagster heeft gegeven over andere patiënten. Volgens klaagster heeft de huisarts hiermee zijn ambtsgeheim geschonden. De huisarts zegt hierover dat hij zijn excuses heeft aangeboden voor het meegeven van de verkeerde notitie, dat de betreffende patiënte de vergissing geen probleem vond en dat de informatie die hij gaf over de review niet herleidbaar was tot een individuele patiënt. De voorzitter overweegt dat uit artikel 65 lid 1 sub a van de Wet BIG volgt dat klaagster een rechtstreeks belanghebbende moet zijn om een klacht in te kunnen dienen bij het tuchtcollege. De voorzitter stelt voorop dat de zaken waarover klaagster in dit klachtonderdeel klaagt niet zien op de behandelrelatie tussen klaagster en de huisarts. Het gaat immers om andere patiënten. De voorzitter is het daarom eens met het Regionaal Tuchtcollege dat klaagster geen rechtstreeks belanghebbende is bij dit klachtonderdeel en daarom kennelijk niet-ontvankelijk is in haar klacht. 

Inhoudelijke beoordeling
5.2    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege moet, net als het Regionaal Tuchtcollege, beoordelen of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. 

5.3    Klaagster verwijt de huisarts met dit klachtonderdeel dat hij haar heeft toegezegd dat zij per 1 januari 2022 verder zou worden behandeld door een met naam genoemde collega van de huisarts. Naderhand is gebleken dat deze collega geen enkele patiënt zou overnemen en dat klaagster zou worden overgenomen door een andere huisarts in de praktijk. De huisarts heeft in de stukken toegelicht dat hij de door klaagster omschreven toezegging niet heeft gedaan en dat hij aan klaagster heeft toegelicht dat hij haar verzoek weliswaar zou doorgeven, maar dat hij daar na zijn pensioen niet meer over ging. 

5.4    De voorzitter is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard. De voorzitter sluit aan bij deze uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende onderbouwing en neemt deze over. Het is spijtig dat klaagster stelt door haar ervaring met de huisarts niet meer in staat te zijn om een vertrouwensrelatie met een huisarts op te bouwen, maar dit is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is op basis van het bovenstaande van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 12 mei 2026. Zij zal het beroep daarom afwijzen.

6.    Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: wijst het beroep af.

Aldus gewezen op 31 juli 2026 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan door E. van der Linde, secretaris. 
    Voorzitter w.g.                Secretaris w.g.