ECLI:NL:TGZCTG:2026:161 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3004

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:161
Datum uitspraak: 03-08-2026
Datum publicatie: 06-08-2026
Zaaknummer(s): C2025/3004
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een psychiater. Klager verbleef in een verpleeghuis voor mensen met verslavingsproblematiek. De psychiater werkte in die periode voor een instelling die psychiatrische hulp verleende in het verpleeghuis. Volgens klager heeft de psychiater hem: a) vanaf 2014 zonder zijn medeweten medicatie gegeven, als gevolg waarvan klager fysieke klachten kreeg; b) nooit lichamelijk onderzocht; c) hem tijdens een consult niet respectvol behandeld heeft. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het ingestelde beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3004 van:
A., wonende te B.,
klager in beide instanties,
hierna: klager,
tegen
F., psychiater,
destijds werkzaam te G.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de psychiater,
gemachtigde: mr. L.F. Brakel, werkzaam te Amsterdam.

1.    Kern van de zaak
1.1    Klager verbleef in 2014 en 2015 in een verpleeghuis voor mensen met een verslavingsproblematiek waaraan de psychiater destijds psychiatrische hulp verleende. Klager kreeg eind 2014 in toenemende mate fysieke klachten en verwijt de psychiater dat deze zijn veroorzaakt doordat de psychiater hem zonder zijn medeweten medicatie zou hebben toegediend. Daarnaast zou de psychiater klager nooit lichamelijk hebben onderzocht en zich jegens hem niet respectvol hebben gedragen. 

1.2    Klager heeft de klacht op 28 oktober 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam ingediend. Dit college heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege zodat het beroep van klager niet slaagt.

2.    Verloop van de procedure
2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7791 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:216). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het (aanvullend) beroepschrift en het verweerschrift in beroep. 

2.3    De zaak is op de zitting van 24 juni 2026 behandeld. Verschenen zijn klager en de psychiater, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Brakel, waarbij de psychiater via een videoverbinding deelnam. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. Brakel zijn aan het dossier toegevoegd. 

3.    Feiten
3.1    Uit de voorgeschiedenis van klager volgt dat sprake is geweest van verslavingsproblematiek met paranoïde psychoses. In mei 2012 heeft klager een subarachnoïdale bloeding doorgemaakt met als restverschijnselen sensomotorische stoornissen in de rechter lichaamshelft, afasie en cognitieve stoornissen.

3.2    Klager heeft een revalidatietraject doorlopen en verbleef met enkele onderbrekingen van 2013 tot 2017 in het verpleeghuis ‘E.’ (hierna: het verpleeghuis). 

3.3    Tijdens zijn verblijf in het verpleeghuis was klager onder behandeling van de aan het verpleeghuis verbonden huisarts (beklaagde in zaak C2025/3002). De psychiater was indertijd werkzaam bij een instelling die psychiatrische hulp verleende in het verpleeghuis. De psychiater bezocht in die hoedanigheid wekelijks het verpleeghuis en werd door de huisarts van het verpleeghuis in consult gevraagd over klager.

3.4    De psychiater heeft in 2014 of 2015 eenmaal samen met de huisarts contact gehad met klager. 

4.    Het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Volgens klager heeft de psychiater hem:
a)    vanaf 2014 zonder zijn medeweten medicatie gegeven, als gevolg waarvan klager fysieke klachten kreeg;
b)    nooit lichamelijk onderzocht;
c)    tijdens een consult niet respectvol behandeld.  

4.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard. 

4.3    De psychiater heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen. 

Toetsingskader
4.4    Het Centraal Tuchtcollege moet beoordelen of de psychiater heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht worden. De norm hiervoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor hem geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter of anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Inhoudelijke beoordeling

Klachtonderdeel a) klager zonder zijn medeweten medicatie toedienen
4.5    Klager verwijt de psychiater met klachtonderdeel a) dat hij zonder medeweten van klager medicatie heeft toegediend, waardoor klager in toenemende mate fysieke klachten kreeg. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat voor deze stelling geen aanknopingspunten bestaan. Uit de ingebrachte stukken kan worden afgeleid dat de psychiater door de behandelend huisarts van het verpleeghuis om advies is gevraagd over het al dan niet voorschrijven van psychofarmaca aan klager. In dat kader heeft de psychiater klager eenmaal gesproken. Omdat de psychiater niet de behandelaar van klager was en uitsluitend in zijn rol als consulent met klager heeft gesproken, heeft de psychiater geen aantekeningen van het gesprek en staat niet vast wanneer het gesprek precies heeft plaatsgevonden. Het college overweegt dat wel vaststaat dat de psychiater de rol van consulent had en desgevraagd uitsluitend advies gaf aan de behandelend arts. De beslissing om wel of geen psychofarmaca voor te schrijven en de verantwoordelijkheid voor die beslissing, lag bij de behandelend (verpleeg)huisarts. Anders dan klager stelt, is de psychiater hiervoor niet medeverantwoordelijk. 

4.6    Het college overweegt verder dat niet is gebleken dat na het consult met de psychiater daadwerkelijk medicatie is voorgeschreven, laat staan dat medicatie buiten medeweten of zonder instemming van klager is toegediend. Voor zover klager doelt op het gebruik van risperidon, stelt het college vast dat dit middel pas in mei 2015 in overleg met klager is voorgeschreven door de behandelend huisarts, en daarmee na de periode dat de psychiater bij klager was betrokken. Bovendien heeft klager dit middel slechts vier dagen in een lage dosering gebruikt en kan het gebruik daarmee geen verklaring zijn voor de door klager ervaren klachten. 

4.7    Het Centraal Tuchtcollege heeft begrip voor het feit dat klager zich zorgen maakte over de door hem ervaren fysieke klachten en de mogelijke oorzaak daarvan. Zoals uit de overwegingen hiervoor volgt, kunnen deze zorgen echter niet tot de conclusie leiden dat de psychiater buiten medeweten van klager psychofarmaca heeft voorgeschreven of toegediend. Het college overweegt, net als het Regionaal Tuchtcollege, dat het goed mogelijk is dat de fysieke klachten die klager ervoer verklaard zouden kunnen worden door de eerder doorgemaakte subarachnoïdale bloeding. 

4.8    Klachtonderdeel a) is door het Regionaal Tuchtcollege terecht ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b) geen lichamelijk onderzoek
4.9    Klager verwijt de psychiater met klachtonderdeel b) dat hij geen lichamelijk onderzoek heeft verricht tijdens het consult. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de taak van de psychiater consulterend van aard was, maar dat sluit lichamelijk onderzoek niet uit. Een psychiater die in consult wordt gevraagd door een behandelend arts, kan lichamelijk onderzoek verrichten als de omstandigheden daar aanleiding toe geven. In deze situatie was de psychiater om advies gevraagd over het al dan niet gebruiken van psychofarmaca. Onder deze omstandigheden is het college met de psychiater van oordeel dat er voor hem geen noodzaak bestond om klager lichamelijk te onderzoeken. 

4.10    Klachtonderdeel b) is daarmee ook terecht ongegrond verklaard door het Regionaal Tuchtcollege. 

Klachtonderdeel c) disrespectvolle bejegening
4.11    Tijdens de zitting in beroep heeft klager toegelicht dat klachtonderdeel c) ziet op een situatie waarbij klager aanwezig was in de oefenruimte van de fysiotherapie in het verpleeghuis en door de psychiater is genegeerd. De psychiater heeft toegelicht dat dit op een misinterpretatie van klager moet berusten. Voor zover de psychiater al in de ruimte aanwezig is geweest, had dat niets met klager van doen, want anders zou hij hem begroet hebben. De psychiater kan zich ook niet herinneren dat hij klager daar heeft gezien.

4.12    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de lezingen van partijen uiteenlopen. Het dossier biedt geen objectieve aanknopingspunten om vast te stellen welke lezing de juiste is. Dat betekent niet dat de lezing van klager onjuist is, maar wel dat het college de door klager gestelde feiten niet als vaststaand kan aannemen. Bij gebreke van een voldoende feitelijke grondslag kan dit klachtonderdeel daarom niet slagen en is dit terecht ongegrond verklaard.

Conclusie
4.13    Alles bij elkaar komt het Centraal Tuchtcollege tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege alle klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klager niet kan slagen.

5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep. 

Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, S.M. Evers en M.W. Zandbergen, leden-juristen, en I.A. de Boer en M.C. ten Doesschate, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
  
Uitgesproken ter openbare zitting van 3 augustus 2026.

        Voorzitter w.g.                    Secretaris w.g.