ECLI:NL:TGZCTG:2026:160 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3003

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:160
Datum uitspraak: 03-08-2026
Datum publicatie: 06-08-2026
Zaaknummer(s): C2025/3003
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een huisarts. Klager verbleef met enkele onderbrekingen van 2013 tot 2017 in een verpleeghuis voor mensen met verslavingsproblematiek. Klager is eenmaal bij de arts op consult geweest. Klager verwijt de arts dat hij adviseerde paracetamol te nemen voor de hoofdpijn. Hij had klager verder moeten onderzoeken. Bovendien had hij op de hoogte moeten zijn van de psychofarmaca die klager toegediend kreeg. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het ingestelde beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3003 van:
A., wonende te B.,
klager in beide instanties,
hierna: klager,
tegen
C., destijds huisarts,
destijds werkzaam te B.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de arts,
gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam te Utrecht.
    
1.    Kern van de zaak
1.1    Klager verbleef van 2013 tot 2017 in het verpleeghuis D., locatie E.. Op 15 mei 2015 hebben klager en de arts een consult gehad waarbij klager klachten heeft geuit over zich minder goed voelen, minder conditie, minder kracht in zijn arm en druk in het hoofd. De arts nam destijds als huisarts waar voor zijn collega. De arts heeft klager doorverwezen naar de neuroloog. 

1.2    Klager verwijt de arts dat hij adviseerde paracetamol te nemen voor de hoofdpijn. Hij had klager verder moeten onderzoeken. Bovendien had hij op de hoogte moeten zijn van de psychofarmaca die klager toegediend kreeg.

1.3    Klager heeft op 28 oktober 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam een klacht ingediend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van klager.

2.    Verloop van de procedure
2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7790 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:219). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het (aanvullend) beroepschrift en het verweerschrift in beroep. 

2.3    De zaak is op de zitting van 24 juni 2026 behandeld. Klager en de arts, die werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. van Oosterhout, waren daar aanwezig. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van de arts zijn aan het dossier toegevoegd. 

3.    Feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. 

3.2    Uit de voorgeschiedenis van klager volgt dat sprake is geweest van verslavingsproblematiek met paranoïde psychoses. In mei 2012 heeft klager een subarachnoïdale bloeding doorgemaakt met als restverschijnselen sensomotorische stoornissen in de rechter lichaamshelft, afasie en cognitieve stoornissen. 

3.3    Klager heeft een revalidatietraject doorlopen en verbleef, met enkele onderbrekingen, van 2013 tot 2017 in het verpleeghuis ‘E.’ (hierna: het verpleeghuis). Tijdens zijn verblijf in het verpleeghuis was klager onder behandeling van de aan het verpleeghuis verbonden huisarts (beklaagde in zaak C2025/3002), tevens collega van de arts.

3.4    Begin 2015 kreeg klager lichamelijke klachten. Op 2 april 2015 verwees de arts klager door naar de cardioloog in verband met krachtsverlies aan de rechterzijde. Op 12 mei 2015 noteerde de arts naar aanleiding van een consult met klager (alle citaten voor zover van belang letterlijk weergegeven en met overname van eventuele stijl- en schrijffouten): ‘Kan niet ver meer lopen, Duidelijk minder kunnen zwemmen. Hierna moeite met praten. Niet pluis, VRIJDAG op spreekuur Dagelijks RR, ritme, ademfrequentie, sat. PM lab Lyme nakijken.

3.5    Op 15 mei 2015 is klager tweemaal op consult gekomen bij de arts. Tijdens het eerste consult noteerde de arts: ‘Vertelt dat hij zich helemaal niet goed voelt minder conditie(niet meer naar het station kunnen wandelen) minder kracht in arm dikke enkels,paarse voetzool Druk ih hoofd .hoge RR.buikpijn.proeft niets,ruikt niets.pijn in de kuit (alsof ze op spanning staan), brandende pijn in li kuit en enkel. Kon niet verder lopen naar het zwembad. O)RR140/70 [...]

3.6    Na het tweede consult, dat een uur later plaatsvond, is klager door de arts verwezen naar de neuroloog.

4.    Het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Klager verwijt de arts dat hij adviseerde paracetamol te nemen voor de hoofdpijn. Hij had klager verder moeten onderzoeken. Bovendien had de arts op de hoogte moeten zijn van de psychofarmaca die klager toegediend kreeg, aldus klager.

4.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard. 

4.3    De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen. 

Toetsingskader
4.4    Het Centraal Tuchtcollege moet beoordelen of de arts heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht worden. De norm hiervoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor hem geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Inhoudelijke beoordeling
4.5    Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. De in beroep aangevoerde verwijten over onvoldoende informatievoorziening, grensoverschrijdend gedrag of het afgeven van onjuiste verklaringen is een uitbreiding van de klacht en klager kan daarin dus niet worden ontvangen.

4.6    Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht en op juiste gronden ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in dat wat het Regionaal Tuchtcollege hierover heeft overwogen onder 3.1 tot en met 3.4 en neemt dat over. De behandeling van de zaak in beroep geeft geen aanleiding om anders te beslissen. Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat uit de stukken niet volgt dat klager psychofarmaca kreeg ten tijde van het consult op 15 mei 2015. Voor zover klager met zijn stelling doelt op het gebruik van risperidon, stelt het college vast dat dit middel van 22 tot 26 mei 2015, in overleg met klager, is voorgeschreven door de behandelend huisarts en daarmee ná het consult van 15 mei 2015. 

4.7    Uit de stukken kan ook niet worden afgeleid dat de arts klager paracetamol heeft voorgeschreven. Uit het medisch dossier volgt wel dat de arts klager heeft onderzocht en ook dat hij klager heeft doorverwezen naar de neuroloog. 

4.8    Gelet op deze omstandigheden oordeelt het Centraal Tuchtcollege, net als het Regionaal Tuchtcollege, dat de arts klager serieus heeft genomen en daarin niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit betekent dat het beroep van klager wordt verworpen. 


5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover daarbij de klacht is uitgebreid of aangevuld; verwerpt het beroep voor het overige. 

Deze beslissing is genomen door L. van Dijk, voorzitter, S.M. Evers en M.W. Zandbergen, leden-juristen, en I.A. de Boer en W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
  
Uitgesproken ter openbare zitting van 3 augustus 2026.
    Voorzitter w.g.                        Secretaris w.g.