We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2026:156 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3263

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:156
Datum uitspraak: 22-07-2026
Datum publicatie: 23-07-2026
Zaaknummer(s): C2026/3263
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: .

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 63 Wet BIG, in de zaak onder nummer C2026/3263 van:

A., wonende te B.,

verzoeker,

gemachtigden: mr. L.H.E. Drenthe en mr. A.I. Keur, advocaten te Amsterdam.  

1.         Verloop van de procedure

1.1       A. - hierna verzoeker - heeft op 23 mei 2025 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle een klacht ingediend tegen C., hierna: de tandarts. Bij voorzittersbeslissing van 3 juli 2025 heeft het Regionaal Tuchtcollege verzoeker wegens misbruik van recht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker is van deze beslissing tijdig in beroep gekomen.

1.2       De mondelinge behandeling van het beroep is bepaald op woensdag 10 juni 2026 om 15:00 uur. Op 4 juni 2026 heeft verzoeker de wraking verzocht van drie leden van de zittingscombinatie: L. van Dijk en R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen, en B. van Noordenne, lid-beroepsgenoot, en daarnaast van de secretaris K.M. ten Pas.

1.3       Hierop is een wrakingskamer samengesteld bestaande uit de leden E.J. Daalder, voorzitter, en J. Legemaate en M.C. Stoové, leden-juristen. De datum van de behandeling van het wrakingsverzoek is bepaald op 9 juli 2026.  

1.4       Verzoeker heeft de zitting via een digitale verbinding bijgewoond. Zijn gemachtigden zijn in persoon op de zitting verschenen.

2.         Beoordeling van het verzoek tot wraking van secretaris K.M. ten Pas

2.1       Verzoeker heeft om de wraking verzocht van secretaris K.M. ten Pas omdat zij – zakelijk weergegeven - secretaris was in de zaken met nummers C2025/2833, C2025/2949 en C2024/2411.

2.2       Uit artikel 2 van het Wrakingsprotocol van de Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg volgt dat een secretaris niet kan worden gewraakt. Verzoeker is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in dit verzoek.

3.         Beoordeling van het verzoek tot wraking van de leden van Dijk, Prakke-Nieuwenhuizen en van Noordenne

3.1       Verzoeker voert – zakelijk weergegeven - aan dat 1) leden-jurist van Dijk en Prakke-Nieuwenhuizen in hun hoofdbetrekkingen collega’s zijn van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege die de voorzittersuitspraak heeft gewezen waar het in onderhavig beroep om gaat, en dat 2) zowel lid-jurist van Dijk als lid-beroepsgenoot van Noordenne deel uitmaakten van de combinatie van het Centraal Tuchtcollege dat op 25 maart 2026 een eindoordeel heeft gegeven in de zaken met nummers C2025/2833 en C2025/2949.

3.2       In de zaak met nummer C2025/2833 is verzoeker voor een deel niet-ontvankelijk verklaard en zijn beroep voor het overige verworpen. In de zaak met nummer C2025/2949 is een herzieningsverzoek van verzoeker ten aanzien van de eindbeslissing van het Centraal Tuchtcollege met nummer C2024/2411 afgewezen.

3.3       Lid-jurist L. van Dijk heeft namens de gewraakte leden schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking. Hij heeft aangegeven dat de leden niet in de wraking berusten.

3.4       De wrakingskamer oordeelt als volgt.

3.5       Op grond van artikel 63 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan een lid van een tuchtcollege worden gewraakt indien er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt is dat een lid van het Centraal Tuchtcollege uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het lid jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.6       Van een zodanige uitzonderlijke omstandigheid is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken. Hieronder wordt uitgelegd hoe de wrakingskamer tot dit oordeel is gekomen.

Collega’s in hoofdbetrekking

3.7       Verzoeker heeft naar voren gebracht dat leden-jurist van Dijk en Prakke-Nieuwenhuizen in hun hoofdbetrekking werkzaam zijn bij hetzelfde Gerechtshof als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege die de voorzittersbeslissing heeft gewezen waar het in onderhavig beroep om gaat.

3.8       Het eerder genoemde uitgangspunt dat een lid van het college wordt vermoed onpartijdig te zijn, brengt mee dat het enkele feit dat een lid in zijn hoofdbetrekking als raadsheer werkzaam is bij hetzelfde Gerechtshof als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege die de beslissing waarvan beroep heeft gewezen, niet maakt dat hij in een zaak bij een ander (rechterlijk) college dan bij het Gerechtshof geen onpartijdig oordeel kan geven in een zaak waarover die voorzitter een beslissing heeft genomen. In de organisatie van de tuchtrechtspraak zijn de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en de leden van het Centraal Tuchtcollege geen lid van hetzelfde college en kan uit het feit dat zij wel collega’s zijn in hetzelfde Gerechtshof niet het vermoeden worden ontleend dat zij bij de beoordeling van een beroep tegen een beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege vooringenomen zijn. De wrakingskamer volgt verzoeker dus niet in zijn algemene aanname dat de rechterlijke onpartijdigheid van de leden-jurist schade zou kunnen leiden omdat zij bij hetzelfde Gerechtshof werken als de voorzitter die de voorzittersbeslissing heeft genomen waar het in onderhavig beroep om gaat.

Deelname aan eerdere zaken

3.9       Verzoeker heeft verder gesteld dat lid-beroepsgenoot van Noordenne en lid-jurist van Dijk lid waren van de combinatie van het college dat op 25 maart 2026 een eindoordeel heeft gegeven in de zaken met nummers C2025/2833 en C2025/2949. Het feit dat zij lid waren van die combinaties en de inhoud van de uitspraken, maakt dat het aangewezen is om hen niet op te nemen in de combinatie voor beoordeling in onderhavige zaak, aldus verzoeker.

3.10     De wrakingskamer overweegt dat een lid van het college eerdere zaken van een partij heeft behandeld, niet betekent dat zij/hij een volgende zaak van die partij niet onpartijdig of met vooringenomenheid zal behandelen. Iedere zaak wordt beoordeeld op grond van de in die specifieke zaak aan de orde zijn feiten en omstandigheden, door een voltallig college. Partijen kunnen in elke zaak nieuwe argumenten naar voren brengen, die in die zaak worden gewogen en beoordeeld. Aangenomen mag worden dat een lid van het Centraal Tuchtcollege in staat is om beslissingen die hij als onderdeel van een college in een eerdere zaak heeft genomen buiten beschouwing te laten, daar op terug te komen en om in een volgende zaak een onbevangen oordeel te geven.
De wrakingskamer heeft oog voor de (subjectieve) vrees van verzoeker dat een lid van het college dat betrokken is geweest bij eerdere zaken van verzoeker zich niet vrij zou voelen om in de verschillende zaken tot een verschillend oordeel te komen. Deze enkele vrees is evenwel onvoldoende om de gestelde partijdigheid/vooringenomenheid te onderbouwen.

De wrakingskamer stelt overigens vast dat uit de uitspraken waar de leden van Noordenne en van Dijk eerder bij betrokken waren, niet blijkt dat bij de beoordeling van die zaken is vooruitgelopen op het oordeel dat in onderhavige zaak nog moet worden gegeven namelijk of bij het indienen van de klacht in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van 3 juli 2025 sprake is van misbruik van recht.  

3.11     Concluderend oordeelt de wrakingskamer dat het door verzoeker aangevoerde geen zwaarwegende redenen opleveren voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid van de gewraakte leden. Dit betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond wordt afgewezen.

4.         Beslissing

De wrakingskamer van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van K.M. ten Pas, secretaris;

wijst af het verzoek tot wraking van L. van Dijk en R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen en B. van Noordenne, lid-beroepsgenoot.

bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

beveelt dat de secretaris van de wrakingskamer onverwijld mededeling doet aan verzoeker, de - vergeefs gewraakte – leden van het college en de tandarts.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. Daalder, voorzitter, J. Legemaate en M.C. Stoové, leden-juristen, bijgestaan door E. van der Linde, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 22 juli 2026.

Voorzitter  w.g.                                                                                  Secretaris  w.g.