We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2026:133 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2827 Verzet

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:133
Datum uitspraak: 11-05-2026
Datum publicatie: 29-06-2026
Zaaknummer(s): C2025/2827 Verzet
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Verzet tegen een voorzittersbeslissing. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in de klacht omdat de klacht geen handelen betreft dat valt onder de eerste of tweede tuchtnorm. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en wijst het beroep af. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het door klager ingestelde verzet ongegrond. De samenstelling van het college onder het dictum is bij beslissing van 19 mei 2026 hersteld. Deze herstelbeslissing is opgenomen achter de beslissing op het verzet.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2827 van:

A., wonende in B.,

appellant, klager in eerste aanleg,

hierna: klager,
 

tegen
 

C.,

Arts maatschappij en gezondheid en bedrijfsarts,

werkzaam in D.,

verweerder in beide instanties,

hierna: de arts,

gemachtigde: mr. A.C. de Die, werkzaam in Amsterdam.
 

1. Verloop van de procedure

    1. Klager heeft op 11 juni 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch tegen de arts een klacht ingediend. Bij beslissing van 16 april 2025, onder nummer H2024/7454, heeft dat college klager in zijn klacht kennelijk niet‑ontvankelijk verklaard.
       
    2. Klager is in beroep gekomen tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klager bij beslissing van 2 juli 2025 afgewezen, omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. De beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing. Tegen deze beslissing heeft klager verzet aangetekend.
       
    3. Het verzet is op de zitting van 11 maart 2026 behandeld. Klager en de arts waren daarbij aanwezig. De arts werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.C. de Die. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord.
       

2. Beoordeling van het verzet

Overschrijding van de termijn

    1. Klager is het niet eens met de beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege van 2 juli 2025. Hij betoogt primair dat deze niet rechtsgeldig is, omdat deze niet binnen de wettelijke termijn is genomen. Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover als volgt.
    1. In artikel 73a, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) is bepaald dat de voorzitter van het centrale tuchtcollege kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde beroepen, alsmede beroepen die naar zijn oordeel niet zullen leiden tot een andere beslissing dan die van het regionale tuchtcollege, binnen zes weken nadat zij zijn ingesteld, bij met redenen omklede beslissing kan afwijzen. Zoals in artikel 3, derde lid, van het Reglement van orde van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (vanaf 1 april 2024) is opgenomen, geldt de datum waarop het beroepschrift bij het Regionaal Tuchtcollege is binnengekomen, als datum waarop het beroep is ingesteld.
    1. Het beroepschrift van klager tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is op 15 mei 2025 bij dat college binnenkomen. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft op 2 juli 2025 het beroep van klager tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege afgewezen. De beslissing van de voorzitter is dus genomen zes weken en zes dagen nadat het beroep is ingesteld. Dit betekent dat sprake is van een overschrijding van de in voormeld artikel 73a Wet BIG opgenomen termijn.

2.4       De wetgever heeft in de Wet BIG en in de toelichting daarop geen gevolgen verbonden aan de overschrijding van de in artikel 73a opgenomen termijn. Partijen hebben voorts niet gesteld dat zij door de overschrijding van de termijn met zes dagen zijn geschaad in enig rechtens te respecteren belang. Daarvan is ook niet op andere wijze gebleken. Bij deze stand van zaken zal het Centraal Tuchtcollege aan het feit dat de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege de termijn van zes weken met zes dagen heeft overschreden geen gevolgen verbinden. Dit betekent dat de beslissing van 2 juli 2025 niet onbevoegd is genomen en dat het primaire betoog van klager niet slaagt.
 

Inhoudelijk

2.5       Klager betoogt subsidiair dat de beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege ook naar haar inhoud in strijd is met het recht.

2.6       De voorzitter heeft in deze beslissing het volgende overwogen:
 

De beoordeling

4.1       Klager meent dat het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat de klacht niet onder de tweede tuchtnorm valt. De arts was als bestuurder verbonden aan de organisatie die via richtlijnen heeft voorgeschreven hoe te handelen bij een euthanasieverzoek en de uitvoering daarvan. In die rol heeft hij onder meer verzuimd om te bevorderen dat de richtlijnen uitvoering euthanasie en SCEN-arts (steun en consultatie bij euthanasie) zijn aangepast aan de uitspraken van de Hoge Raad over euthanasie (met name ECLI:NL:HR:2020:712). Het handelen en nalaten van de arts heeft volgens klager dagelijks zijn weerslag op de individuele gezondheidszorg aangezien er jaarlijks vele euthanasieverzoeken beoordeeld worden aan de hand van de richtlijnen.

4.2       Bij de beoordeling van het beroep stelt de voorzitter voorop dat zij begrip heeft voor het verdriet van klager over de wijze waarop de laatste moeilijke fase in het leven van zijn echtgenote is verlopen terwijl hij haar bijstond en de zorgvuldig voorbereide en weloverwogen op waardig sterven gerichte wens van zijn echtgenote niet vervuld werd. De voorzitter zal echter op een zakelijke manier moeten oordelen of dit de arts tuchtrechtelijk verweten kan worden.

4.3       Het staat niet ter discussie dat de eerste tuchtnorm niet van toepassing is. Verder staat vast dat het verwijt zich richt op het handelen en/of nalaten van de arts in zijn rol van bestuurder. De arts is niet rechtstreeks betrokken geweest bij (de behandeling van) de echtgenote van klager en evenmin bij het opstellen of aanpassen van de richtlijnen en randvoorwaarden voor euthanasie. De vraag die voorligt is of het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft geoordeeld dat de klacht geen handelen/nalaten betreft dat valt onder de tweede tuchtnorm. De tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG betreft gedragingen die niet onder de eerste tuchtnorm vallen maar in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Voor het handelen in strijd met de tweede tuchtnorm is verder vereist dat dit voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.

4.4       De organisatie waar de arts werkzaam was, heeft met inachtneming van de wettelijke kaders, voor artsen richtlijnen en randvoorwaarden uitgewerkt voor euthanasie. Richtlijnen beschrijven de professionele standaard voor alle artsen in Nederland. Deze zijn gebaseerd op de wetenschappelijke en professionele inzichten vanuit diverse medische beroepsgroepen. Richtlijnen zijn bedoeld om artsen te helpen bij het nemen van beslissingen in concrete situaties. Zij bieden handvatten en richtsnoeren die een arts kunnen helpen in concrete situaties afwegingen te maken en beslissingen te nemen waarbij de arts die gebruik maakt van de richtlijn altijd zelf verantwoordelijk blijft voor zijn eigen afwegingen. De bestuurder is niet verantwoordelijk voor de inhoud van richtlijnen en de daaraan verbonden randvoorwaarden en heeft ook geen invloed op de wijze waarop een individuele arts in een concrete situatie wel of niet gebruik maakt van een richtlijn. Hoe in een concrete situatie een richtlijn wordt geïnterpreteerd, valt buiten de invloedssfeer en dus ook de verantwoordelijkheid van de bestuurder.

4.5       Als bestuurder diende de arts te bevorderen dat gewaarborgd was dat het proces van totstandkoming van richtlijnen voldoende zorgvuldig was vormgegeven en dat de bestaande richtlijnen periodiek geëvalueerd en zo nodig aangepast werden. Klager stelt dat de arts op dit punt tekort is geschoten omdat hij niet heeft bevorderd dat de richtlijnen euthanasie en SCEN-arts zijn aangepast aan de meest recente jurisprudentie van de Hoge Raad. De voorzitter volgt klager hierin niet nu beide richtlijnen periodiek zijn aangepast waarbij is vermeld dat dit is gebeurd op basis van de meest recente wetenschappelijke en professionele inzichten. Als bestuurder had de arts geen invloed op de inhoud van de richtlijnen en de aanpassingen daarvan.

4.6       De voorzitter volgt klager ook niet in zijn stelling dat het handelen van de arts in zijn rol van bestuurder zijn weerslag had op de individuele gezondheidszorg. Het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht overwogen dat de richtlijnen over euthanasie ten doel hebben om duidelijke regels te maken over wanneer en onder welke omstandigheden en met welke zorgvuldigheidsnormen euthanasie kan worden toegepast. Deze hebben naar hun aard een algemeen karakter en hebben geen betrekking op een specifiek persoon en diens euthanasie(wens). Pas wanneer regels worden toegepast door een beroepsbeoefenaar ziet deze toepassing op de individuele gezondheidszorg.

4.7       Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.          

4.8       Nu het beroep wordt afgewezen, behoeft het verzoek om een jaarlijkse vergoeding geen bespreking meer.”
 

2.7       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift, het verzetschrift en van de correspondentie met partijen in deze zaak.

2.8       Klager is het niet eens met de conclusie van de voorzitter dat de klacht niet onder de tweede tuchtnorm valt. Hij stelt dat in de beslissing ten onrechte wordt aangenomen dat de arts als bestuurder niet verantwoordelijk is voor de inhoud van de richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding en de richtlijn Steun en consultatie bij euthanasie. Klager blijft bij zijn standpunt dat de arts heeft verzuimd om te bevorderen dat deze richtlijnen zijn aangepast aan de uitspraken van de Hoge Raad over euthanasie.

2.9       Een verzet is gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerd toetsingskader heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

2.10     Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat tussen klager en de arts niet ter discussie staat dat de eerste tuchtnorm – die gaat over medisch handelen of nalaten van een zorgverlener in de individuele behandelrelatie – niet van toepassing is.

2.11   Kern van het geschil is de vraag of het handelen van de arts in zijn rol van bestuurder in dit geval onder de tweede tuchtnorm valt. De tweede tuchtnorm ziet op gedragingen van een zorgverlener die niet direct patiëntgebonden zijn, maar wel in strijd zijn met hetgeen een behoorlijke beroepsbeoefenaar betaamt en die voldoende weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg. Klager heeft betoogd dat er sprake is van gedragingen in strijd met die tweede tuchtnorm. Verkort en zakelijk weergegeven stelt klager dat de richtlijnen voor euthanasie niet in overeenstemming zijn met de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad op dit terrein en dat de arts daar in zijn hoedanigheid van bestuurder van de KNMG verantwoordelijk voor moet worden gehouden.

2.12    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de door de voorzitter vastgestelde feiten en omstandigheden, die door klager niet betwist zijn. In de beslissing van de voorzitter is het juiste kader voor toetsing aan de tweede tuchtnorm weergegeven. Het Centraal Tuchtcollege is met de voorzitter van oordeel dat de arts als bestuurder van de KNMG niet (persoonlijk) verantwoordelijk is voor de inhoud van de hiervoor bedoelde richtlijnen en dat het handelen van de arts in zijn rol van bestuurder, gelet op het algemeen karakter van de richtlijnen over euthanasie, geen weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.

2.13     Klager heeft nog betoogd dat de procedures bij het Regionale Tuchtcollege en bij het Centraal Tuchtcollege tekortschieten. De juistheid van dit verwijt kan in het midden blijven, aangezien de gestelde procedurele onvolkomenheden niet tot een ander inhoudelijk oordeel over de klachten leiden.

2.14     Het verzet tegen de beslissing van de voorzitter levert dus geen nieuwe gezichtspunten op, zodat er geen plaats is voor nader onderzoek naar of een nadere inhoudelijke beoordeling van de klacht. De voorzitter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep van klager niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

3. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart het verzet van klager ongegrond.

Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter,

J. Legemaate en R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen, en M.K. Dees en C.A. Lindeboom, leden‑beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2026.   

Voorzitter  w.g.           Secretaris  w.g.

 

HERSTELBESLISSING

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Herstelbeslissing van 19 mei 2026 naar aanleiding van de op 11 mei 2026 gegeven beslissing in de zaak van:

A., wonende in B.,

appellant, klager in eerste aanleg,

hierna: klager,
 

tegen
 

C.,

Arts maatschappij en gezondheid en bedrijfsarts,

werkzaam in D.,

verweerder in beide instanties,

hierna: de arts,

gemachtigde: mr. A.C. de Die, werkzaam in Amsterdam.
 

1. Procesgang

Het Centraal Tuchtcollege heeft op 11 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak met nummer C2025/2827. Het Centraal Tuchtcollege heeft vastgesteld dat deze beslissing een verbetering behoeft. Het Centraal Tuchtcollege licht dat hierna toe. De herstelde tekst is als bijlage aan deze herstelbeslissing gehecht.

2. Beoordeling

2.1 Naar thans blijkt bevat de genoemde beslissing een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. In de vermelding onder het dictum, voorafgaande aan de ondertekening, staat een onjuiste vermelding van de samenstelling van het college. Per abuis wordt een lid-jurist genoemd die niet betrokken is geweest bij de beraadslagingen in deze zaak.

2.2 Derhalve wordt als volgt beslist.
 

3. Herstelbeslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verstaat dat de vermelding van de samenstelling van het college dat de beslissing heeft gegeven van:

“Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter, J. Legemaate en R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen, en M.K. Dees en C.A. Lindeboom, leden‑beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris”

wordt gewijzigd in:

“Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter, T.W.H.E. Schmitz en R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen, en M.K. Dees en C.A. Lindeboom, leden‑beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris”.

handhaaft de beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gewezen op 19 mei 2026 en ondertekend door G. Tangenberg, voorzitter.
 

Voorzitter  w.g.    

Bijlage:

De bij deze uitspraak herstelde tekst van de beslissing van 11 mei 2026 in de zaak C2025/2827:

Deze beslissing is gegeven door: G. Tangenberg, voorzitter,

T.W.H.E. Schmitz en R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen, en M.K. Dees en C.A. Lindeboom, leden‑beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 mei 2026.

Voorzitter  

Secretaris