ECLI:NL:TGZCTG:2026:129 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3223 VZ

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:129
Datum uitspraak: 19-06-2026
Datum publicatie: 22-06-2026
Zaaknummer(s): C2026/3223 VZ
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een huisarts. De huisarts was de huisarts van de broer van klaagster. Klaagster verwijt de huisarts dat zij mede door zijn toedoen gedwongen is opgenomen.De voorzitter van Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissingdan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en wijst het beroep af.

D E  V O O R Z I T T E R  V A N  H E T  C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3223 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, 

tegen

C., huisarts, 
werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts.
            
1.    Waar gaat de zaak over?
1.1    De huisarts was de huisarts van de broer van klaagster. Klaagster verwijt de huisarts dat zij mede door zijn toedoen gedwongen is opgenomen. 

1.2    De voorzitter van Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.

2.    Verloop van de procedure in beroep 
2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle van 30 januari 2026 met nummer Z2025/8979. De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage aan deze beslissing gehecht. 

2.2    De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift. 

3.    De feiten
3.1    Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzitter uit van de volgende feiten.

3.2    Klaagster en haar broer woonden bij hun moeder in. 

3.2    De broer van klaagster was patiënt bij een huisarts in E.. Op verzoek van de huisarts in E. heeft de huisarts de broer van klaagster in september 2020 als patiënt overgenomen. De broer van klaagster had last van psychotische episodes.

3.3    Klaagster was patiënte bij een andere huisartsenpraktijk. 

3.4    De moeder van klaagster is in 2021 overleden. 

3.5    Op 30 augustus 2023 liet de broer van klaagster weten dat hij de huisarts niet langer als huisarts wilde. De huisarts bezocht de broer op 14 september 2023 om te praten. De huisarts werd toen door de broer met de dood bedreigd. De politie en de crisisdienst zijn gekomen. De crisisdienst heeft de broer meegenomen. Later die dag is de crisisdienst terug gekomen en is klaagster op basis van een crisismaatregel gedwongen opgenomen. 

3.5     Bij beschikking van 18 september 2023 heeft de Rechtbank F., locatie G. een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verlengd. 

3.6    In de periode 21 september 2023 tot en met 16 oktober 2023 ontving de huisarts in totaal 22 e-mails van klaagster. De huisarts maakte bij de huisartsenpraktijk van klaagster melding van stalking.

3.7    Vanaf 10 juli 2025 ontving de huisarts weer een grote hoeveelheid e-mails van klaagster. De inhoud van deze e-mails vond hij verontrustend. De huisarts maakte hier weer melding van bij de huisartsenpraktijk van klaagster. 

3.8    Op 28 juli 2025 zaten klaagster en haar broer onaangekondigd in de wachtkamer van de huisarts. De politie en de crisisdienst zijn toen weer gekomen en klaagster en haar broer zijn opgenomen. Dit was het laatste contact tussen klaagster en de huisarts. 

4.    De klacht
Klaagster heeft op 3 september 2025 een klacht tegen de huisarts ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle. Klaagster verwijt de huisarts dat zij mede door zijn toedoen op 14 september 2023 voor zeven weken gedwongen is opgenomen, terwijl haar broer al na 2,5 week vrij was. 

5.    De beoordeling
5.1    De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klaagster ongegrond verklaard omdat niet kan worden vastgesteld dat de huisarts betrokkenheid heeft gehad bij de gedwongen opname van klaagster op 14 september 2023. Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Klaagster stelt dat de huisarts een schaduwdossier over haar heeft opgebouwd. Zij betwist dat haar broer de huisarts op 14 september 2023 met de dood heeft bedreigd. Het is klaagster volstrekt onduidelijk waarom zij op 14 september 2023 uit huis is gehaald. 

5.2    De gedwongen opname van klaagster is een moeilijk periode voor haar geweest. De voorzitter heeft daar begrip voor. Dat neemt niet weg dat zij de klachten van klaagster op een zakelijke manier zal moeten beoordelen. 

5.3    Op grond van artikel 47 Wet BIG kan alleen het eigen handelen van een zorgverlener worden beoordeeld. Dit betekent dat om inhoudelijk naar een klacht te kunnen kijken, de zorgverlener zelf betrokken moet zijn geweest bij het handelen waarover wordt geklaagd. 
De huisarts is op 14 september 2023 langsgekomen om met de broer van klaagster te praten. In verband met het gedrag van de broer zijn de politie en de crisisdienst gekomen. De broer is toen meegenomen door de crisisdienst en de crisisdienst is later teruggekeerd om klaagster op te halen. De voorzitter heeft net als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege niet kunnen vaststellen dat de huisarts met de politie en/of de crisisdienst over klaagster heeft gesproken of dat hij op andere wijze betrokken is geweest bij de gedwongen opname van klaagster en de duur daarvan. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht dan ook terecht ongegrond verklaard. 

5.4    Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.     

6.    Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:     wijst het beroep af.

Aldus gewezen op 19 juni 2026 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan door 
K.M. ten Pas, secretaris. 
            
Voorzitter w.g.                        Secretaris w.g.

Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.


 
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG 
ZWOLLE

Voorzittersbeslissing van 30 januari 2026 op de klacht van: 

A., wonende in B.,
klaagster,

tegen

C., huisarts, 
werkzaam in D.,
verweerder, hierna ook: de huisarts.

1.    De procedure
1.1    De voorzitter heeft de volgende stukken ontvangen:
-    het klaagschrift, ontvangen op 3 september 2025;
-    de brief van de secretaris van 4 november 2025, met het verzoek het klaagschrift aan te vullen;
-    het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 19 november 2025;
-    het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 december 2025.
 
2.    De klacht en de reactie van de huisarts
2.1     Volgens klaagster heeft de huisarts, samengevat, onjuist gehandeld. Terwijl klaagster niet zijn patiënte was, werd zij ergens in meegezogen waar zij geen schuld aan had. Mede door toedoen van de huisarts is klaagster op 14 september 2023 gedwongen opgenomen. 

2.2     De huisarts heeft verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De huisarts had vanaf september 2020 de behandeling van klaagsters broer overgenomen. Deze broer was bekend met psychotische episodes en de behandelrelatie met de vorige huisarts was na enkele voorvallen zodanig verstoord dat deze behandelrelatie beëindigd werd. Klaagster en haar broer woonden bij hun moeder in, en na het overlijden van hun moeder in 2021 ontstond bij klaagsters broer een toename van manisch-psychotisch gedrag waarbij regelmatig de politie moest worden ingezet en interventies van de crisisdienst waren. Toen de broer van klaagster de behandelrelatie wilde beëindigen, bezocht de huisarts hem op 14 september 2023 om te praten. Hij werd toen met de dood bedreigd, en ook klaagster zelf vertoonde psychotisch gedrag. Klaagsters broer is toen meegenomen door de crisisdienst. Later hoorde de huisarts dat de crisisdienst was teruggekeerd om klaagster op te halen. Hier heeft hij geen betrokkenheid bij gehad. Klaagsters broer werd vanwege het voorval uitgeschreven bij de praktijk. In de periode van 21 september 2023 tot en met 16 oktober 2023 stuurde klaagster in totaal 22 e-mails, die de huisarts bij het klaagschrift heeft gevoegd. Bij de huisartsenpraktijk van klaagster maakte de huisarts melding van stalking. Vanaf juli 2025 ontving de huisarts weer verontrustende e-mails van klaagster, waar hij wederom melding van maakte bij de huisartsenpraktijk van klaagster. Deze praktijk lichtte de politie in toen klaagsters broer tegen de assistente had gezegd dat hij de huisarts van D. zou vermoorden. Ook nam deze praktijk contact op met de psychiater van klaagster. Op 28 juli 2025 zaten klaagster en haar broer in de wachtruimte van de praktijk van de huisarts, en zij weigerden deze ruimte te verlaten. De huisarts heeft vervolgens de politie gebeld. Nadat klaagster en haar broer in bijzijn van de politie de huisarts bedreigden, werden beide wederom gedwongen opgenomen. 

2.3     De voorzitter gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

3.    De overwegingen 

3.1    Tussen klaagster en de huisarts was geen sprake van een behandelrelatie. Wel had de huisarts een behandelrelatie met klaagsters broer. De eerste tuchtnorm betreft het handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar behoort te verlenen (artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg). Deze norm geldt ten opzichte van patiënten of hun naaste betrekkingen. Klaagster woonde samen met haar broer en is daarmee aan te merken als een naaste betrekking van de patiënt. Het handelen dat door klaagster aan de orde is gesteld valt hiermee onder de eerste tuchtnorm.

3.2     De voorzitter moet vervolgens vaststellen of de huisarts betrokkenheid heeft gehad bij de opname van klaagster. Naar aanleiding van het aanvullende klaagschrift stelt de voorzitter vast dat de klacht alleen ziet op het handelen van de huisarts op 14 september 2023. Klaagster lijkt de huisarts te verwijten dat zij (mede) dankzij de huisarts gedwongen werd opgenomen voor een periode van zeven weken, terwijl haar broer na tweeënhalve week weer vrij man was. De huisarts heeft daar tegenin gebracht dat hij op 14 september 2023 door klaagsters broer met de dood werd bedreigd en dat klaagster de zaken erger maakte door haar gedrag. Ook schrijft de huisarts dat eerst klaagsters broer is meegenomen door de crisisdienst, en dat de crisisdienst later terugkeerde om klaagster ook op te halen. Hij heeft zelf niet met de politie of de crisisdienst over klaagster gesproken. 

3.3     De voorzitter oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de huisarts betrokkenheid heeft gehad bij de gedwongen opname van klaagster op 14 september 2023, dan wel bij de duur van deze opname. De huisarts ontkent dit en klaagster heeft dit in het klaagschrift onvoldoende concreet gemaakt. Zij schrijft dat zij niet kan begrijpen waarom de huisarts het niet gewoon heeft uitgepraat met haar broer en zij nu is meegezogen in een ‘clash’ tussen de huisarts en haar broer.

3.4     Nu niet kan worden vastgesteld dat de huisarts betrokkenheid heeft gehad bij de gedwongen opname van klaagster, kan hem daarover ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht is daarmee, bij een gebrek aan feitelijke grondslag, kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.

4.    De beslissing

De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 30 januari 2026 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris w.g.    voorzitter w.g.                                                                                             
                                                                                                                 
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a.    Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als 
-    de voorzitter u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of 
-    als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. 
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b.    Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.    Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.