ECLI:NL:TGZCTG:2026:128 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3211 VZ

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:128
Datum uitspraak: 17-06-2026
Datum publicatie: 22-06-2026
Zaaknummer(s): C2026/3211 VZ
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht in verband met een eerdere klacht van klaagster tegen de verzekeringsarts met eenzelfde inhoud en strekking.Ne bis in idem. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege wijst het beroep van klaagster af omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege.

D E  V O O R Z I T T E R  V A N  H E T  C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaken onder nummers C2026/3211 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,

tegen

C., verzekeringsarts, (destijds) werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de verzekeringsarts.

1.    De kern van de zaak
1.1    Klaagster heeft op 9 september 2025 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle een klacht ingediend tegen de verzekeringsarts. Bij beslissing van 
20 februari 2026, onder nummer Z2025/8993, heeft de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat klaagster niet-ontvankelijk is de klacht in verband met een eerdere klacht van klaagster tegen de verzekeringsarts met eenzelfde inhoud en strekking. 

1.2    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege zal het beroep afwijzen omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. De voorzitter is van oordeel dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de klacht in deze zaak in de kern hetzelfde verwijt betreft als de eerdere klacht. 

2.    De feiten
2.1    Klaagster was werkzaam als verzorgende IG voor 36-40 uur per week. Op 31 maart 2017 heeft zij zich ziek gemeld wegens medische klachten. Vanaf die datum is aan haar een Ziektewetuitkering toegekend. Per einde wachttijd heeft klaagster een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Naar aanleiding hiervan is zij op 24 januari 2019 door de verzekeringsarts op het spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en klaagster psychisch onderzocht. Zijn bevindingen heeft de verzekeringsarts neergelegd in een verzekeringsgeneeskundige rapportage en een medisch onderzoeksverslag van 4 februari 2019. Op diezelfde datum heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Als diagnoses heeft de verzekeringsarts aangenomen dat sprake is van epilepsie, status na operatie, spanningsklachten en overige specifieke persoonlijkheidsstoornis. Volgens de verzekeringsarts is sprake van een medisch objectiveerbare afwijking. Hij heeft in de FML beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en ten aanzien van werktijden. Onder meer is door hem een urenbeperking aangenomen. Naar aanleiding van aanvullende informatie van klaagster en haar begeleidster heeft de verzekeringsarts op 15 februari 2019 aanvullend gerapporteerd. Volgens de verzekeringsarts gaf de aanvullende informatie geen nieuwe inzichten. De FML is ongewijzigd gebleven.

2.2     Op basis van de beoordeling door de verzekeringsarts is een arbeidskundige 
beoordeling verricht. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100% en klaagster heeft met ingang van 29 maart 2019 een WIA-uitkering toegekend gekregen. 

2.3     Bij besluit van 18 augustus 2021 is klaagster meegedeeld dat haar uitkering niet wijzigt. Zij is onverminderd volledig arbeidsongeschikt geacht. Klaagster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft geconcludeerd dat een verbetering van het functioneren van klaagster niet of nauwelijks te verwachten is. Dit heeft geleid tot het besluit op bezwaar van 10 januari 2022, waarin klaagster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is verklaard en aan haar met ingang van 5 mei 2020 een IVA-uitkering is toegekend.

2.4    Bij beslissing van 16 oktober 2023 heeft het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle een eerdere klacht van klaagster over de verzekeringsarts ongegrond verklaard.

3.    Verloop van de procedure in beroep
3.1    Klaagster heeft op tijd beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 20 februari 2026 met nummer Z2025/8993. Het Centraal Tuchtcollege heeft vervolgens op 22 mei 2026 het verschuldigde griffierecht ontvangen. Op 1 juni 2026 heeft het Centraal Tuchtcollege nog een brief van klaagster ontvangen met het verzoek om het beroepschrift aan te vullen, hiervoor is een termijn tot 19 juni 2026 gegeven. Op 10 juni 2026 is dit aanvullende beroepschrift binnengekomen bij het Centraal Tuchtcollege. De beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing. 

3.2    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier in eerste aanleg, het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift. 

4.    Beoordeling van het beroep
4.1    Klaagster heeft op 14 maart 2023 voor het eerst een klacht tegen de verzekeringsarts ingediend. Klaagster verweet de verzekeringsarts in deze tuchtprocedure onder meer (Z2023/5466) dat hij: 
’’e) heeft nagelaten om gegevens op te vragen bij de behandelend specialisten of via klaagster.’’ 

4.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft deze klacht van klaagster bij beslissing van 16 oktober 2023 in alle onderdelen ongegrond verklaard. Met betrekking tot klachtonderdeel e) heeft het college overwogen: 
’’ Voor zover klaagster bedoelt dat de verzekeringsarts de resultaten had moeten opvragen van het neuropsychologisch onderzoek (NPO) dat zij in oktober/november 2018 had ondergaan, overweegt het college het volgende. Uit het medisch onderzoeksverslag blijkt dat de verzekeringsarts informatie heeft ontvangen van de bedrijfsarts en dat uit die informatie volgt dat de bedrijfsarts het rapport van het NPO had gelezen. De bedrijfsarts vermeldt dat het NPO in principe overeenkomt met zijn visie op mogelijkheden en beperkingen. Omdat de verzekeringsarts daarmee over de voor hem relevante informatie beschikte hoefde hij het rapport van het NPO niet op te vragen. Daar komt bij dat niet duidelijk is of het rapport van het NPO op dat moment al deel uitmaakte van het medisch dossier van klaagster. Aan de verzekeringsarts kan hierover dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit betekent dat ook klachtonderdeel e kennelijk ongegrond is.’’

4.3    Tegen deze beslissing is beroep ingesteld, bekend onder zaaknummer C2023/2288. Het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 19 juni 2024 het beroep van klaagster verworpen. 

Huidige klacht
4.4    In de zaak die nu voorligt in beroep verwijt klaagster de verzekeringsarts dat hij toestemming had gekregen om klaagster haar medische gegevens op te vragen bij de ziekenhuizen waar ze geopereerd was, maar dat niet gedaan heeft. Hierdoor heeft volgens klaagster een onjuiste beoordeling plaatsgevonden.

4.5    Klaagster stelt in haar beroepschrift dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat haar klacht eerder is behandeld. Anders dan de vorige klacht ziet de huidige klacht op de vraag op welke medische informatie de verzekeringsarts zijn beoordeling heeft gebaseerd en waarom hij geen aanvullende informatie heeft opgevraagd. Ten tijde van de eerdere klacht beschikte klaagster nog niet over de later verkregen verklaringen van de betrokken ziekenhuizen waaruit blijkt dat geen verzoeken van het UWV konden worden teruggevonden. Dit maakt dat er sprake is van een nieuwe klacht die op basis van deze nieuwe feiten en omstandigheden beoordeeld dient te worden aldus klaagster. 

4.6    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege overweegt dat uit het procesdossier blijkt dat klaagster na de uitspraak in de eerdere zaak nadere informatie heeft opgevraagd en dat deze informatie dus niet is meegewogen in de eerdere beslissing. Klaagster gaat er echter ten onrechte vanuit dat feiten en omstandigheden die na een onherroepelijke uitspraak in een klachtprocedure bekend worden kunnen leiden tot een herbeoordeling van de eerdere verwijten naar aanleiding van een nieuwe klacht.

4.7     Artikel 51 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat niemand nogmaals berecht kan worden ter zake van enig handelen of nalaten waarover te zijnen aanzien een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Dit wordt het ’’ne bis in idem-beginsel’’ genoemd. De door klaagster op 9 september 2025 ingediende klacht is in de kern gelijk aan hetgeen klaagster de verzekeringsarts verweet in klachtonderdeel e) in de eerdere tuchtklachtprocedure. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht overwogen dat ook de nieuwe klacht erop neer komt dat klaagster meent dat de verzekeringsarts nalatig is geweest met betrekking tot het opvragen van medische gegevens bij de behandelend specialisten of via klaagster. Het enkele feit dat er nu verklaringen van betrokken ziekenhuizen beschikbaar zijn waaruit blijkt dat geen verzoeken van het UWV konden worden teruggevonden, betekent niet dat er aanleiding is voor een nieuwe beoordeling van de klacht. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is net als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de huidige klacht van klaagster betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als de eerder door haar tegen de verzekeringsarts ingediende klacht en dat klaagster dus klaagt over hetzelfde handelen en nalaten van de verzekeringsarts als waarover al eerder onherroepelijk is geoordeeld. De voorzitter neemt het oordeel van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en de daaraan ten grondslag liggende motivering volledig over. Dit betekent dat de voorzitter, net als het Regionaal Tuchtcollege, niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht. 

4.8    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is op basis van het bovenstaande van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van 20 februari 2026. Zij zal het beroep daarom afwijzen.

5.    Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

wijst het beroep af.

Aldus genomen op 17 juni 2026 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris. 
            Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.

Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.



REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG 
ZWOLLE

Voorzittersbeslissing van 20 februari 2026 op de klacht van:
A., wonende in B., klaagster, 

tegen

C., verzekeringsarts, destijds werkzaam in B..

1.    De zaak in het kort
1.1    Klaagster is in 2019 door de verzekeringsarts gezien in het kader van een WIA-beoordeling. Zij maakt de verzekeringsarts diverse verwijten over het door hem verrichtte onderzoek en de door hem opgemaakte rapportages. 

1.2    De voorzitter komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen te stellen aan partijen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht de voorzitter toe hoe het tot deze beslissing is gekomen. 

2.  Het verloop van de procedures
2.1    Op 14 maart 2023 diende klaagster voor het eerst een tuchtklacht tegen de verzekeringsarts in. Klaagster verweet de verzekeringsarts, voor zover van belang:
a)      dat hij zonder de aanwezigheid van klaagster bij het consult een verslag/beoordeling heeft 
     gemaakt over haar medische achtergrond op basis van verkeerde gegevens;
e)     dat hij heeft nagelaten om gegevens op te vragen bij de behandelend specialisten of via
     klaagster. 
2.2    Bij beslissing van 16 oktober 2023 (ECLI:NL:TGZRZWO:2023:167) heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle deze klacht kennelijk ongegrond verklaard. In de beslissing is opgenomen dat de verzekeringsarts zijn bevindingen in 2019 mede heeft gebaseerd op beschikbare medische informatie, waaronder informatie van de behandelende sector. Op basis hiervan, in combinatie met het eigen onderzoek en de anamnese, was voor de verzekeringsarts voldoende duidelijk dat sprake was van forse beperkingen en bestond voor hem geen aanleiding om meer informatie op te vragen. Verder overwoog het college: “Voor zover klaagster bedoelt dat de verzekeringsarts de resultaten had moeten opvragen van het neuropsychologisch onderzoek (NPO) dat zij in oktober/november 2018 had ondergaan, overweegt het college het volgende. Uit het medisch onderzoeksverslag blijkt dat de verzekeringsarts informatie heeft ontvangen van de bedrijfsarts en dat uit die informatie volgt dat de bedrijfsarts het rapport van het NPO had gelezen. De bedrijfsarts vermeldt dat het NPO in principe overeenkomt met zijn visie op mogelijkheden en beperkingen. Omdat de verzekeringsarts daarmee over de voor hem relevante informatie beschikte hoefde hij het rapport van het NPO niet op te vragen. Daar komt bij dat niet duidelijk is of het rapport van het NPO op dat moment al deel uitmaakte van het medisch dossier van klaagster. Aan de verzekeringsarts kan hierover dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.”
2.3    Bij beslissing van 19 juni 2024 (ECLI:NL:TGZCTG:2024:112) heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg het door klaagster ingestelde beroep tegen de beslissing verworpen, zodat deze in rechte vast staat.
2.4    Op 9 september 2025 diende klaagster de onderhavige tuchtklacht in. Klaagster verwijt de verzekeringsarts, samengevat, dat hij toestemming had gekregen om klaagster haar medische gegevens op te vragen bij de ziekenhuizen waar ze geopereerd was, maar hij heeft dat niet gedaan. Hierdoor heeft een onjuiste beoordeling plaatsgevonden. Klaagster diende op 12 september en 15 oktober 2025 aanvullende bewijsstukken in.
2.5    Bij brief van 4 december 2025 vroeg de secretaris klaagster om de klacht zo kort en bondig mogelijk te herformuleren en hierbij aan te geven wanneer het handelen had plaatsgevonden. 
2.6    Klaagster liet per brief van 12 december 2025 weten dat de klacht zich richt op het handelen van de verzekeringsarts in 2019 en dat hij een oordeel heeft gegeven zonder over de benodigde gegevens te beschikken. 
2.7    Bij brief van 22 december 2025 heeft de secretaris aangegeven dat er al eerder een klacht was ingediend waarop was beslist. Daarom heeft de secretaris klaagster gevraagd om nader te concretiseren wat nieuw was ten opzichte van de eerdere tuchtklacht, waarop immers al definitief was beslist. Klaagster stuurde op 1 januari 2026 een e-mail waarop zij liet weten dat de eerdere klacht geen betrekking had op het opvragen van medische gegevens. Daarnaast, zo stelt klaagster, had een onafhankelijk onderzoek uit 2018 het oordeel van de arts verworpen. Door het handelen van de verzekeringsarts is het recht op een IVA-uitkering gedurende een jaar niet toegekend.

3.    De beoordeling
3.1    In artikel 51 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg is bepaald dat niemand opnieuw tuchtrechtelijk berecht kan worden over handelen of nalaten waarover al eerder een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen (’ne bis in idem’). De voorzitter stelt vast dat de hiervoor genoemde klacht, die nog expliciet bij klaagster is nagevraagd, in de kern neerkomt op het verwijt dat de verzekeringsarts in 2019 ten onrechte heeft nagelaten medische gegevens op te vragen bij de ziekenhuizen waar klaagster geopereerd was. Anders dan klaagster stelt, is het onderwerp van deze klacht wel degelijk aan de orde gekomen bij klachtonderdeel e) in de vorige procedure. Want dit klachtonderdeel luidde namelijk dat verweerder had nagelaten om gegevens op te vragen bij de behandelend specialisten of via klaagster. Het college heeft de klacht op dat punt kennelijk ongegrond verklaard. Dat klaagster nu op onderdelen nieuwe aspecten noemt die in verband staan met hetzelfde handelen, maakt dat niet anders. Het is immers een variatie op hetzelfde thema en vloeit voort uit het handelen van de verzekeringsarts in 2019 bij de WIA-beoordeling, zoals in de eerdere tuchtzaak aan de orde is geweest. Ook aangenomen dat klaagster heeft bedoeld te stellen dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kan dit niet tot een nieuwe beoordeling van dit klachtonderdeel leiden, reeds omdat deze feiten en omstandigheden ook reeds in de vorige procedure zijn meegewogen. Daarom is de voorzitter van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is.

4.    De beslissing
De voorzitter verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven op 20 februari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris w.g.    voorzitter w.g.
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als 
-    het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of 
-    als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
-    het college kennelijk onbevoegd is, of
-    voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd. 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.