ECLI:NL:TGZCTG:2026:126 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3179 VZ
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:126 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 16-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3179 VZ |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht omdat niet kan worden vastgesteld dat de persoon tegen wie de klacht is gericht, staat ingeschreven in het BIG-register. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege wijst het beroep van klaagster af omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3179 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., verweerster in beide instanties.
1. Verloop van de procedure in beroep
1.1 Klaagster heeft op 12 juni 2025 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ‘s-Hertogenbosch tegen verweerster een klacht ingediend. Bij beslissing van 19 januari 2025, onder nummer H2025/8712, heeft de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Klaagster heeft op tijd beroep ingesteld tegen die beslissing.
2. Beoordeling van het beroep
2.1 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep beoordeeld op basis van de volgende stukken:
- het beroepschrift, ontvangen op 23 januari 2026 per mail;
- de stukken uit het dossier van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer H2025/8712.
2.2 Voordat kan worden beoordeeld of verweerster ter zake van de haar verweten gedraging een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, moet de identiteit van verweerster worden vastgesteld en vervolgens moet worden beoordeeld of zij is onderworpen aan het tuchtrecht ingevolge de Wet BIG. Dat is het geval indien zij staat of stond ingeschreven in het BIG-register. In een tuchtprocedure dient een klager in beginsel niet alleen de naam maar ook het BIG-nummer van de aangeklaagde zorgverlener aan het Regionaal Tuchtcollege te verstrekken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster in de procedure in eerste aanleg schriftelijk verzocht de voornaam en het BIG-registratienummer van verweerster aan te leveren. Klaagster heeft in reactie hierop om uitstel gevraagd, waarmee het Regionaal Tuchtcollege heeft ingestemd. Vervolgens heeft klaagster laten weten dat het haar niet is gelukt het BIG-registratienummer van verweerster te achterhalen.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft hierna op verschillende manieren geprobeerd om zelf identiteitsgegevens van verweerster te achterhalen. Hiertoe heeft het Regionaal Tuchtcollege onder meer contact gezocht met de zorginstelling waar verweerster volgens klaagster zou werken en de instelling waar zij in het verleden werkzaam geweest zou zijn. Ondanks deze pogingen is het niet gelukt om vast te stellen tegen wie de klacht gericht is en of deze aangeklaagde zorgverlener staat ingeschreven in het BIG-register zodat het Regionaal Tuchtcollege klaagster niet ontvankelijk heeft verklaard in de klacht.
2.3 In beroep heeft klaagster gesteld dat het Regionaal Tuchtcollege onvoldoende heeft onderzocht of met de door haar verstrekte gegevens redelijkerwijs kon worden vastgesteld tegen wie de klacht was gericht. Ook meent klaagster dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zelf aanvullende informatie te verstrekken.
2.4 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat het uit procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege blijkt dat klaagster meermalen is verzocht om aanvullende informatie te verstrekken en dat het Regionaal Tuchtcollege diverse pogingen heeft gedaan om zelf de identiteit van degene tegen wie de klacht gericht was te achterhalen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft op goede gronden geoordeeld dat klaagster niet ontvankelijk is in de klacht.
2.5 Na ontvangst van het beroepschrift op 23 januari 2026 heeft het Centraal Tuchtcollege klaagster bij brief van 1 mei 2026 nogmaals verzocht aanvullende informatie over verweerster en haar BIG-registratie te verstrekken. Hierop is geen reactie ontvangen. Verder heeft het Centraal Tuchtcollege zelfstandig geprobeerd met de beschikbare informatie verweerster op te zoeken in het BIG-register. Ook dit onderzoek heeft geen resultaat opgeleverd.
2.6 Het Centraal Tuchtcollege concludeert dat de identiteit van verweerster niet kan worden vastgesteld. Hieruit volgt dat, ondanks alle hiervoor beschreven inspanningen van zowel het Regionaal Tuchtcollege, het Centraal Tuchtcollege als klaagster zelf, ook niet kan worden vastgesteld of verweerster staat ingeschreven in het BIG register.
Dit leidt ertoe dat het niet mogelijk is om een tuchtklacht tegen haar in behandeling te nemen. Ten overvloede merkt het Centraal Tuchtcollege nog op dat in de instelling waar verweerster volgens klaagster indertijd zou werken niet alle zorgprofessionals over een BIG-registratie beschikken. Dit betekent dat het, ook als de identiteit van verweerster wel zou vaststaan, mogelijk is dat verweerster niet aan het tuchtrecht onderworpen zou zijn.
2.7 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is op basis van het bovenstaande van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van 19 januari 2026. Zij zal het beroep daarom afwijzen.
3. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
wijst het beroep af.
Aldus genomen op 15 juni 2026 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan
door
C.J.M. Manders, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.