ECLI:NL:TGZCTG:2025:230 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2827 VZ
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:230 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-07-2025 |
| Datum publicatie: | 29-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2827 VZ |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in de klacht omdat de klacht geen handelen betreft dat valt onder de eerste of tweede tuchtnorm. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en wijst het beroep af. |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2827 van:
A.,
wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C.,
arts maatschappij en gezondheid en bedrijfsarts,
werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de arts,
gemachtigde: mr. A.C. de Die, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager stelt de arts verantwoordelijk voor de inhoud van de richtlijn en andere regels rondom euthanasie. Hij verwijt de arts dat die (indirect) heeft bijgedragen aan het opstellen van richtlijnen en regels die het (laten) verrichten van euthanasie onnodig hebben bemoeilijkt. Dit heeft eraan bijgedragen dat de echtgenote van klager niet door euthanasie heeft kunnen overlijden terwijl dit wel haar uitdrukkelijke wens was.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat de klacht geen handelen betreft dat valt onder de eerste of tweede tuchtnorm en heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in de klacht. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in ‘s-Hertogenbosch van 16 april 2025 met nummer H2024/7454. Deze beslissing is als bijlage aan deze beslissing gehecht.
2.2 De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg
en het beroepschrift met bijlagen.
3. De feiten
3.1 Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzitter uit van de volgende feiten.
3.2 De echtgenote van klager, geboren in 1945, heeft op 5 augustus 2020 een “volmacht medische besluitvorming en beslissingen” ondertekend. Ook heeft zij op die datum een behandelverbod en -gebod opgesteld.
3.3 Op 19 maart 2024 heeft de echtgenote een aanvullend behandelverbod getekend waarin zij heeft opgenomen: “ik wil een einde aan mijn leven via euthanasie”. In een telefoongesprek met de huisarts op 28 maart 2024 heeft de echtgenote gezegd dat zij bij haar euthanasieverzoek blijft.
3.4 Op 10 april 2024 heeft de SCEN-arts telefonisch contact opgenomen met klager om een afspraak te maken en op 11 april 2024 heeft de SCEN-arts de echtgenote bezocht. De SCEN-arts concludeerde toen dat euthanasie niet meer mogelijk was. Volgens klager meende de SCEN-arts dat de echtgenote niet meer aanspreekbaar was. De SCEN-arts heeft de wilsverklaring van de echtgenote niet getoetst.
3.4 De echtgenote is in 2024 overleden.
3.5 De arts was indertijd als bestuurder verbonden aan een organisatie die onder
meer als doel heeft de kwaliteit van de medische beroepsuitoefening te bevorderen.
De beoordeling
4.1 Klager meent dat het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat de klacht niet onder de tweede tuchtnorm valt. De arts was als bestuurder verbonden aan de organisatie die via richtlijnen heeft voorgeschreven hoe te handelen bij een euthanasieverzoek en de uitvoering daarvan. In die rol heeft hij onder meer verzuimd om te bevorderen dat de richtlijnen uitvoering euthanasie en SCEN-arts (steun en consultatie bij euthanasie) zijn aangepast aan de uitspraken van de Hoge Raad over euthanasie (met name ECLI:NL:HR:2020:712). Het handelen en nalaten van de arts heeft volgens klager dagelijks zijn weerslag op de individuele gezondheidszorg aangezien er jaarlijks vele euthanasieverzoeken beoordeeld worden aan de hand van de richtlijnen.
4.2 Bij de beoordeling van het beroep stelt de voorzitter voorop dat zij begrip heeft voor het verdriet van klager over de wijze waarop de laatste moeilijke fase in het leven van zijn echtgenote is verlopen terwijl hij haar bijstond en de zorgvuldig voorbereide en weloverwogen op waardig sterven gerichte wens van zijn echtgenote niet vervuld werd. De voorzitter zal echter op een zakelijke manier moeten oordelen of dit de arts tuchtrechtelijk verweten kan worden.
4.3 Het staat niet ter discussie dat de eerste tuchtnorm niet van toepassing is. Verder staat vast dat het verwijt zich richt op het handelen en/of nalaten van de arts in zijn rol van bestuurder. De arts is niet rechtstreeks betrokken geweest bij (de behandeling van) de echtgenote van klager en evenmin bij het opstellen of aanpassen van de richtlijnen en randvoorwaarden voor euthanasie. De vraag die voorligt is of het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft geoordeeld dat de klacht geen handelen/nalaten betreft dat valt onder de tweede tuchtnorm. De tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG betreft gedragingen die niet onder de eerste tuchtnorm vallen maar in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Voor het handelen in strijd met de tweede tuchtnorm is verder vereist dat dit voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.
4.4 De organisatie waar de arts werkzaam was, heeft met inachtneming van de wettelijke kaders, voor artsen richtlijnen en randvoorwaarden uitgewerkt voor euthanasie. Richtlijnen beschrijven de professionele standaard voor alle artsen in Nederland. Deze zijn gebaseerd op de wetenschappelijke en professionele inzichten vanuit diverse medische beroepsgroepen. Richtlijnen zijn bedoeld om artsen te helpen bij het nemen van beslissingen in concrete situaties. Zij bieden handvatten en richtsnoeren die een arts kunnen helpen in concrete situaties afwegingen te maken en beslissingen te nemen waarbij de arts die gebruik maakt van de richtlijn altijd zelf verantwoordelijk blijft voor zijn eigen afwegingen. De bestuurder is niet verantwoordelijk voor de inhoud van richtlijnen en de daaraan verbonden randvoorwaarden en heeft ook geen invloed op de wijze waarop een individuele arts in een concrete situatie wel of niet gebruik maakt van een richtlijn. Hoe in een concrete situatie een richtlijn wordt geïnterpreteerd, valt buiten de invloedssfeer en dus ook de verantwoordelijkheid van de bestuurder.
4.5 Als bestuurder diende de arts te bevorderen dat gewaarborgd was dat het proces van totstandkoming van richtlijnen voldoende zorgvuldig was vormgegeven en dat de bestaande richtlijnen periodiek geëvalueerd en zo nodig aangepast werden. Klager stelt dat de arts op dit punt tekort is geschoten omdat hij niet heeft bevorderd dat de richtlijnen euthanasie en SCEN-arts zijn aangepast aan de meest recente jurisprudentie van de Hoge Raad. De voorzitter volgt klager hierin niet nu beide richtlijnen periodiek zijn aangepast waarbij is vermeld dat dit is gebeurd op basis van de meest recente wetenschappelijke en professionele inzichten. Als bestuurder had de arts geen invloed op de inhoud van de richtlijnen en de aanpassingen daarvan.
4.6 De voorzitter volgt klager ook niet in zijn stelling dat het handelen van de arts in zijn rol van bestuurder zijn weerslag had op de individuele gezondheidszorg. Het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht overwogen dat de richtlijnen over euthanasie ten doel hebben om duidelijke regels te maken over wanneer en onder welke omstandigheden en met welke zorgvuldigheidsnormen euthanasie kan worden toegepast. Deze hebben naar hun aard een algemeen karakter en hebben geen betrekking op een specifiek persoon en diens euthanasie(wens). Pas wanneer regels worden toegepast door een beroepsbeoefenaar ziet deze toepassing op de individuele gezondheidszorg.
4.7 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.
4.8 Nu het beroep wordt afgewezen, behoeft het verzoek om een jaarlijkse vergoeding
geen bespreking meer.
5. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
wijst het beroep af.
Aldus gewezen op 2 juli 2025 en ondertekend door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan door
mr. K.M. ten Pas, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.