ECLI:NL:TGZCTG:2025:175 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2777

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:175
Datum uitspraak: 22-10-2025
Datum publicatie: 27-10-2025
Zaaknummer(s): C2025/2777
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft bij het Regionaal Tuchtcollege een klacht ingediend tegen (vrijwel) de gehele afdeling neurologie van het ziekenhuis, over de behandeling van haar moeder. De voorzitter van dat college heeft klaagster in de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat klaagster niet klaagt over één of meer met naam genoemde personen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in het hiertegen ingestelde beroep, wegens overschrijding van de beroepstermijn. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kon worden. 

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2777 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C.

1.    Verloop van de procedure
1.1    Klaagster heeft op 18 oktober 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege te ’s Hertogenbosch een klacht ingediend tegen (vrijwel) de gehele afdeling neurologie van het ziekenhuis, over de behandeling van haar moeder. Bij beslissing van 22 januari 2025, onder nummer H2024/7739, heeft de voorzitter van dat college klaagster in de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat klaagster niet klaagt over één of meer met naam genoemde personen. Klaagster is van die beslissing in beroep gekomen. 
1.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft de zaak in beroep buiten aanwezigheid van partijen in raadkamer behandeld. 

2.    Beoordeling van het beroep
2.1    In artikel 73 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is de termijn voor het indienen van het beroepschrift gegeven. De termijn is binnen zes weken na verzending van het afschrift van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. 
2.2    Artikel 73 Wet BIG bepaalt verder dat, wanneer het beroepschrift na afloop van die termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien de indiener aantoont dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kon worden. 
2.3    Een afschrift van de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van 22 januari 2025 is diezelfde dag per aangetekende post aan klaagster verstuurd. Klaagster had daarom uiterlijk tot en met 5 maart 2025 de gelegenheid om schriftelijk beroep in te stellen. Klaagster heeft op 13 maart 2025 per e-mailbericht een beroepschrift ingediend. Het beroepschrift is dus na afloop van de beroepstermijn, en daarmee te laat, ingediend.
2.4    Het Centraal Tuchtcollege heeft klaagster bij brief van 22 april 2025 in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat zij het beroep zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs verlangd kon worden heeft ingesteld. Klaagster heeft daarop gereageerd bij e-mailbericht van 19 mei 2025. 
Zij voert hierin aan dat zij het beroepschrift te laat heeft ingediend, omdat zij destijds de aangetekende brief met de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege niet heeft ontvangen en andere brieven, waaronder die van het Centraal Tuchtcollege van 22 april 2025, steevast te laat ontvangt.  
2.5    Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover het volgende.
2.6    Als gezegd, is een afschrift van de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van 22 januari 2025 op diezelfde dag per aangetekende post aan klaagster verstuurd. Per gewone post is aan klaagster ook een brief gestuurd met de mededeling dat er een aangetekende brief naar haar onderweg was. 
2.7    Op zaterdag 8 februari 2025 heeft klaagster per mail bij het Regionaal Tuchtcollege geïnformeerd naar de stand van zaken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster als reactie op 10 februari 2025 per mail meegedeeld dat er sinds 28 januari 2025 op een bepaald PostNL punt voor haar een aangetekende brief klaarlag om opgehaald te worden. Klaagster werd verzocht om deze brief zo spoedig mogelijk op te halen. De volgende dag, op 11 februari 2025, om 12:15 uur, heeft het Regionaal Tuchtcollege klaagster per mail opnieuw laten weten dat aan haar eind januari per aangetekende post een beslissing was verstuurd en klaagster nogmaals verzocht de aangetekende post bij het eerder opgegeven adres op te halen. 
2.8    Op 13 februari 2025 heeft klaagster het Regionaal Tuchtcollege per mail gemeld dat zij niets per gewone post en niets per aangetekende post heeft mogen ontvangen en gevraagd of de post naar haar zou kunnen worden gemaild.  
2.9    Op woensdag 5 maart 2025 heeft het Regionaal Tuchtcollege klaagster nogmaals per mail laten weten dat de aangetekende brief op het eerdergenoemde PostNL-punt kon worden afgehaald en klaagster verzocht dit zo spoedig mogelijk te doen, voordat de brief retour zou worden gezonden. Daarbij is aangegeven dat het om de beslissing (op haar klacht) ging en dat de beroepstermijn van zes weken al op 22 januari 2025 was ingegaan. 
2.10    Klaagster heeft diezelfde dag per mail gereageerd met de mededeling dat dit eerder ook al aan haar was doorgegeven, maar dat er bij het PostNL-punt niets lag. Daarop heeft het Regionaal Tuchtcollege bij mail van – wederom – 5 maart 2025 aan klaagster laten weten dat er contact was geweest met PostNL en dat hieruit bleek dat de brief op 11 februari 2025 om 13:04 uur was opgehaald. Als bijlage bij de nieuwe mail van het Regionaal Tuchtcollege is de met een wachtwoord beveiligde beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege gevoegd. Daarbij is aangegeven dat klaagster voor het wachtwoord contact met het Regionaal Tuchtcollege kon opnemen. 
2.11     Klaagster heeft vervolgens op 13 maart 2025 per mail beroep aangetekend tegen de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van 22 januari 2025. Zij heeft daarbij vermeld dat zij pas op die dag de beslissing met een wachtwoord kon inzien. Volgens klaagster heeft zij de brief van het Regionaal Tuchtcollege niet op 11 februari 2025 bij het PostNL-punt opgehaald. 
2.12    Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft klaagster aldus niet aangetoond dat zij het beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kon worden. Dit college stelt vast dat de brief met de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege op 11 februari 2025 bij het PostNL punt is opgehaald minder dan een uur na de verzending van de tweede mail van die dag van het Regionaal Tuchtcollege aan klaagster. Klaagster heeft vervolgens in haar mail van 13 februari 2025 weliswaar aangegeven dat zij niets per post heeft ontvangen, maar uit die brief blijkt niet dat zij bij het PostNL-punt is geweest. Aannemelijk is dat klaagster degene is geweest die de brief op 11 februari 2025 heeft opgehaald en dat zij dus op die datum al over de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege beschikte. Maar ook als dat niet het geval zou zijn, staat vast dat klaagster op 5 maart 2025, op de laatste dag van de beroepstermijn, over deze beslissing kon beschikken. Desondanks en in weerwil van alle waarschuwende e-mails van het Regionaal Tuchtcollege over het verlopen van de beroepstermijn, heeft klaagster pas acht dagen later het beroep ingesteld. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot het oordeel leiden dat klaagster dat niet eerder kon doen. 
2.13    De conclusie is dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Deze beslissing kan, gelet op artikel 74 lid 1 Wet BIG, in raadkamer worden gegeven.
2.14    Ten overvloede overweegt het Centraal Tuchtcollege dat, als het beroep wel inhoudelijk zou zijn behandeld, het beroep ongegrond had moeten worden verklaard. Dit omdat, zoals de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft geoordeeld, een tuchtklacht alleen tegen met naam genoemde personen kan worden ingediend. 

3.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beslissing is gegeven door E.J. Daalder, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser en H.K.N. Vos, leden-juristen, en B.F.M. Blok en M.A. Noordzij, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 22 oktober 2025.
        Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.