ECLI:NL:TGZCTG:2025:174 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2971 wraking
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:174 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-10-2025 |
| Datum publicatie: | 27-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2971 wraking |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Wrakingsverzoek gericht tegen een lid-jurist. Verzoeker heeft als wrakingsgrond aangevoerd dat sprake was van (de schijn van) vooringenomenheid door het lid-jurist gezien de wijze waarop de vragen werden gesteld en de onterechte conclusies die het lid-jurist aan de antwoorden van verzoeker verbond. Het wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer van het College. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 63 Wet BIG, in de zaak onder
nummer C2025/2754 ingediend door:
A., klinisch geriater, werkzaam in B., hierna: verzoeker,
gemachtigde: mr. drs. S. Slabbers, werkzaam in Utrecht.
1. Verloop van de procedure
1.1 C. - hierna klager - heeft op 27 maart 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege
te s Hertogenbosch tegen verzoeker een klacht ingediend. De klacht ziet op een door
verzoeker in opdracht van de rechtbank opgemaakt deskundigenrapport over de vader
van klager. Klager heeft bezwaren tegen de wijze waarop dat rapport tot stand is gekomen.
Bij beslissing van 8 januari 2025, onder nummer H2023/5500, heeft het Regionaal Tuchtcollege
klachtonderdeel a deels gegrond verklaard, bepaald dat geen maatregel wordt opgelegd
en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.
1.2 Klager heeft beroep ingesteld tegen die beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
In beroep wordt deze zaak aangeduid met zaaknummer C2025/2754. Verzoeker heeft een
verweerschrift in beroep ingediend.
1.3 De zaak is in beroep behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege
van
22 september 2025. Tijdens het deel van de mondelinge behandeling waarin het college
vragen stelt aan partijen heeft de gemachtigde van verzoeker, mr. Slabbers, namens
verzoeker de wraking verzocht van lid-jurist mr. De Hek (hierna ook: De Hek). De mondelinge
behandeling van het beroep is vervolgens geschorst. Diezelfde dag, enkele uren na
de mondelinge behandeling, heeft mr. Slabbers per e-mail een nadere toelichting op
het wrakingsverzoek gegeven.
1.3 Hierop is een wrakingskamer samengesteld bestaande uit de leden Z.J. Oosting,
voorzitter,
en J.M. Rowel-van der Linde en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen. Aan de wrakingszaak
is het zaaknummer C2025/2971 toegekend. Op 13 oktober 2025 is het wrakingsverzoek
op een openbare zitting behandeld. Op de zitting zijn verschenen, mr. Slabbers en
mr. Bronsveld, de gemachtigde van klager in de hoofdzaak C2025/2754. Mr. Slabbers
heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht en beide gemachtigden hebben vragen van
de wrakingskamer beantwoord.
1.4 De Hek heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking. Hij heeft
aangegeven niet te berusten in de wraking.
2. Beoordeling van het verzoek tot wraking
2.1 De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek van 22 september
2025 en de nadere toelichting daarop. Verzoeker voert aan dat De Hek jegens hem een
vooringenomenheid koestert, of dat er in ieder geval sprake is van de schijn van vooringenomenheid.
Deze vooringenomenheid volgt uit, kort gezegd, de wijze waarop De Hek zijn vragen
aan verzoeker stelde, niet naar hem luisterde en de onterechte conclusies die hij
verbond aan de antwoorden van verzoeker. Volgens verzoeker was er sprake van een optelsom
van gedragingen van De Hek die gezamenlijk tot het wrakingsverzoek hebben geleid.
2.2 De Hek schrijft in zijn reactie, kort samengevat, dat het gezien de inhoud
van de zaak en de tegengestelde conclusies van betrokken professionals die daarin
een rol spelen, nodig was om door te vragen om duidelijkheid te krijgen op een aantal
punten. De Hek geeft aan dat hij zich daarbij niet bewust is van non-verbaal gedrag
waaruit zou blijken dat hij verzoeker niet geloofde.
2.3 Op grond van artikel 63 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) kan een lid van een tuchtcollege worden gewraakt indien er sprake is van
feiten of
omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Aan de orde is
de vraag of hiervan bij de behandeling van de klacht van verzoeker in beroep, in
de zaak
C2025/2754, sprake is. Uitgangspunt is dat een lid van het Centraal Tuchtcollege
uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich
uitzonderlijke
omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel
dat het lid jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een
partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.4 Van een zodanige uitzonderlijke omstandigheid is naar het oordeel van de
wrakingskamer niet gebleken. De wrakingskamer stelt voorop dat het tot de taak van
(een lid van) het tuchtcollege behoort om tijdens de zitting nader onderzoek te verrichten,
onder meer door het stellen van (kritische) vragen en het maken van (kritische) kanttekeningen.
Een lid kan daarbij een actieve houding aannemen en heeft daarbij een zekere mate
van vrijheid.
2.5 Bij de beoordeling van het verzoek tot wraking gaat de wrakingskamer in beginsel
uit van
hetgeen in het proces-verbaal van de zitting staat vermeld. Desgevraagd heeft mr.
Slabbers tijdens de wrakingszitting naar voren gebracht dat het proces-verbaal van
de zitting van 22 september 2025 volgens haar op cruciale punten onvolledig is. Zo
komt in het proces-verbaal niet tot uitdrukking dat verzoeker uitgebreid heeft gemotiveerd
waarom hij de conclusie uit een specifieke deskundigenrapportage niet overnam en dat
De Hek dit tot tweemaal toe heeft samengevat als ‘u heeft het dus terzijde gelegd
omdat het u niet goed uitkwam’. Deze wijze van samenvatten door De Hek in combinatie
met de onvriendelijke wijze van vragen stellen en het niet luisteren naar de antwoorden
van verzoeker, vormen juist de grondslag van de wraking, aldus verzoeker.
2.6 Mr. Bronsveld heeft tijdens de wrakingszitting naar voren gebracht dat hij
een andere beleving heeft van de mondelinge behandeling op 22 september 2025. Hij
heeft de vragen van
De Hek niet als onvriendelijk of vooringenomen ervaren, heeft hem niet horen murmelen
of anderszins non-verbaal horen of zien reageren en zegt zeker te weten dat De Hek
de woorden ‘omdat het u niet goed uitkwam’ niet heeft gebruikt.
2.7 Nu de lezingen over de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling uiteenlopen,
blijft onduidelijk hoe de mondelinge behandeling precies is verlopen. De wrakingskamer
ziet daarom geen aanleiding om het proces-verbaal van de zitting niet als uitgangspunt
te hanteren.
2.8 Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat De Hek heeft doorgevraagd
naar aanleiding van een opmerking van verzoeker tijdens de zitting dat hij voor zijn
beoordeling bepaalde informatie ter zijde heeft gelegd. Uit hetgeen hierover in het
proces-verbaal is vastgelegd en bezien tegen de achtergrond van de ingediende klacht,
volgt naar het oordeel van de wrakingskamer niet dat De Hek op dit punt zodanig kritische
vragen heeft gesteld dat daaruit de schijn van partijdigheid volgt. De Hek heeft ook
uitgelegd dat hij de vragen stelde om duidelijkheid te krijgen en dat hij juist geen
vragen zou stellen als hij na de voorbereiding van de zaak zijn oordeel al klaar had.
2.9 De wrakingskamer overweegt verder dat het spijtig is dat verzoeker uit mogelijke
non-verbale communicatie en/of gemurmel tijdens de zitting de indruk heeft gekregen
dat De Hek vooringenomen was. Nu (de gemachtigde van) verzoeker tijdens de mondelinge
behandeling geen melding heeft gemaakt van murmelingen en/of ongepaste non-verbale
communicatie (met een verzoek van deze melding verslag te doen in het proces-verbaal
van de zitting) en De Hek en mr. Bronsveld deze niet hebben opgemerkt, kan de wrakingkamer
niet vaststellen of hiervan sprake was. Dit betekent dat de wrakingskamer de stellingen
van verzoeker ook op dit punt passeert.
2.10 Dat verzoeker zich niet prettig heeft gevoeld bij het doorvragen door De
Hek is niet ondenkbaar, maar dat levert op zichzelf geen aanwijzing voor vooringenomenheid
of een objectieve rechtvaardiging voor de vrees voor vooringenomenheid op. De wrakingskamer
merkt hierbij op dat er, ook als vast zou komen te staan dat De Hek tot tweemaal toe
de reactie van verzoeker heeft samengevat als ‘u heeft het dus terzijde gelegd omdat
het u niet goed uitkwam’, geen sprake zou zijn van een schijn van partijdigheid. Het
geven van een samenvatting van het verhandelde op zitting geeft een ander, in dit
geval verzoeker, de mogelijkheid te controleren of de essentie is begrepen en om hierop
te reageren en te wijzen op de onjuistheid van de samenvatting.
2.11 Concluderend oordeelt de wrakingskamer dat het door verzoeker aangevoerde
geen zwaarwegende redenen oplevert voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid
van het gewraakte lid-jurist De Hek. Dit betekent dat het verzoek tot wraking als
ongegrond wordt afgewezen.
3. Beslissing
De wrakingskamer van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: wijst af
het verzoek tot wraking van De Hek, lid-jurist; bepaalt dat de behandeling van de
hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen
van het verzoek tot wraking; beveelt dat de secretaris van de wrakingskamer onverwijlde
mededeling doet aan verzoeker, het - vergeefs gewraakte – lid jurist van het college
en klager.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, J.M. Rowel-van der Linde en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 27 oktober 2025
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.