ECLI:NL:TGZCTG:2025:173 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2742 Verzet

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:173
Datum uitspraak: 22-10-2025
Datum publicatie: 27-10-2025
Zaaknummer(s): C2025/2742 Verzet
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Verzet. Klacht tegen een medisch adviseur. Klager verwijt de medisch adviseur dat hij: a) een onjuist rapport heeft opgesteld onder andere omdat er een onjuistheid in het rapport staat over het huisbezoek en lichamelijk onderzoek op 24 augustus 2020; b) de stukken en de jurisprudentie over dit onderwerp (de vraag of er bij klager een medische noodzaak bestond voor het ontvangen van sekszorg) niet goed heeft geïnterpreteerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdelen a en b gedeeltelijk gegrond verklaard en de medisch adviseur een waarschuwing opgelegd. Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep voor zover het beroep ziet op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel a en het beroep voor het overige afgewezen omdat het beroep van klager niet leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het verzet van klager tegen die beslissing ongegrond.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2742 van:
A., wonende in B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., arts, werkzaam in D., verweerder in beide instanties, 
hierna: de medisch adviseur, gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam in Loenen. 
   
1.    Verloop van de procedure
1.1    Klager heeft op 28 maart 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in 
’s-Hertogenbosch een klacht ingediend tegen de medisch adviseur. Bij beslissing van 22 januari 2025, onder nummer H2023/5501 heeft dat college de klachtonderdelen a en b gedeeltelijk gegrond verklaard en de medisch adviseur een waarschuwing opgelegd. 
1.2    Klager is op tijd in beroep gekomen tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 15 mei 2025 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep voor zover het beroep ziet op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel a en het beroep voor het overige afgewezen. Die beslissing is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing. Tegen deze beslissing heeft klager verzet aangetekend. 
1.3    Het verzet is op de zitting van 1 oktober 2025 behandeld. Klager, de medisch adviseur en de gemachtigde van de medisch adviseur waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen die klager heeft gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege. 

2.    Beoordeling van het verzet
2.1    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 15 mei 2025 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep voor zover het beroep ziet op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel a en het beroep voor het overige afgewezen. De voorzitter heeft hierover overwogen: 
3.1    Klager is het niet eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. 
Klager is van mening dat de medisch adviseur een huisbezoek had moeten afleggen. Klager stelt dat de medisch adviseur belangrijke observaties heeft gemist, en geen gedetailleerd medisch onderzoek heeft uitgevoerd omdat hij niet op huisbezoek is geweest. Daarbij stelt klager dat de medisch adviseur niet tot een juiste diagnose, noch tot een adequate behandeling heeft kunnen komen zonder huisbezoek. Klager stelt bovendien langdurig te hebben geleden door het onjuiste rapport van de medisch adviseur. 
3.2    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken uit het dossier van het Regionaal Tuchtcollege, van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 
22 januari 2025 en het beroepschrift van klager. De voorzitter oordeelt als volgt. 
3.3    Klager heeft in zijn beroepschrift alleen beroepsgronden geformuleerd tegen klachtonderdeel a. Dat betekent de klachtonderdeel b in beroep niet meer aan de orde is.
3.4    Artikel 73 eerste lid onder a Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat door de klager alleen beroep kan worden ingesteld voor zover zijn klacht ongegrond is verklaard, hij niet-ontvankelijk is verklaard, het college kennelijk onbevoegd is, of voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is. Klachtonderdeel a is door het Regionaal Tuchtcollege gedeeltelijk gegrond verklaard. Dit betekent dat klager niet-ontvankelijk is in het beroep voor zover dit gaat over het deel van klachtonderdeel a dat door het Regionaal 
Tuchtcollege gegrond is verklaard. Het verwijt dat de medisch adviseur ten onrechte in zijn rapport heeft genoteerd dat er sprake is geweest van een huisbezoek, een lichamelijk onderzoek en een observatie is in beroep niet meer aan de orde. 
3.5    Klager benoemt in zijn beroepschrift dat hij langdurig heeft geleden door het, in zijn ogen, onjuiste rapport van de medisch adviseur. De tuchtrechter toetst of een zorgverlener, in dit geval de medisch adviseur, bij het handelen waarover wordt geklaagd de zorg heeft verleend die van hem verwacht mag worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend medisch adviseur. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de medisch adviseur geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Het uiteindelijk gevolg van het verweten handelen is daarbij niet van belang en mag daarbij geen rol spelen. Dat betekent dat de door klager omschreven gevolgen, hoe vervelend ook, niet kunnen worden meegewogen bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen van de medisch adviseur. 
3.6    De voorzitter overweegt dat de beoordeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. De voorzitter is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat er, gezien de vraagstelling van de gemeente en de inhoud van de medische stukken, geen indicatie was voor observatie of het verrichten van lichamelijk onderzoek. Het niet verrichten van die onderzoeken is daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De stelling van klager dat hierdoor sprake is geweest van een onvolledige beoordeling waardoor relevante informatie is gemist, wordt door de voorzitter niet gevolgd. Naar het oordeel van de voorzitter zal het beroep van klager niet leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klager daarom afwijzen.”

2.2    Klager is het niet eens met deze beslissing van de voorzitter. 
2.3    Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de behandeling van de zaak in verzet geen ander licht op de zaak heeft geworpen. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen en het oordeel van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. 
2.3    Het Centraal Tuchtcollege benadrukt dat het in beroep alleen nog gaat over het verwijt dat de medisch adviseur klager überhaupt niet lichamelijk heeft onderzocht. De voorzitter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep van klager niet leidt tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
2.4    Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. 

3.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, L. van Dijk en S.M. Evers, leden-juristen, en J.H.M. de Brouwer en W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 22 oktober 2025.

        Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.