ECLI:NL:TGZCTG:2022:88 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1157
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:88 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-04-2022 |
| Datum publicatie: | 20-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021/1157 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts en praktijkhouder. Klaagster is meermalen gezien door waarnemend huisartsen van de praktijk van de huisarts. De laatste keer is klaagster verwezen naar een KNO-arts. Die heeft de diagnose ‘sudden deafness’ gesteld. Klaagster is van mening dat de waarnemend huisartsen deze huisarts ten onrechte hebben gemist. Volgens klaagster heeft verweerster als praktijkhoudster een passieve houding aangenomen nadat zij bekend werd met de gemiste diagnose en de ernstige gevolgen daarvan. Klaagster verwijt verweerster dat zij onzorgvuldig dan wel onjuist heeft gehandeld omdat zij niet adequaat en in lijn met de KNMG-handreiking ‘Omgaan met incidenten en klachten’ is omgegaan. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1157 van:
A., wonend te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: C., echtgenoot van klaagster,
tegen
F., huisarts, werkzaam te B., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer, verbonden aan DAS Rechtsbijstand.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 5 maart 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam
tegen F. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 oktober
2021, onder nummer A2021/3044, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2021/1156 behandeld
ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 28 februari 2022, waar
zijn verschenen klaagster, bijgestaan door haar echtgenoot C., en de huisarts, bijgestaan
door mr. J.S.M. Brouwer, voornoemd. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. Waar gaat de zaak over?
2.1. Verweerster is werkzaam als huisarts en praktijkhouder. Klaagster (en ook
haar echtgenoot) staan beide als patiënt bij een collega van verweerster ingeschreven.
Op 26 augustus 2016, 31 augustus en 2 september 2016 is klaagster op het spreekuur
geweest bij twee verschillende huisartsen die als waarnemer in de praktijk van verweerster
werkzaam zijn. Tegen deze waarnemers heeft klaagster ook tuchtklachten ingediend (in
de zaken met kenmerk A2021-3043 en A2021-2294) met het verwijt dat zij op deze data
de diagnose ‘sudden deafness’ hebben gemist. Bij klachten van gehoorverlies is volgens
klaagster een delay ontstaan doordat pas op 2 september 2016 een verwijzing naar een
KNO-arts is gegeven. Uiteindelijk is op 7 september 2016 door de KNO-arts de diagnose
sudden deafness gesteld met blijvende gehoorschade.
Klaagster heeft op 5 februari 2018 de praktijk van verweerster aansprakelijk gesteld
en verzocht een afschrift van het dossier toe te sturen aan de aansprakelijkheidsverzekeraar
van verweerster ter afhandeling van de schade. In december 2018 heeft (de echtgenoot
van) klaagster per brief, gericht aan een collega van verweerster, verzocht een kopie
van het verslag, de bevindingen en de evaluatie die door de praktijk waren opgemaakt,
te mogen ontvangen en voor zover dat nog niet gebeurd was, dat verslag alsnog op te
maken. De aanleiding voor dit verzoek was dat het contact met de aansprakelijkheidsverzekeraar
moeizaam verliep en de verzekeraar volgens klaagster zijn conclusie baseerde op hetgeen
in het huisartsenjournaal stond. Klaagster wilde slechts de gebeurtenissen zoals voorgevallen
op papier hebben.
Naar aanleiding van deze laatste brief, heeft die collega van verweerster telefonisch
contact opgenomen met de echtgenoot van klaagster, in welk gesprek is gesproken over
het ‘weetje van de week’ over de stemvorkproeven volgens Weber en Rinne en over een
gesprek met verweerster, dat de echtgenoot van klaagster graag wilde hebben. In het
huisartsenjournaal is vervolgens niets meer aangetekend over een gesprek tussen (de
echtgenoot van) klaagster en verweerster. Volgens klaagster heeft verweerster als
praktijkhoudster een passieve houding aangenomen nadat zij bekend werd met de gemiste
diagnose en de ernstige gevolgen daarvan. Zij moet al kort na de gemiste diagnose
hiervan op de hoogte zijn geweest, omdat de casus intern is besproken. Verweerster
had toen in haar hoedanigheid als praktijkhoudster stappen moeten ondernemen en nader
onderzoek moeten initiëren. Zij had klaagster (en haar echtgenoot) over de uitkomsten
daarvan moeten informeren. Verweerster had er bovenop moeten zitten en openheid van
zaken moeten geven. Doordat dit niet is gebeurd, hebben zij en haar echtgenoot zelf
het onderzoek naar de toedracht van het incident moeten doen. Klaagster verwijt verweerster
dan ook dat zij onzorgvuldig dan wel onjuist heeft gehandeld omdat zij niet adequaat
en in lijn met de KNMG-handreiking ‘Omgaan met incidenten en klachten’ is omgegaan.
2.2. Verweerster vindt het erg vervelend wat klaagster is overkomen. De casus van
klaagster heeft verweerster destijds besproken tijdens een wekelijks casuïstiek overleg
(‘weetje van de week’) om daarvan te leren, maar dit wordt niet in het patiëntendossier
vermeld of opgenomen. De behandelend artsen hebben klaagster destijds gebeld en hun
excuus aangeboden. Verweerster had vernomen dat dit contact goed was verlopen en voor
haar was er geen aanleiding hierop verder te acteren. Pas veel later, naar aanleiding
van de binnengekomen aansprakelijkheidstelling, heeft zij contact gehad met de echtgenoot
van klaagster. Zij heeft toen ook gevraagd of klaagster in gesprek wilde omdat het
haar niet duidelijk was of daar behoefte aan was. Destijds heeft zij de klacht louter
aangemerkt als een aansprakelijkheidsstelling; pas nu begrijpt zij dat klaagster het
niet eens is met de weergave in het dossier en dat zij daar een onderzoek naar wilde.
5. Wat is het oordeel van het college?
5.1. Het college is van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Voor die beslissing acht het college het volgende van belang.
5.2. Hoe spijtig ook de ernstige lichamelijke gevolgen voor klaagster, van een
calamiteit is naar het oordeel van het college geen sprake. Weliswaar is sprake van
een gebeurtenis met ernstig lichamelijke letsel tot gevolg, maar die gebeurtenis heeft
niet zozeer betrekking op ‘de organisatie van zorg’, zodat geen sprake is van een
calamiteit die aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gemeld had
moeten worden. Het lag daarom niet op de weg van verweerster een onderzoek te initiëren
naar de gebeurtenissen in de periode van 25 augustus tot en met 7 september 2016.
Bovendien blijkt uit het medisch dossier, bijgehouden door de behandelend artsen van
klaagster zelf, voldoende wat klaagsters klachten waren, wat door de behandelend artsen
is uitgevraagd, wat is overwogen met betrekking tot de klachten van klaagster en de
voorgestelde behandeling. Door het opstellen van een ‘weetje van de week’ heeft verweerster
de situatie van klaagster voldoende binnen haar praktijk kenbaar gemaakt en openlijk
besproken. Daarnaast hoefde van verweerster ook niet te worden verwacht zelf alsnog
contact op te nemen met klaagster – zoals de door klaagster aangehaalde KNMG-richtlijn
voorstelt – nu de behandelend artsen dat zelf reeds hadden gedaan en dat contact kennelijk
goed was verlopen. Het college is van oordeel dat verweerster niet in strijd heeft
gehandeld met de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met klachten en incidenten’. De klacht is
ongegrond.
5.3. Het voorgaande leidt tot de beslissing dat verweerster met betrekking tot
de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in
de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave
is in beroep niet of in elk geval onvoldoende bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Zij betoogt onder meer dat de huisarts in haar hoedanigheid van praktijkhouder niet
bereid is geweest om openheid van zaken te geven en heeft nagelaten om in een verslag
of registratie uitleg te geven over wat er in de periode 25 augustus 2016 tot 7 september
2016 mis is gegaan. Zij heeft daarmee niet in lijn met de KNMG handreiking ‘Omgaan
met incidenten en klachten’ gehandeld, aldus klaagster. Klaagster verzoekt het Centraal
Tuchtcollege de beslissing te vernietigen en de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.2 De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege
het beroep te verwerpen en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te handhaven.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de bij het
Regionaal Tuchtcollege geformuleerde klacht en het daarover door partijen bij dat
college gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
4.4 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij
door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal
Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de terechtzitting op 28 februari 2022 is dat debat voortgezet.
4.5 De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen.
Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal
Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. De conclusie
is dat de huisarts voldoende adequaat en niet in strijd met de KNMG-handreiking ‘Omgaan
met klachten en incidenten heeft gehandeld en dat haar dus geen tuchtrechtelijk verwijt
kan worden gemaakt.
4.6 Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft
verklaard en dat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; E.F. Lagerwerf Vergunst
en
A.S. Gratama, leden-juristen, en M.K. Dees en M.G.M. Smid Oostendorp, leden-beroepsgenoten,
en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 20 april 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.